Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BD1684

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
19/830177-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is na een woordenwisseling met [getuige 2] naar huis gegaan en heeft uit woede besloten terug te keren naar de woning waar [getuige 2] zich bevond om hem aan te spreken over diens uitlatingen jegens verdachte. Verdachte heeft daarbij een klauwhamer meegenomen. Nadat de eigenaar van de woning, het slachtoffer [slachtoffer], verdachte heeft aangesproken om weg te gaan, heeft verdachte hem met een hamer tegen het hoofd geslagen. Verdachte heeft door terug te keren naar de woning alwaar [getuige 2] en [slachtoffer] zich bevonden zelf de confrontatie opgezocht. Uit de verklaringen van [slachtoffer] en de andere getuigen, zoals die zich in het dossier bevinden, is tevens niet gebleken dat er voor verdachte sprake was van een dermate dreigende situatie dat er in juridische zin sprake was van een noodweersituatie. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830177-07

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 01 april 2008 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

wonende [adres] .

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 18 maart 2008.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij op of omstreeks 8 juni 2007, te Hoogeveen, althans in de gemeente

Hoogeveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven

te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg die

[slachtoffer] met een (klauw)hamer, althans een zwaar en/of hard voorwerp, tegen het

hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet

is voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht /

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

terzake dat

hij op of omstreeks 8 juni 2007, te Hoogeveen, althans in de gemeente

Hoogeveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan

[slachtoffer], opzettelijk en/of met voorbedachten rade zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet en/of na kalm beraad en rustig overleg

met een hamer, althans een zwaar en/of hard voorwerp, op/tegen het hoofd van

die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht/

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

De verdachte dient van de primair impliciet alternatief tenlastegelegde poging tot moord te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht -evenals de officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte- met name niet bewezen, dat verdachte met voorbedachten rade, na kalm beraad en rustig overleg het slachtoffer [slachtoffer] met een hamer tegen het hoofd heeft geslagen.

Bewijs

Bewijsmiddelen

De rechtbank acht de volgende bewijsmiddelen van belang, van welke bewijsmiddelen de strekking zakelijk is weergegeven:

De aangifte van [slachtoffer] d.d. 15 juni 2007 (pagina 11 van het proces-verbaal met dossiernummer: PL033L/07-104196):

Uit de aangifte blijkt dat aangever op vrijdag 8 juni 2007 met een aantal vrienden in zijn voortuin zat. Op een gegeven moment liep een hem onbekende man zijn tuin in en schreeuwde wat naar een vriend die aanwezig was. De man liep weg en keerde gelijk weer terug en gaf aangever een klap tegen de linkerkant van zijn hoofd ter hoogte van zijn slaap. Aangever is hierdoor bewusteloos geraakt. Op maandagmorgen is door de huisarts een hersenschudding geconstateerd. Aangever heeft 15 dagen niet kunnen werken.

Uit het door huisarts [huisarts] ingevulde aanvraagformulier medische gegevens d.d. 22 juni 2007 (pagina 12 van eerder genoemd proces-verbaal) blijkt dat bij aangever [slachtoffer] sprake was van uitwendig waargenomen letsel, te weten, "aan linker oorlel klein sneetje. Blauwe plek waarneembaar. Is kort (enkele tellen) buiten bewustzijn geweest. Tot enkele dagen wat moe passend bij een lichte hersenschudding."

De verklaring van getuige [getuige 1] d.d. 26 juni 2007 (pagina14 van eerder genoemd proces-verbaal) waaruit blijkt dat zij heeft gezien dat aangever van een haar onbekende man een klap tegen de linkerkant van zijn hoofd kreeg. Deze onbekende man had toen hij aan kwam lopen zijn handen achter zijn rug en de getuige heeft gezien dat hij achter zijn rug een hamer vasthield.

De verklaring van getuige [getuige 2] d.d. 30 juni 2007 (pagina 13 van eerder genoemd proces-verbaal) waaruit blijkt dat hij heeft gezien dat verdachte met opzet met de hamer op het hoofd van aangever sloeg.

De verklaring van verdachte d.d. 12 juli 2007 (pagina 15 van eerder genoemd proces-verbaal):

Tijdens dit verhoor verklaart verdachte dat hij opzettelijk in een reflex met de zijkant van een klauwhamer tegen de zijkant van het hoofd van aangever heeft geslagen.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting:

Verdachte verklaart ter terechtzitting dat hij een man met een klauwhamer tegen het hoofd heeft "gemaaid". Verdachte zegt ook te weten dat als je iemand met een hamer tegen het hoofd slaat dat dat dodelijk kan zijn.

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw van verdachte heeft onder meer als haar uitdrukkelijk standpunt aangevoerd dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op de dood van het slachtoffer, zodat de poging tot doodslag niet kan worden bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat met een hamer ook iemand licht kan worden verwond, als er met geringe kracht wordt geslagen, hetgeen in casu het geval is geweest blijkens het bij het slachtoffer geconstateerde geringe letsel.

De rechtbank kan zich niet met dit standpunt verenigen. Verdachte heeft door het slaan met een klauwhamer tegen de zijkant van het hoofd van slachtoffer [slachtoffer] zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer daardoor zou komen te overlijden. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij met een klauwhamer heeft "gemaaid" naar het slachtoffer die een kop groter was dan verdachte en daarbij het hoofd van het slachtoffer heeft geraakt. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij weet dat het slaan met een hamer tegen het hoofd van een persoon dodelijk kan zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de handelwijze van verdachte opzet in de zin van voorwaardelijk opzet op de dood heeft opgeleverd en zal daarom de primair impliciet alternatief tenlastegelegde poging tot doodslag bewezen verklaren.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte de primair tenlastegelegde poging tot doodslag heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 8 juni 2007 te Hoogeveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een klauwhamer tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring.

De verdachte zal van het primair meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag,

strafbaar gesteld bij artikel 287 in verbinding met artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Verweren met betrekking tot strafuitsluitingsgronden

De raadsvrouw van verdachte heeft een beroep gedaan op noodweer. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte verbaal onrechtmatig is bejegend door [getuige 2] en dat verdachte [getuige 2] hiermee wou confronteren. Verdachte keerde daarop terug naar de woning waar [getuige 2] zich bevond. Verdachte werd vervolgens fysiek bejegend door de ook bij die woning aanwezige [slachtoffer], bestaande uit het toelopen op verdachte. Verdachte voelde zich bedreigd en heeft, omdat hij zwakker is dan de anderen en zich niet zo snel uit voeten kan maken en zich niet werkelijk kan verdedigen met de handen, een middelmatige klap met de hamer tegen het hoofd van [slachtoffer] gegeven als gerechtvaardigde verdediging van zijn eigen lijf. Verdachte dient volgens de raadsvrouw dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank kan zich niet met het standpunt van de raadsvrouw van verdachte verenigen. Verdachte is na een woordenwisseling met [getuige 2] naar huis gegaan en heeft uit woede besloten terug te keren naar de woning waar [getuige 2] zich bevond om hem aan te spreken over diens uitlatingen jegens verdachte. Verdachte heeft daarbij een klauwhamer meegenomen. Nadat de eigenaar van de woning, het slachtoffer [slachtoffer], verdachte heeft aangesproken om weg te gaan, heeft verdachte hem met een hamer tegen het hoofd geslagen. Verdachte heeft door terug te keren naar de woning alwaar [getuige 2] en [slachtoffer] zich bevonden zelf de confrontatie opgezocht. Uit de verklaringen van [slachtoffer] en de andere getuigen, zoals die zich in het dossier bevinden, is tevens niet gebleken dat er voor verdachte sprake was van een dermate dreigende situatie dat er in juridische zin sprake was van een noodweersituatie. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweer.

Strafbaarheid

De rechtbank heeft kennis genomen van een psychologisch rapport d.d. 18 december 2007, opgemaakt door drs. M. Verzendaal, GZ-psycholoog.

Dit rapport houdt onder meer in als conclusie - zakelijk weergegeven -:

" Bij verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. In diagnostische zin te omschrijven als een gemengde persoonlijkheidsstoornis met vooral borderline, antisociale en narcistische kenmerken. De persoonlijkheidsproblematiek is structureel en chronisch. Derhalve is aannemelijk te veronderstellen dat verdachte deze persoonlijkheidsproblematiek ook had ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde feit. Verdachte wordt licht verminderd toerekeningsvatbaar geacht".

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van de feiten en de persoon van de verdachte, met voormelde conclusie en maakt die tot de hare.

De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde aan de verdachte kan worden toegerekend, zij het in lichtverminderde mate.

Strafmotivering

De rechtbank houdt bij de bepaling van de op te leggen straffen rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, met de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, met hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte en met de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 01 februari 2008, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van misdrijven is veroordeeld.

De rechtbank houdt voorts rekening met de eis van de officier van justitie, mr. S. Kromdijk. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, ter zake van poging tot doodslag, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht mede inhoudende een behandeling bij het AFPN.

De raadsvrouw van de verdachte heeft gepleit voor een voorwaardelijke straf, eventueel aangevuld met een werkstraf, waarbij een behandeling van verdachte gewenst is.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, waarbij het bij het slachtoffer geconstateerde letsel relatief gezien mee viel, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een langdurige voorwaardelijke gevangenisstraf geboden is. De rechtbank zal aan deze straf de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht mede inhoudende een behandeling bij de AFPN verbinden, teneinde de recidivekans in de toekomst te beperken. Tevens dient verdachte het wettelijk maximaal aantal uren werkstraf te verrichten.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het primair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot

- gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt,

of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Assen, zolang deze instelling zulks nodig oordeelt, hetgeen mede een ambulante behandeling bij de AFPN inhoudt, met opdracht aan de reclasseringsinstelling ingevolge art. 14d van het Wetboek van Strafrecht.

- een taakstraf bestaande uit 240 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren arbeid per dag voor de in verzekering doorgebrachte dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Münzebrock, voorzitter en mr. B.I. Klaassens en mr. H.K. Elzinga, rechters in tegenwoordigheid van J. Hoogeveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 01 april 2008, zijnde mr. Elzinga buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.