Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BD3298

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
21-03-2008
Datum publicatie
05-06-2008
Zaaknummer
AWB 07/594 WW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De biomassavergistingsinstallatie kan niet aangemerkt worden als agrarisch bedijf als bedoeld in het bestemmingsplan Buitengebied Dalen. Het opwekken van energie kan niet worden gezien als het voortbrengen van een agragrisch product. De casus is vergelijkbaar met die aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 22 augustus 2007, nr. 200609161 (Texel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 07/594 WW44

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken d.d. 21 maart 2008

in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Coevorden, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2007 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 15 januari 2007 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende de verlening van een bouwvergunning (onder vrijstelling) aan [belanghebbende] [woonplaats] BV voor het oprichten van een bedrijfshal met biogasinstallatie en zes opslagsilo’s op het perceel [adres] te [woonplaats].

Namens eiser is bij brief van 29 juni 2007 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 juli 2007.

Verweerder heeft bij brief van 17 augustus 2007 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Bij brief van 19 juli 2007 heeft de vergunninghouder te kennen gegeven deel te willen nemen aan de procedure. Bij brief van 12 september 2007 is namens hem een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Bij brieven van 4 en 6 september 2007 zijn namens eiser nadere stukken ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 18 februari 2008, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mevrouw mr. T. Karasu.

Voor verweerder is verschenen mr. J. de Vegt.

Namens vergunninghouder zijn verschenen de heer J. Albring en de gemachtigde mr. A.J. Poelman.

II. Motivering

Feiten en omstandigheden

Vergunninghouder voert op de percelen [adres] en 9 te [woonplaats] een akkerbouwbedrijf annex stierenmesterij.

Vergunning houder heeft op 18 september 2006 een bouwvergunning aangevraagd voor het oprichten van een bedrijfshal met biogasinstallatie en opslagsilo’s op het perceel [adres].

Bij besluit van 9 oktober 2006 heeft verweerder aan vergunninghouder een vergunning verleend als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor het oprichten en in werking hebben van een akkerbouwbedrijf met een biomassavergistingsinstallatie op het perceel [adres] te [woonplaats].

Verweerder heeft de vergunninghouder bij brief van 17 oktober 2006 verzocht zijn bouwaanvraag met de ontbrekende gegevens aan te vullen.

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het besluit van 9 oktober 2006 (de milieuvergunning) bij wijze van voorlopige voorziening op 5 januari 2007 geschorst.

De Welstandscommissie heeft op 9 januari 2007 en 16 januari 2007 een positief advies uitgebracht inzake de aanvraag tot verlening van een bouwvergunning.

Bij (primair) besluit van 15 januari 2007 heeft verweerder aan de vergunninghouder bouwvergunning verleend. Met toepassing van artikel 7, vijfde lid sub a onder 8 en 13 van het bestemmingsplan Buitengebied Dalen is vrijstelling verleend voor de aanwezigheid van sleufsilo buiten het aaneengesloten bebouwingsoppervlak en voor een goothoogte van de bedrijfshal van 5 meter.

Bij brief van 19 februari 2007 is namens eiser bezwaar gemaakt. Eiser heeft zijn bezwaar ten overstaan van de Commissie voor de rechtsbescherming (hierna: de Commissie) op 11 april 2007 mondeling toegelicht.

De Commissie heeft verweerder vervolgens schriftelijk geadviseerd om het besluit van 15 januari 2007 te handhaven. Daartoe is overwogen dat het bouwplan strijdig is met de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan. Verweerder kon evenwel overgaan tot het verlenen van de binnenplanse vrijstelling.

Bij besluit van 22 mei 2007 heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

Bij uitspraak van 5 september 2007 heeft de Raad van State het besluit van 9 oktober 2006 (de milieuvergunning) vernietigd.

Standpunten partijen

Eiser is van mening dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

In de eerste plaats wijst hij erop dat de aanvraag om bouwvergunning onvolledig was nu de vergunninghouder nagelaten heeft te melden dat er voor zijn bouwplan ook een milieuvergunning nodig was.

Verweerder had voorts de aanvraag om verlening van een bouwvergunning in het licht van artikel 52 van de Woningwet aan moeten houden nu de milieuvergunning nog geen rechtskracht had verkregen.

Voorts heeft verweerder de bedrijven van de vergunninghouder aan [adres] en Dwarsdijk 9 ten onrechte als één bedrijf aangemerkt ten einde de door de vergunninghouder beoogde activiteit onder categorie B van de Handreiking co-vergisting van mest (LA06) van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu te scharen.

Verweerder heeft in de belangenafweging ook niet betrokken dat een deel van het bouwplan moet worden uitgevoerd op de grond van een andere eigenaar.

In de beslissing op bezwaar wordt niet op het welstandsaspect ingegaan, terwijl er in bezwaar op gewezen is dat de Welstandscommissie het bouwplan slechts op hoofdlijnen heeft getoetst. Van belang is ook dat er in het noorden voor het eerst op een dergelijke afstand van percelen van derden bouwvergunning wordt verleend voor een dergelijk bouwplan. Als de maissleuf aan de rechterzijde wegvalt zal ook de geplande bossingel niet meer kunnen worden aangeplant.

Hier op voortbordurend zal het wegvallen van de geplande sleufsilo ook meer verkeersbewegingen genereren omdat de maïs per vrachtwagen zal moeten worden vervoerd. Verweerder staat alleen vrijstelling toe voor acht vrachtwagens per uur gedurende de oogstperiode. Verweerder vergeet daarbij het vrachtverkeer ten behoeve van de aanvoer van mest en het vervoer in verband met onderhoudswerkzaamheden.

Eiser wijst er op dat het besluit geen onderbouwing bevat op basis van de luchtkwaliteitsnormen.

In het aanvullend schrijven van 4 september 2007 heeft eiser gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 augustus 2007, zaaknr. 200609161/1, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat er sprake moet zijn van het voortbrengen van een agrarisch product wil het bouwplan onder het begrip “agrarisch bedrijf” vallen. Het vergisten van biomassa is niet aan te merken als een agrarische activiteit.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de bouw van een biogasinstallatie past binnen de bestemming.

Op het perceel [adres] rust op grond van het vigerende bestemmingsplan de bestemming “Essen en oude Veldontginningen” met als nadere aanduiding “Agrarisch bedrijf”. De gronden zijn volgens artikel 7 van de planvoorschriften bestemd voor behoud en herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden van Essen en oude veldontginningen en -voor zover van toepassing- voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf.

De te bouwen installatie valt onder categorie B van de Handreiking co-vergisting van mest (LA06) van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, zodat het bouwplan past binnen de omschrijving “uitoefening van het agrarisch bedrijf”. Het bouwplan van eiser is dus niet in strijd met de op het perceel geldende bestemming.

Er is slechts strijd met het bestemmingsplan in verband met de sleufsilo en de hoogte van de goothoogte van het bedrijfsgebouw. Hiervoor kan binnenplanse vrijstelling worden verleend.

De bouwvergunning kon worden verleend omdat de aanhoudingsplicht overeenkomstig artikel 52, eerste lid, onder b, sub 2 van de Woningwet al was geëindigd. Verweerder verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 februari 2004 en 20 april 2005, nummer 200306113/1 respectievelijk 200407916/1. Dat eiser op het aanvraagformulier niet heeft aangegeven dat een milieuvergunning nodig was is daarom ook niet van belang.

De vraag of het bij de bedrijfslocaties op [adres] en 9 gaat om één dan wel twee inrichtingen in het kader van de Wet Milieubeheer is voor de ruimtelijke afweging niet bepalend, aldus verweerder. Relevant is de vraag of eigen mest wordt gebruikt voor de installatie. Dat is volgens verweerder hier het geval; het betreft hier een bedrijfseigen activiteit.

Dat het bouwplan gedeeltelijk op grond van een andere eigenaar moet worden uitgevoerd, houdt geen inbreuk op het eigendomsrecht in. Als de andere eigenaar geen toestemming geeft, betekent dit niet dat de bouwvergunning en vrijstelling niet juist zouden zijn.

Verweerder is voorts van mening dat het welstandsadvies zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is gemotiveerd.

De verwachtingen die eiser uit over de toename van verkeersbewegingen als het bouwplan niet ten volle kan worden gerealiseerd, zijn speculatief zodat een reactie hierop volgens verweerder niet zinvol is.

Een onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit is volgens verweerder niet nodig omdat alleen strijd met het bestemmingsplan bestaat voor wat betreft de goothoogte van de bedrijfshal en de sleufsilo die buiten het bouwvlak is gelegen.

De vergunninghouder heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven en zich achter het standpunt van verweerder geschaard. Ter zitting is namens de vergunninghouder betoogd dat eiser eerst in de beroepsfase gemotiveerd heeft aangevoerd dat een biogasinstallatie in strijd zou zijn met de bestemming “uitoefening van het agrarisch bedrijf” en dat het hem niet vrij staat dat eerst in die fase te doen.

Beoordeling

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of het bestreden besluit de toetsing in rechte kan doorstaan. Overwogen wordt als volgt.

De rechtbank is in de eerste plaats van oordeel dat de omstandigheid dat op het aanvraagformulier met betrekking tot de bouwaanvraag niet is vermeld dat tevens een milieuvergunning is vereist, niet leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is, nu wel degelijk een milieuvergunning is aangevraagd en daaromtrent ook een besluit is genomen.

De rechtbank is verder van oordeel dat het bepaalde in artikel 52 Woningwet, omtrent de verplichting om een aanvraag tot verlening van een bouwvergunning aan te houden in verband met de eveneens benodigde milieuvergunning, er niet aan in de weg stond dat de bouwvergunning op 15 januari 2007 werd verleend. Blijkens artikel 52, tweede lid, aanhef en onder b ten tweede eindigt de verplichting om de aanvraag tot verlening van de bouwvergunning aan te houden op het moment dat op een ingediend verzoek om een voorlopige voorziening inzake de milieuvergunning is beslist. In casu heeft de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op 5 januari 2007 een uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gedaan, zodat er op 15 januari 2007 geen aanhoudingplicht meer bestond. De omstandigheid dat Voorzitter het besluit tot verlening van de milieuvergunning heeft geschorst doet daar niet aan af.

Eisers hebben voorts betoogd dat de bouw van een biogasinstallatie in strijd is met de bestemming van het perceel.

In reactie op de stelling van de vergunninghouder dat deze vraag in de bezwaarfase niet aan de orde is geweest en derhalve in de beroepsfase niet meer aan de orde kan worden gesteld overweegt de rechtbank dat deze stelling reeds niet slaagt, nu uit de processtukken blijkt dat eiser in de bezwaarfase heeft aangevoerd dat hij van mening is dat de winning van biogas en bio-ethanol een activiteit is die thuishoort op een industrieterrein en dat voor een installatie die ten doel heeft om te produceren en niet in een eigen behoefte te voorzien ter verlaging van de kosten, de term agrarisch bedrijf discutabel is.

De beroepsgrond kan derhalve bij de beoordeling worden betrokken.

Met betrekking tot deze beroepsgrond oordeelt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c moet een bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Het perceel [adres] valt onder het bestemmingsplan “Buitengebied Dalen”. Het heeft de bestemming “Essen en oude veldontginningen (grondgebonden agrarisch bedrijf)”.

Onder een agrarisch bedrijf wordt blijkens artikel 1, onder q, van de planvoorschriften verstaan: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

In een biomassavergistingsinstallatie worden in het algemeen in hoofdzaak mest en co-producten vergist teneinde duurzame energie op te wekken en vergiste biomassa te produceren. Dit is ook het geval met de installatie die de vergunninghouder beoogt op te richten.

De rechtbank is, anders dan verweerder op basis van de door Infomil opgestelde Handreiking co-vergisting van mest stelt, van oordeel dat er in casu geen sprake is van een installatie die valt onder het begrip agrarisch bedrijf, zoals gedefinieerd in artikel 1, onder q, van de planvoorschrifen.

Naar het oordeel van de rechtbank moet er, teneinde onder de omschrijving “agrarisch bedrijf” te vallen als bedoeld in het bestemmingsplan Buitengebied Dalen, sprake zijn van het voortbrengen van een agrarisch product. Het opwekken van energie valt hier niet onder. Het vergisten van biomassa kan in het onderhavige geval dan ook niet als een agrarische activiteit worden aangemerkt.

Voorts is, blijkens de processtukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, het opwekken van energie in casu niet van zodanig ondergeschikte betekenis, dat deze activiteit geacht moet worden te zijn opgegaan in de agrarische activiteit. Ter zitting heeft de vergunninghouder aangegeven dat de productie voor 40% uit stroom bestaat en dat de rest verwarming is. Het opwekken van energie is onder deze omstandigheden niet van ondergeschikte betekenis in vorenbedoelde zin.

De rechtbank baseert zich bij haar oordeel op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 22 augustus 2007, nr. 200609161, die betrekking had op een zaak omtrent een biomassavergistingsinstallatie op een perceel met de bestemming agrarisch bedrijf, waarbij de definitie van het begrip agrarisch bedrijf in essentie gelijkluidend is aan de definitie in het bestemmingsplan “Buitengebied Dalen”.

Nu het bouwplan om bovengenoemde reden in strijd is met het bestemmingsplan en de verleende binnenplanse vrijstelling niet ziet op de opheffing van de strijd van het bouwplan met het bestemmingsplan op dit punt, is de verlening van de bouwvergunning in strijd met het bepaalde in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet.

Gelet op het bovenstaande is het beroep gegrond. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft derhalve geen bespreking. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 44, eerste lid, van deWoningwet.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat aanleiding.

III. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder opnieuw beslist met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,- en bepaalt dat de gemeente Coevorden deze kosten, alsmede het door eiser betaalde griffierecht ad € 143,- aan eiser dient te vergoeden.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA 's-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

Aldus gegeven door mr. J.L. Boxum, voorzitter en uitgesproken in het

openbaar op 21 maart 2008

door mr. J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van mr. H.K. Naves, griffier.

mr. H.K. Naves mr. J.L. Boxum

Afschrift verzonden op: