Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BD3350

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
06-06-2008
Zaaknummer
63998 / HA ZA 07-630
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tijdens een verjaardagsfeestje rijdt een tienjarig meisje op een kinderquad door de glazen pui van een showroom. Volgens de vader heeft zijn dertienjarige dochter het meisje op de kinderquad laten rijden. Daarom had niet hij, maar zijn dochter moeten worden gedagvaard. De rechtbank oordeelt in de eerste plaats over eigen aansprakelijkheid uit hoofde van onrechtmatige daad van een kind jonger dan veertien jaar. De vader is aansprakelijk in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger. Bij beoordeling aansprakelijkheid moet volgens de rechtbank worden geabstraheerd van jonge leeftijd van de dochter. Daarom moet betrokkenheid dochter als onzorgvuldig worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 63998 / HA ZA 07-630

Vonnis van 21 mei 2008

in de zaak van

1. de coöperatie u.a.

COÖPERATIE UNIVÉ NOORD-OOST U.A.,

gevestigd en kantoorhoudende te Stadskanaal,

2. de vennootschap onder firma

[EISERES SUB 2],

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

eiseressen,

procureur mr. H. Dontje,

tegen

[GEDAAGDE],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. P.L. Verhulst,

advocaat mr. E.T. van den Hout.

Partijen zullen hierna Univé, [eiseres sub 2] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 december 2007, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd;

- het proces-verbaal van comparitie van 11 april 2008;

- de overigens ingebrachte producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De rechtbank kan van de navolgende feiten uitgaan.

2.2. Op 14 juli 2006 is schade ontstaan aan en in de showroom voor grafstenen van [eiseres sub 2]. Deze schade is veroorzaakt doordat een toen tienjarig kind, [kind], geboren op [geboortedatum], een motorvoertuig, een zogeheten quad, van [gedaagde] bestuurde, de macht over het stuur verloor en door de glazen pui van de showroom is gereden.

2.3. [eiseres sub 2] heeft bij Univé onder meer een uitgebreide gevarenverzekering roerende zaken in bedrijfsgebouwen afgesloten. Univé heeft uit hoofde daarvan aan [eiseres sub 2] een uitkering gedaan ter grootte van € 2.300,00.

3. De vordering

3.1. Univé en [eiseres sub 2] vorderen, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt om aan Univé een bedrag te betalen ter grootte van € 2.300,00 vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf

20 november 2006 tot de dag waarop volledige betaling volgt en dat de rechtbank [gedaagde] veroordeelt om aan [eiseres sub 2] een bedrag te betalen ter grootte van € 6.915,31 vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 juli 2006 tot de dag waarop volledige betaling volgt, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2. Ter onderbouwing van de vordering voeren Univé en [eiseres sub 2] aan dat hun schade is veroorzaakt met een motorvoertuig, een zogeheten quad, waarvan [gedaagde] de eigenaar dan wel de bezitter is. [gedaagde], zo stellen Univé en [eiseres sub 2], heeft op een verjaardagsfeestje kinderen op zijn quad laten rijden. [gedaagde] heeft daardoor elementaire veiligheidsnormen overschreden en in dat opzicht onrechtmatig gehandeld door met zijn toestemming en onder zijn verantwoordelijkheid een minderjarig kind een quad te laten besturen.

4. Het verweer

4.1. [gedaagde] bestrijdt de vordering. Daartoe ontkent hij dat met zijn toestemming een tienjarig meisje op 14 juli 2006 een kinderquad mocht besturen. [gedaagde] stelt dat een dag eerder kinderen onder zijn deskundige begeleiding in een weiland op een quad mochten rijden. Volgens [gedaagde] heeft op 14 juli 2006 zijn dertienjarige dochter tijdens zijn afwezigheid de sleutels van de kinderquad gepakt, met mededeling aan de echtgenote van [gedaagde] dat de kinderquad zou worden bereden. De echtgenote ging er ten onrechte vanuit dat dit - zoals altijd - onder begeleiding van [gedaagde] zou plaatsvinden, zo stelt [gedaagde]. Dit brengt volgens [gedaagde] met zich dat niet hij maar zijn dertienjarige dochter en hijzelf in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger had moeten worden gedagvaard. Univé en [eiseres sub 2] dienen daarom volgens [gedaagde] in hun vorderingen niet-ontvankelijk te worden verklaard. [gedaagde] stelt dat hij in ieder geval geen veiligheidsnorm heeft overschreden, want er is zonder zijn toestemming en niet onder zijn verantwoordelijkheid op 14 juli 2006 op een kinderquad gereden. [gedaagde] stelt dat hij daarom niet onrechtmatig heeft gehandeld. De schade van Univé en [eiseres sub 2] wordt door [gedaagde] gemotiveerd weersproken.

4.2. Waar van belang, zal op het verweer van [gedaagde] hierna nader worden ingegaan.

5. De beoordeling

Ontvankelijkheid

5.1. [gedaagde] voert in de eerste plaats aan dat Univé en [eiseres sub 2] in hun vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. [gedaagde] stelt dat niet hij maar zijn dertienjarige dochter en [gedaagde] in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger had moeten worden gedagvaard.

5.2. De rechtbank stelt voorop de wet een leeftijdgrens kent voor de eigen aansprakelijkheid van een kind. In artikel 1:164 BW wordt de eigen aansprakelijkheid van een kind jonger dan veertien jaar uit hoofde van onrechtmatige daad, uitgesloten. Voorts overweegt de rechtbank dat uit de door Univé en [eiseres sub 2] betrokken stellingen kan worden afgeleid dat zij de aansprakelijkheid van [gedaagde] ex artikel 6:162 BW gronden op een eigen gedraging van [gedaagde], die hieruit heeft bestaan dat hij elementaire veiligheidsregels heeft geschonden toen hij kinderen onder zijn toezicht heeft laten rijden op zijn quad. Gegeven die grondslag, kunnen Univé en [eiseres sub 2] in hun vorderingen worden ontvangen

(zie: HR 12 mei 1995, NJ 1996/118).

Inhoudelijk

5.3. De rechtbank staat vervolgens voor de vraag naar de toedracht van het ongeval. Univé en [eiseres sub 2] stellen zich op het standpunt dat de aanrijding heeft plaatsgevonden doordat [gedaagde] kinderen heeft laten rijden op quad. [gedaagde] stelt dat zijn dertienjarige dochter zonder zijn toestemming de sleutels van de quad heeft gepakt, waardoor de aanrijding kon plaatsvinden.

5.4. Univé en [eiseres sub 2] hebben een zestal verklaringen van kinderen in het geding gebracht. Uit de verklaringen volgt dat op een vrijdag en zaterdag op een feestje van [dochter van gedaagde], de dochter van [gedaagde], op quads mocht worden gereden. De verklaringen zijn door [gedaagde] niet gemotiveerd weersproken. Mede in het licht van de verklaringen acht de rechtbank bewezen dat de toedracht van het ongeval van 14 juli 2006 hieruit heeft bestaan dat [gedaagde] heeft toegestaan dat kinderen op een quad reden. Het laten rijden van kinderen op een dergelijk motorvoertuig roept naar het oordeel van de rechtbank een gevaarlijke situatie in het leven met als voorzienbaar gevolg dat een aanrijding ontstaat, zoals die ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het is naar het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande onzorgvuldig om kinderen op een quad te laten rijden. [gedaagde] had zich daarom dienen te onthouden van iedere gedraging die het mogelijk maakt dat een tienjarig kind op een quad kan rijden, gelet op de voorzienbaarheid van het gevaar en het letsel dat dat gevaar kan veroorzaken. Dat hij dat niet heeft gedaan brengt met zich dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de gevolgen van de aanrijding op 14 juli 2006.

5.5. Ten overvloede gaat de rechtbank in op het verweer van [gedaagde] dat zonder zijn toestemming en niet onder zijn verantwoordelijkheid op de quad is gereden. Daargelaten dat de door [gedaagde] gestelde feiten niet - subsidiair - door Univé en [eiseres sub 2] aan hun vordering ten grondslag zijn gelegd, is het naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf genomen voor de aansprakelijkheid van [gedaagde] onverschillig of wordt uitgegaan van het door Univé gestelde maar door [gedaagde] weersproken feitencomplex, dan wel van het door [gedaagde] gestelde maar door Univé weersproken feitencomplex. De rechtbank komt tot deze conclusie op grond van de navolgende overwegingen.

5.6. Uitgaande van de door [gedaagde] gestelde gang van zaken, kan als uitgangspunt worden genomen dat de dertienjarige dochter van [gedaagde] de sleutels van een quad heeft gepakt en deze kennelijk heeft laten besturen door een tienjarig kind. De rechtbank beschouwt dit als een doen te beschouwen gedraging die aan de dochter van [gedaagde] moet worden toegerekend en die ingevolge het bepaalde in artikel 6:169 lid 1 BW voor risico van [gedaagde] komt.

De rechtbank neemt in dit verband in aanmerking dat wanneer aansprakelijkheid van [gedaagde] wordt gegrond op het bepaalde in artikel 1:169 BW er moet worden geabstraheerd van de jeugdige leeftijd van de dochter van [gedaagde] (HR 12 november 2004, NJ 2005/138). Het wegnemen van de sleutels van een motorvoertuig en het daarop laten rijden van een tienjarig kind roept een gevaarlijke situatie in het leven met als voorzienbaar gevolg dat een aanrijding ontstaat, zoals die ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Als wordt geabstraheerd van de jonge leeftijd van de dochter, moet bovendien de betrokkenheid van de dochter worden aangemerkt als onzorgvuldig en geldt dat de dochter zich van het pakken van de sleutels en het laten rijden op de quad door een tienjarig kind had dienen te onthouden, gelet op de voorzienbaarheid van het gevaar en het letsel dat dat gevaar kan veroorzaken. Uitgaande van de door [gedaagde] weergegeven gang van zaken leidt dit naar het oordeel van de rechtbank ingevolge het bepaalde in artikel 1:169 lid 1 BW tot de vervangende aansprakelijkheid van [gedaagde]. De rechtbank neemt daarbij aan dat [gedaagde] op 14 juli 2006 het ouderlijk gezag over zijn dochter uitoefende.

5.7. Het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd, brengt met zich dat de rechtbank tot oordeel komt dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de gevolgen van de aanrijding op 14 juli 2006, uitgaande van de door Univé aan haar vordering ten grondslag gelegde feiten.

5.8. Vervolgens staat te beoordelen of en zo ja in welke mate Univé en [eiseres sub 2] als gevolg van deze aanrijding schade hebben geleden. Ten aanzien van de in dit verband opgekomen geschilpunten overweegt de rechtbank als volgt.

Schade Univé

5.9. In aanmerking genomen de verzekeringsovereenkomst, de door Univé gegeven specificatie van de schade als vervat in het bezoekrapport van een schaderegelaar van Univé van 10 oktober 2006 en de wijze waarop daar de verschillende schadecomponenten in dat rapport worden begroot, acht de rechtbank voorshands bewezen dat op grond van de toepasselijke polis Univé gehouden was tot een bedrag van € 2.300,00 een uitkering te doen aan [eiseres sub 2] ter vergoeding van de schade die [eiseres sub 2] als gevolg van het schadeveroorzakende evenement van 14 juli 2006 heeft geleden. [gedaagde] wordt de gelegenheid geboden tegenbewijs te leveren.

Schade [eiseres sub 2]

5.10. [eiseres sub 2] vordert vergoeding van:

(a) herstel ruit € 138,50

(b) schoonmaakwerkzaamheden € 120,00

(c) vervanging vloerbedekking € 200,00

(d) inzet portaalkraan € 1.456,56

(e) omzetderving € 5.000,00

Ad (a) herstel ruit

5.11. In aanmerking genomen de factuur van [schildersbedrijf] van 27 juli 2006, acht de rechtbank de gestelde schade aan de ruit van de showroom bewezen.

Ad (b) schoonmaakwerkzaamheden

5.12. Gelet op het daarop gerichte verweer is niet komen vast te staan dat [eiseres sub 2] kosten heeft gemaakt om de showroom te reinigen. [eiseres sub 2] heeft aangeboden haar stellingen te bewijzen. Aan [eiseres sub 2] zal bewijs worden opgedragen.

Ad (c) vervanging vloerbedekking

5.13. In aanmerking genomen de foto’s gehecht aan het vorengenoemde rapport van de schaderegelaar van Univé en de factuur van Leenbakker van 3 maart 2007, acht de rechtbank voorshands bewezen dat [eiseres sub 2] de door haar gestelde schade heeft geleden. [gedaagde] wordt de gelegenheid geboden tegenbewijs te leveren.

Ad (d) inzet portaalkraan

5.14. In aanmerking genomen de foto’s gehecht aan het vorengenoemde rapport van de schaderegelaar van Univé en de factuur van [derde] van 2 juli 2007 acht de rechtbank voorshands bewezen dat de inzet van een portaalkraan geboden was om eerst de showroom te ontruimen en vervolgens weer in te richten. [gedaagde] wordt de gelegenheid geboden om tegenbewijs te leveren.

Ad (e) omzetderving

5.15. Gelet op het daarop gerichte verweer is niet komen vast te staan dat het schadeveroorzakende evenement van 14 juli 2006 omzetderving tot gevolg heeft gehad. [eiseres sub 2] heeft aangebonden haar stellingen te bewijzen. Aan [eiseres sub 2] zal een bewijsopdracht worden gegeven.

6. Slotsom

Aan [eiseres sub 2] wordt bewijs opgedragen. Voor zover de rechtbank tot een bewijsvermoeden komt, wordt [gedaagde] de gelegenheid geboden om tegenbewijs te leveren. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

BESLISSING

De rechtbank

1. draagt [eiseres sub 2] op feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit de door haar gestelde schade ten aanzien van de reiniging van haar showroom en de door haar gestelde omzetderving blijkt,

2. laat [gedaagde] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het bewijsvermoeden zoals opgenomen in de rechtsoverwegingen 5.9; 5.13 en 5.14,

3. bepaalt dat, indien [eiseres sub 2] en [gedaagde] het bewijs door getuigen willen leveren, het getuigenverhoor aan de zijde van [eiseres sub 2] zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. B.R. Tromp in het gerechtsgebouw te Assen aan Brinkstraat 4 op een nader te bepalen datum en tijdstip,

3. bepaalt dat [eiseres sub 2] en Kuiper voor 18 juni 2008 opgave zullen doen van de door hen voor te brengen getuigen, alsmede de verhinderdata van partijen en van de getuigen (augustus, september, oktober, november en december 2008), waarna een datum voor het getuigenverhoor, eerst aan zijde van [eiseres sub 2], zal worden vastgesteld.

4. bepaalt dat [eiseres sub 2] en [gedaagde], indien zij het bewijs niet door getuigen willen leveren maar door overlegging van bewijsstukken en / of door een ander bewijsmiddel, zij dit binnen twee weken na de datum van deze uitspraak schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de roladministratie van de sector civiel - en aan de wederpartij moeten opgeven,

5. bepaalt dat partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.R. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2008.