Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BD3294

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
28-03-2008
Datum publicatie
05-06-2008
Zaaknummer
AWB 07/351 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In deze uitspraak is de vraag aan de orde of verlening van terugwerkende kracht aan de hogere waardering van de functie, in dit geval tot 1 juni 2000, ook betekent dat de ambtenaar, die na 1 juni 2000 de functie heeft vervuld, in die hogere schaal dient te worden ingedeeld voor de periode dat hij die functie vervulde. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 07/351 AW

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken d.d. 28 maart 2008

in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

De Korpsbeheerder der regiopolitie Drenthe, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2007 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 28 augustus 2006 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende dat eiser (slechts) financieel wordt gecompenseerd over de periode van 1 februari 2002 tot 1 maart 2005 in verband met het vervullen van de (geherwaardeerde) functie van executief medewerker Asiel.

Eiser heeft bij brief van 22 april 2007 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 15 mei 2007 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden, later gevolgd door een verweerschrift bij brief van 20 juni 2007. Eiser heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het beroep is, gevoegd met de zaken onder nummer 07/363, 07/367, 07/368, 07/369 en 07/753, behandeld ter zitting van de rechtbank op 18 februari 2008, alwaar eiser in persoon is verschenen.

Verweerder heeft zich doen laten vertegenwoordigen door de gemachtigde mr. B. Benedick.

II. Motivering

Feiten en omstandigheden

Bij haar oordeelsvorming betrekt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden.

Eiser is gedurende de periode van 1 februari 2002 tot 1 maart 2005 werkzaam geweest in de functie van executief medewerker Asiel. Deze functie was destijds gewaardeerd in schaal 7. Op grond van een aanvullend functiewaarderingsonderzoek is deze functie medio 2005 met terugwerkende kracht tot 1 juni 2000 gewaardeerd in schaal 8. Het gevolg hiervan is geweest, zo stelt verweerder, dat de medewerkers, die thans nog in deze functie werkzaam zijn, met terugwerkende kracht per 1 december 2005 zijn bevorderd in schaal 8. Tevens zijn deze medewerkers financieel gecompenseerd voor het verschil tussen schaal 7 en 8 vanaf de peildatum 1 juni 2000 tot aan de bevorderingsdatum.

Eiser heeft verweerder bij brief van 20 oktober 2005 in het kader van de herwaardering van de voornoemde functie verzocht om in dezelfde rechtspositie te worden gebracht als de medewerkers, die destijds werkzaam waren in deze functie en die nog steeds werkzaam zijn bij de Vreemdelingendienst.

Naar aanleiding van het voornoemde verzoek heeft verweerder aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om hem financieel te compenseren (verschil schaal 7 – schaal 8) over de periode 1 februari 2002 tot 1 maart 2005. Voorts is eiser bij voornoemde brief in de gelegenheid gesteld om zijn bedenkingen met betrekking tot dit voornemen kenbaar te maken.

Eiser heeft bij brief van 8 maart 2006 bedenkingen bij verweerder ingediend.

Bij primair besluit van 28 augustus 2006 heeft verweerder besloten om uitvoering te geven aan het voornemen om aan eiser een financiële compensatie toe te kennen over de periode van 1 februari 2002 tot 1 maart 2005 ter hoogte van het verschil tussen schaal 7 en 8 conform bijlage I bij het Besluit bezoldiging politie. Het betreft in totaal een bedrag van

€ 5.157,36 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Eiser heeft bij brief van 5 oktober 2006 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Eiser is in de gelegenheid gesteld het bezwaarschrift mondeling toe te lichten bij de Interregionale Advies Commissie voor de Bezwaarschriften Politieregio’s Friesland, Groningen en Drenthe (hierna: de Commissie), van welke gelegenheid door hem op 30 januari 2007 gebruik is gemaakt. Een verslag van de hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

De Commissie heeft verweerder bij brief van 30 januari 2007 geadviseerd het bezwaarschrift van eiser ongegrond te verklaren.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder, onder ongegrondverklaring van het bezwaarschrift van eiser, het primaire besluit gehandhaafd.

Standpunten partijen

Eiser stelt zich op het standpunt dat de zittende executief medewerkers naar aanleiding van het functiewaarderingsonderzoek naar schaal 8 bevorderd zijn. Dit naar aanleiding van een procedure bij de voornoemde Commissie. Zijn schriftelijk verzoek in oktober 2005 om zijn verzoek in diezelfde procedure mee te nemen is niet gehonoreerd.

Eiser wijst er voorts op dat degenen, die tussentijds voor een andere functie bij de Politie Drenthe hebben gekozen slechts een compensatie krijgen voor de tijd, dat zij daadwerkelijk werkzaam zijn geweest als executief medewerker asiel. Eiser is van mening dat het bevreemding wekt dat hij niet met terugwerkende kracht bevorderd wordt naar schaal 8, maar slechts gecompenseerd wordt over de periode dat hij dit werk heeft gedaan. Naar de mening van eiser is er dan ook sprake van rechtsongelijkheid.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat artikel 6, vijfde lid, van het Bbp niet van toepassing is. Uit het tweede lid en het vijfde lid van artikel 6 van het Bbp blijkt dat het in die bepaling gaat om de functie van de ambtenaar en om de voor de ambtenaar geldende salarisschaal. Eiser is geen functiehouder (meer) van de functie executief medewerker asiel. De geldende salarisschaal van eiser is de salarisschaal, die gekoppeld is aan de huidige door hem uitgevoerde functie.

Verweerder is voorts van mening dat de stelling van eiser dat in het onderhavige geval niet kon worden volstaan met een louter financiële compensatie niet kan worden gedeeld. Onder verwijzing naar een aantal uitspraken van de Centrale Raad van Beroep, waarnaar wordt verwezen in de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 juli 2000, gepubliceerd in TAR 2000/126, stelt verweerder zich op het standpunt dat er geen sprake kan zijn van terugwerkende kracht en dat eiser om die reden geen rechten kan doen laten gelden op de hogere waardering van een functie, die hij ooit enige tijd heeft vervuld. Daarnaast was het destijds de vrije keuze van eiser om een andere functie te gaan vervullen. Desondanks heeft verweerder gemeend uit coulance eiser financieel te moeten compenseren.

Toepasselijke regelgeving

Artikel 6 van het Bbp luidt als volgt:

“1. Voor de ambtenaar geldt een salarisschaal.

2. Voor de bepaling van de salarisschaal wordt de functie van de ambtenaar gewaardeerd en ingedeeld op grond van een bij regeling van Onze Minister vast te stellen systeem van functiewaardering.

3. Indien nog geen sprake is van volledige functievervulling, geldt voor de ambtenaar voor de duur van een jaar een lagere salarisschaal dan voor hem op grond van het tweede lid zou gelden. Het bevoegd gezag kan beslissen om de periode van een jaar tot twee jaar te verlengen.

4. Indien de ambtenaar bij wijze van waarneming tijdelijk een andere functie uitoefent, blijft de voordien voor de ambtenaar geldende salarisschaal van toepassing.

5. Anders dan bij wijze van disciplinaire straf op grond van hoofdstuk IX van het Besluit algemene rechtspositie politie, kan zonder voorafgaand ontslag, niet zijnde een ontslag dat de ambtenaar is verleend om een initiële opleiding te gaan volgen, voor een ambtenaar geen salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris dan dat van de reeds voor de ambtenaar geldende salarisschaal.

6. Het vijfde lid is niet van toepassing indien:

a. bij de bepaling van de salarisschaal, bedoeld in het tweede lid, tevens is bepaald dat de functie van de ambtenaar een tijdelijk karakter heeft en de salarisschaal in verband daarmee slechts tijdelijk zal gelden;

b. indien de ambtenaar in verband met ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte wordt herplaatst in een andere functie;

c. het salaris van de ambtenaar na het succesvol afronden van de opleiding wordt vastgesteld, met toepassing van artikel 3, vierde lid;

d. indien de ambtenaar, die is aangewezen als herplaatsingkandidaat als bedoeld in hoofdstuk VII.B van het Besluit algemene rechtspositie politie, wordt herplaatst in een andere functie.

7. De lagere salarisschaal op grond van het zesde lid, onderdeel d, gaat niet eerder voor de ambtenaar gelden dan vijf jaar nadat hij is herplaatst. Afhankelijk van het aantal dienstjaren van de ambtenaar wordt de termijn van vijf jaar verlengd overeenkomstig de hierna volgende tabel:

-------------------------------------------------------------------------------

dienstjaren: verlenging:

25 of meer dienstjaren één jaar

30 of meer dienstjaren twee jaren

35 of meer dienstjaren drie jaren

40 of meer dienstjaren vier jaren

8. De ambtenaar kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om, indien de feitelijk opgedragen werkzaamheden gedurende langere tijd wezenlijk afwijken van zijn functie, de werkzaamheden en de functie met elkaar in overeenstemming te brengen. Het bevoegd gezag stelt regels vast over de behandeling van deze aanvraag.

9. Voor de ambtenaar die in het kader van een detachering, bedoeld in artikel 62 van het Besluit algemene rechtspositie politie, tijdelijk een andere functie uitoefent waaraan op grond van artikel 6, tweede lid, een hogere salarisschaal is verbonden, geldt deze hogere salarisschaal, tenzij artikel 17b van toepassing is.”

Beoordeling

Met betrekking tot de omvang van het geding overweegt de rechtbank als volgt. In het primaire besluit van 28 augustus 2006 was niet de vraag aan de orde in welke salarisschaal eiser moet worden ingedeeld vanaf het moment dat hij een andere functie dan de functie van executief medewerker asiel ging vervullen, zodat die vraag ook thans buiten de omvang van het geding valt.

In dit geding ligt de vraag voor of de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van verweerder om niet over te gaan tot plaatsing met terugwerkende kracht van eiser in salarisschaal 8 in plaats van schaal 7 gedurende de periode dat hij de functie executief medewerker asiel vervulde, de toetsing in rechte kan doorstaan. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank is in de eerste plaats van oordeel dat de uitspraken van de Centrale Raad, zoals weergegeven in de door verweerder genoemde uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 juli 2000, TAR 2000, 126, voor de beoordeling van het onderhavige geschil niet bepalend zijn. In die uitspraken is geoordeeld dat er in de betreffende gevallen geen verplichting voor het bestuursorgaan bestond om aan de verhoging van de waardering van een bestaande functie zoveel terugkomende kracht te verlenen als door eisers was bepleit. In casu evenwel is het reeds een gegeven dat de functie van executief medewerker asiel medio 2005 met terugwerkende kracht tot 1 juni 2000 is gewaardeerd in schaal 8.

Thans is de vraag aan de orde of de verlening van terugwerkende kracht aan de hogere waardering van de functie tot aan 1 juni 2000 vervolgens ook betekent dat de ambtenaar, die na 1 juni 2000 de functie heeft vervuld, in die hogere schaal dient te worden ingedeeld voor de periode dat hij die functie vervulde.

De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank moet het bepaalde in artikel 6, de leden 2 tot en met 4, van het Bbp, zo worden begrepen, dat op grond van het tweede lid als hoofdregel geldt dat de ambtenaar recht heeft op indeling in een salarisschaal die overeenkomt met de schaal van de uitgeoefende functie. In het derde en vierde lid van artikel 6 Bbp zijn vervolgens de (zich in casu niet voordoende) situaties genoemd waarin voor de ambtenaar een lagere schaal kan gelden. Voor het overige geeft de wet geen bevoegdheid om degene die een functie vervult in een lagere schaal in te delen dan in de bij die functie behorende schaal.

Uit dit in artikel 6 van het Bbp neergelegde stelsel vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat, indien de functie met terugwerkende kracht hoger wordt gewaardeerd, ook geldt dat degene die de functie heeft vervuld, met terugwerkende kracht recht heeft op inschaling in de hogere, bij de functie behorende, schaal. Artikel 6 van het Bpb bevat immers geen uitzondering op de hoofdregel van het tweede lid voor de situatie waarin de functie met terugwerkende kracht hoger wordt gewaardeerd.

De omstandigheid dat verweerder het ten tijde van de aanstelling bij de beoordeling of iemand geschikt was voor deze functie nog van belang achtte of betrokkene voldeed aan de eisen voor een functie op het niveau van schaal 7 in plaats van schaal 8, kan aan het bovenstaande niet afdoen.

Ook de omstandigheid dat eiser geen functiehouder meer was ten tijde van het besluit om de functie met terugwerkende kracht hoger te waarderen kan aan het bovenstaande niet afdoen. Bepalend is dat hij de functie vervulde in de periode dat – zij het eerst met terugwerkende kracht – die functie was gewaardeerd in schaal 8. Niet is bepalend het moment waarop het besluit omtrent de waardering van de functie in schaal 8 is genomen.

Uit het bovenstaande volgt dat het beroep gegrond zal worden verklaard. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 6 Bbp.

III. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder opnieuw dient te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,- in verband met verleende rechtsbijstand en bepaalt dat de politieregio Drenthe deze kosten, alsmede het door eiser betaalde griffierecht ad €143,- aan hem vergoedt.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002 te 3500 DA Utrecht binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.L. Boxum, voorzitter en uitgesproken in het

openbaar op 28 maart 2008

door mr. J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van mr. H.K. Naves, griffier.

Mr. H.K. Naves mr. J.L. Boxum

Afschrift verzonden op: