Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BC9266

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
08-04-2008
Datum publicatie
10-04-2008
Zaaknummer
66549 - KG ZA 08-61
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering strekt tot betaling (achterstallige) termijnen plus (wettelijke) rente. Als verweer is o.m. aangevoerd dat de verplichting kan worden opgeschort, nu eiser zelf in gebreke is gebleven zijn verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomst, te weten levering van vermogensrechten, te voldoen.

Uit tussen partijen gesloten overeenkomst kan worden opgemaakt dat tot levering van vermogensrechten dient te worden overgegaan, als daarvoor vervangende zekerheid is geboden. Voldoende aannemelijk is dat de bereidheid bestaat deze rechten over te dragen, maar dat de vervangende zekerheid niet is geboden.

De hoogte van het gevorderde bedrag wordt, behoudens een mogelijk te verrekenen bedrag, niet betwist. Nu de tegenvordering niet vaststaat is verrekening niet mogelijk. Het gevorderde wordt (behoudens wettelijke rente voor toekomstige termijnen) toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 66549 / KG ZA 08-61

Vonnis in kort geding van 8 april 2008

in de zaak van

[EISER],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. J.J. Reiziger,

advocaat mr. M.J. Ubbens te Groningen,

tegen

[GEDAAGDE],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. P.J.G.G. Sluyter,

advocaat mr. W.C. Bothof te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding 17 maart 2008;

- de mondelinge behandeling 25 maart 2008;

- de pleitnota van [eiser];

- de pleitnota van [gedaagde];

- de overige in het geding gebrachte producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen hebben tot eind 2005 gezamenlijk in een aantal onroerend goedprojecten in Nederland, Thailand, Frankrijk en Spanje geïnvesteerd. Partijen hebben eind 2005 besloten hun samenwerking te beëindigen. Daartoe is tussen partijen op 22 december 2005 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Die strekt er, kort gezegd, toe dat [gedaagde] [eiser] uitkoopt.

2.2. In deze vaststellingsovereenkomst is onder meer bepaald:

“(…)

1.2 Aflossing van de Hoofdsom zal als volgt plaatsvinden:

(…)

- het restant van de Hoofdsom ad € 1.517.751,92 wordt lineair afgelost met ingang van 30 april 2006 en wel als volgt:

- maandelijks wordt op de eerste dag van elke maand, zijnde de eerste termijn verschuldigd per 1 mei 2006, voldaan de somma van € 15.000,00;

- voorts vinden additionele aflossingen plaats naargelang van de verkoop van de 22 vakantiewoningen behorende tot het Project Spanje, Partijen verder genoegzaam bekend en wel als volgt;

- per verkochte woning wordt een additionele aflossing verschuldigd van € 70.000,--, te voldoen op de datum van de juridische overdracht van de betreffende woning.

1.3 [gedaagde] zal over de restant-Hoofdsom een rente vergoeding met ingang van 1 juli 2006 en wel als volgt:

(…)

De rente is verschuldigd telkenjare per 15 december, te voldoen door [gedaagde] op een door [eiser] aan te wijzen bankrekening in Nederland.

1.4. Alle door [gedaagde] aan [eiser] te betalen bedragen op grond van deze Overeenkomst zijn door [gedaagde] verschuldigd zonder dat daarvoor enige aanmaning of ingebrekestelling vereist is, en voorts zonder dat [gedaagde] het recht heeft zich op verrekening te beroepen. (…)

Artikel 3 Verkoopinspanningen [gedaagde] met betrekking tot het Project in Spanje

3.1. [gedaagde] zal zich naar beste vermogen inspannen om de woningen in Spanje als omschreven in de considerans van deze Overeenkomst, zo spoedig mogelijk te verkopen en [eiser] regelmatig op adequate wijze informeren over de ontwikkelingen dienaangaande.

Artikel 6

Overdracht belangen van [eiser] in de Projecten aan [gedaagde], Risico-overgang, Medewerkingsverplichting [eiser]

(…)

6.2. Levering van de Rechten zal plaatsvinden op nader tussen Partijen af te stemmen momenten. Waar [gedaagde] alsdan de Rechten ( woningen Thailand en Frankrijk) verwerft, zal tegelijkertijd daar waar mogelijk [eiser] deze Rechten in pand verkrijgen of bezwaren met hypotheek tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen van [gedaagde] uit hoofde van deze Overeenkomst jegens [eiser]. (…)”

2.3. [gedaagde] en (de raadsman van) [eiser] hebben in de periode na het afsluiten van de vaststellingsovereenkomst tot heden veelvuldig met elkaar gecorrespondeerd over de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst.

2.4. Nadat [gedaagde] achterop was geraakt met het betalen van de maandelijkse aflossingen heeft hij [eiser] op 12 juni 2007 € 100.000,00 betaald. Hij heeft daarmee aan zijn aflossingsverplichtingen voldaan tot 1 november 2007.

2.5. Op 22 mei 2007 heeft [gedaagde] de raadsman van [eiser] het volgende mailbericht toegezonden:

(…) “Hierbij deel ik je mede dat ik [eiser] officieel in gebreke stel en in verzuim stel inzake het niet leveren van de aandelen Dreamspots bv alsmede de woning in val cenis in 6rankrijk

Over dit onderwerp heb ik reeds vele malen aangegeven niet akkoord e gaan met deze handelswijze. (…)”

2.6. [eiser] heeft ter verzekering van zijn vordering bij verzoekschriften van respectievelijk 25 en 28 februari 2008 verzocht ten laste van [gedaagde] conservatoir verhaalsbeslag op een aantal onroerende zaken, alsmede conservatoir beslag onder derden te mogen leggen. Deze verzoeken zijn door de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen respectievelijk de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam toegestaan.

2.7. [gedaagde] heeft in februari 2008 een termijn van € 15.000,00 aan [eiser] voldaan.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal worden veroordeeld:

a. om aan [eiser] het verschuldigde bedrag ad € 90.925,18 (zijnde de achterstallige betalingstermijnen tot en met 1 maart 2008 en de rente over 2007 conform art. 1.3. van de vaststellingsovereenkomst), te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW over de bedragen waarvan [gedaagde] in verzuim is en is geweest tot en met 1 maart 2008 ad € 1.591,07, tevens vermeerderd de wettelijke rente ex art. 6:119 BW vanaf 1 maart 2008 tot aan de dag der algehele voldoening over de hoofdsom ad € 90.925,18 en tevens vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten ad € 13.489,49, binnen acht dagen na betekening van dit vonnis, aan [eiser] te voldoen;

b. om maandelijks, met ingang van 1 april 2008, aan [eiser] te voldoen het per de 1e van elke opvolgende maand verschuldigde bedrag ad € 15.000,00, met bepaling dat deze betaling telkenmale uiterlijk op de 1e dag van de betreffende maand dient te hebben plaatsgevonden;

c. om op 15 december 2008 de conform artikel 1.3. van de vaststellingsovereenkomst verschuldigde rente over 2008 aan [eiser] te voldoen;

d. in de kosten van dit geding, waaronder tevens de beslagkosten ad € 1.782,73 en de griffiekosten dienaangaande ad € 198,00 dienen te worden verstaan.

3.2. [eiser] heeft als grondslag van zijn vordering aangevoerd dat [gedaagde] zijn betalingstermijnen niet voldoet en dat [gedaagde] in verzuim is geraakt.

[eiser] betwist dat Beetink hem ingebreke heeft gesteld en wijst er bovendien op dat, nu [gedaagde] zelf in verzuim verkeert, hij hoe dan ook [eiser] niet in verzuim kan brengen. In tegenstelling tot [gedaagde] is [eiser] van mening dat hij eerst verplicht is tot levering van rechten ,als bedoeld in de vaststellingsovereenkomst, als door [gedaagde] vervangende zekerheid is verstrekt.

3.3. [gedaagde] heeft als verweer aangevoerd dat hij zich kan beroepen op het opschortingsrecht omdat [eiser], ondanks herhaald verzoek daartoe, niet heeft meegewerkt aan de levering van de aandelen en niet heeft meegewerkt aan het overzetten van de eigendom van de woningen in Thailand. [gedaagde] voert voorts aan dat [eiser], zelfs na door hem in mei 2007 verzonden ingebrekestelling, niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan. [gedaagde] betwist dat hij in november 2007 in verzuim was, omdat hij, het door [eiser] te betalen deel van een boedelbijdrage ad € 25.000,00, in het kader van een schikking aan de curator heeft voldaan. Hij stelt dat bedrag te kunnen verrekenen.

4. De beoordeling

4.1. In dit kort geding ligt ter beoordeling voor of [gedaagde] met [eiser] overeengekomen maandelijkse termijnen dient te voldoen. Daarmee samenhangt de vraag of [eiser] in gebreke is gebleven aan zijn verplichtingen uit de vaststellings-overeenkomst, en meer in het bijzonder artikel 6.2 van deze overeenkomst, te voldoen.

4.2. Vastgesteld kan worden dat [gedaagde] niet betwist dat er inmiddels een betalingsachterstand is opgetreden.

4.3. De voorzieningenrechter begrijpt het verweer van [gedaagde] aldus, dat [gedaagde] bevoegd is zijn verplichtingen voortvloeiende uit de tussen partijen gesloten overeenkomst op te schorten, nu [eiser] zelf in gebreke is gebleven zijn verplichtingen na te komen, zijnde de levering van vermogensrechten aan [gedaagde]. [eiser] heeft dat betwist en er daarbij op gewezen dat door [gedaagde] in verband met de overdracht van de vermogensrechten geen zekerheid is gesteld of is aangeboden dat te doen, terwijl dat blijkens art. 6.2 van de overeenkomst uitdrukkelijk was overeengekomen.

4.4. Uit die bepaling kan worden opgemaakt dat [gedaagde] eerst recht heeft op levering van de overeenkomst bedoelde vermogensrechten indien door [gedaagde] tegelijkertijd vervangende zekerheden voor [eiser] worden verstrekt. [eiser] heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter, geadstrueerd met brieven, voldoende aannemelijk gemaakt dat hij bereid is de door [gedaagde] bedoelde vermogensrechten over te dragen, mits daarvoor zekerheid wordt gesteld. [eiser] heeft evenwel, onder verwijzing naar de overgelegde correspondentie, gemotiveerd betwist dat door [gedaagde] dergelijke zekerheid is aangeboden. Nu [gedaagde] die stellingname niet heeft betwist, moet zijn standpunt dat [eiser] in verzuim verkeert worden verworpen.

4.5. Behoudens een bedrag ad € 25.000,00, in verband met genoemde boedelbijdrage, dat hij wil verrekenen, heeft [gedaagde] de hoogte van het door [eiser] gevorderde bedrag niet betwist.

Het beroep op verrekening moet worden verworpen. [eiser] heeft, onder verwijzing naar de overgelegde correspondentie, gemotiveerd betwist dat hij genoemd bedrag aan [gedaagde] verschuldigd is. Aldus staat de tegenvordering niet vast en is derhalve niet voor verrekening vatbaar.

4.7. Er bestaat, gezien het bovenstaande aanleiding, het door [eiser] gevorderde toe te wijzen, met dien verstande dat de gevorderde wettelijke rente over de toekomstige termijnen in het kader van dit kort geding niet zullen worden toegewezen, nu thans niet vaststaat dat [gedaagde] de alsdan verschuldigde maandelijkse termijnen niet zal voldoen. De gevorderde buitengerechtelijke kosten, alsmede de gevorderde beslagkosten zullen, nu zij niet zijn betwist, worden toegewezen.

4.8. [gedaagde] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 85,44

- vast recht € 254,00

- overige kosten € 4,54

- beslagkosten (incl. kosten) € 1.980,73

- salaris procureur € 816,00

Totaal € 3.140,71

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] het verschuldigde bedrag ad

€ 90.925,18 (zijnde de achterstallige betalingstermijnen tot en met 1 maart 2008 en de rente over 2007 conform art. 1.3. van de vaststellings-overeenkomst) te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW over de bedragen waarvan [gedaagde] in verzuim is en is geweest tot en met 1 maart 2008 ad € 1.591,07 en tevens vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten ad € 13.489,49, binnen acht dagen na betekening van dit vonnis;

2. veroordeelt [gedaagde] om maandelijks, met ingang van 1 april 2008, aan [eiser] te voldoen het per de 1e van elke opvolgende maand verschuldigde bedrag ad € 15.000,00, met bepaling dat deze betaling telkenmale uiterlijk op de 1e dag van de betreffende maand dient te hebben plaatsgevonden;

3. veroordeelt [gedaagde] om op 15 december 2008 de conform artikel 1.3. van de vaststellingsovereenkomst verschuldigde rente over 2008 aan [eiser] te voldoen;

4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 3.140,71, de kosten van het beslag daaronder begrepen;

5. verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Duinkerken en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. Wijmenga op 8 april 2008.