Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BC8349

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
02-04-2008
Zaaknummer
63195 - HA ZA 07-494
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vernietiging arbitraal vonnis?

In deze zaak wordt de vernietiging gevorderd van een gewezen arbitraal vonnis, waarbij een maatschapscontract is beëindigd, met bepaling dat een van de maten de activiteiten zal voorzetten en aan de ander een uitkoopsom zal betalen.

Gesteld wordt dat:

1. het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden,

2. het (dictum van het) arbitraal vonnis niet met redenen is omkleed,

3. het vonnis en de wijze waarop dat tot stand kwam in strijd met de openbare orde of goede zeden is.

In artikel 1065 Rv zijn de vernietigingsgronden opgenomen. De rechtbank overweegt dat de rechter bij haar beoordeling terughoudendheid moet betrachten, in die zin dat de vernietigingsprocedure niet kan worden benut als een vorm van verkapt hoger beroep. Een inhoudelijke toetsing is in beginsel niet aan de orde. De burgerlijke rechter dient slechts in sprekende gevallen in te grijpen (zie onder meer Hoge Raad 9 januari 2004 NJ 2005/190). Voor wat betreft de grond, dat het vonnis niet met redenen is omkleed, geldt tevens dat een arbitraal vonnis slechts kan worden vernietigd indien een motivering ontbreekt en niet in gevallen van ondeugdelijke motivering. Weliswaar wordt met het ontbreken van een motivering op één lijn gesteld het geval dat een motivering is gegeven, maar waarin enige steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing niet te onderkennen valt, zoals door eiser is aangegeven. Echter, zoals in een onlangs gepubliceerd arrest van de Hoge Raad expliciet nader is gepreciseerd (22 december 2006, NJ 2008/4) moet de rechter ook dat criterium met de nodige terughoudendheid toepassen: vernietiging is alleen dan aan de orde als een arbitraal vonnis zo gebrekkig is gemotiveerd dat het met een geheel ongemotiveerd vonnis op één lijn moet worden gesteld.

In het onderhavige geschil kan hetgeen is aangevoerd niet tot vernietiging leiden. De arbiters hebben zich aan hun opdracht gehouden en niet gezegd kan worden dat hun vonnis niet met redenen is omkleed. Waar de stellingen van eiser er op neerkomen dat hij zich niet met de beslissing van de arbiters kan verenigen, geldt dat de onderhavige procedure niet de strekking van een hoger beroep heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 251

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 63195 / HA ZA 07-494

Vonnis van 2 april 2008

in de zaak van

[EISER],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. R.P. van Boven,

tegen

[GEDAAGDE],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. C.H. Schuth.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 14 november 2007, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd;

- het proces-verbaal van comparitie van 20 februari 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd betwist en/of op grond van de niet of onvoldoende weersproken inhoud van overgelegde producties, staat in dit geding het volgende vast:

2.1. Partijen hebben op 18 juni 1997 een maatschapsovereenkomst gesloten, met als doel het in onderlinge samenwerking verhuren en exploiteren van onroerende zaken. Beide partijen hebben in dat kader in privé een perceel grond gekocht. Die aankopen zijn gefinancierd middels één, door partijen gezamenlijk, aangegane hypothecaire geldlening. De daaruit volgende verplichting tot betaling van rente en aflossing werd nagekomen vanuit de maatschap. Daarnaast hebben partijen met gezamenlijke inspanning en op gezamenlijk kosten opstallen op één van de aangekochte percelen opgericht. De exploitatie daarvan vond plaats in de maatschap.

2.2. Partijen hebben op 20 juni 1997 een overeenkomst van geldlening gesloten, inhoudende dat [eiser] een bedrag groot ƒ 23.711,50 van [gedaagde] heeft geleend.

2.3. Het aan [gedaagde] in eigendom toebehorende perceel grond is op 17 februari 1999 verkocht. De verkoopopbrengst is aangewend ter aflossing van de op naam van beide partijen staande, hypothecaire geldlening.

2.4. In het maatschapscontract is onder meer bepaald dat:

- de maatschap is aangegaan voor onbepaalde tijd;

- ieder van de vennoten te allen tijde het recht heeft de maatschap bij aangetekende brief op te zeggen, met in achtneming van een opzegtermijn van drie maanden en slechts tegen het einde van een boekjaar (artikel 2);

- de maatschap eindigt door opzegging overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, alsmede door -onder andere- een daartoe strekkende beslissing, te nemen door arbiters op verzoek van een van de vennoten, indien een vennoot de in deze akte gemaakte bepalingen overtreedt of niet nakomt, dan wel handelt in strijd met de aard of strekking daarvan (artikel 12 C),

- geschillen bij uitsluiting worden beslecht door 3 arbiters, te benoemen door de voorzitter van de Kamer van Koophandel,

- een geschil aanwezig wordt geacht, zodra een van de vennoten dat verklaart,

- de arbiters zelf de procesorde vaststellen, en

- de arbiters zullen rechtspreken als goede mannen en vrouwen naar billijkheid.

2.5. Medio 2005 ontstonden er problemen tussen partijen over de gang van zaken in de maatschap.

2.6. Bij brief van 20 december 2005 heeft [gedaagde] de maatschap per 31 december 2005 aan [eiser] opgezegd.

2.7. Bij brief van 11 april 2006 heeft [gedaagde] een arbitrageprocedure aanhangig gemaakt. Daarbij heeft hij gevraagd om op grond van artikel 12 C van het maatschapscontract te komen tot ontbinding van de maatschap, om reden dat [eiser] de maatschap aanzienlijke schade heeft toegebracht en daarbij de belangen van [gedaagde] in ernstige mate heeft geschaad. Bij brief van 28 juni 2006 heeft hij daarnaast nog herziening van het jaarrapport 2005 gevraagd, een veroordeling van [eiser] tot het onvoorwaardelijk meewerken aan het op naam van [gedaagde] stellen van alle maatschapbezittingen en een kostenveroordeling.

2.8. [eiser] heeft bij memorie van antwoord een tegenvordering ingesteld, inhoudende primair een verklaring voor recht dat de maatschap per 31 december 2005 is beëindigd, dat [eiser] de zaken van de maatschap voortzet én de activa toegedeeld krijgt onder de verplichting de passiva van de maatschap voor zijn rekening te nemen, alsmede om aan [gedaagde] de waarde van zijn aandeel uit te keren. Subsidiair heeft hij gevraagd de maatschap te ontbinden wegens tekortschieten van [gedaagde], met bepaling dat [eiser] de zaken van de maatschap voortzet, de activa krijgt toegedeeld onder de verplichting de passiva voor zijn rekening te nemen en om aan [gedaagde] de waarde van zijn aandeel uit te keren.

2.9. Bij arbitraal vonnis van 26 maart 2007 hebben de arbiters onder meer het volgende overwogen en beslist:

“E. De arbiters overwegen en beslissen naar billijkheid over:

1. de gegrondheid van de beëindiging van de maatschapsovereenkomst dat:

- de wijze van beëindiging van het maatschapscontract door [gedaagde] in de gegeven omstandigheden geen eenzijdige opzegging oplevert van de maatschapsovereenkomst;

- [gedaagde] vanwege de onduidelijkheden die [eiser] heeft geschapen over de betaling van de huurpenningen en de waarborgsom aan de maatschap alsmede de verwerking daarvan in de jaarrekening 2005 voldoende redenen had om de maatschap te mogen beëindigen;

- Deze opzegging weliswaar niet tijdig en bij aangetekend schrijven heeft plaatsgevonden (art. 2 lid 2 en 3), maar dat dit verzuim in de gegeven omstandigheden niet een beroep op een arbitrale beslissing (art. 12 lid c) uitsluit;

- Een contractbeëindiging bij een dergelijke verstoorde werk- en vertrouwensrelatie door arbiters kan worden gebillijkt en daarom per 31-12-2006 wordt uitgesproken.

2. de gevolgen van de beëindiging van de maatschapsovereenkomst dat:

- (…)

- Die redelijke verdeling is gebaseerd op het niet in acht nemen door [gedaagde] van de juiste opzegtermijn en wijze van opzeggen alsmede op de onderlinge bejegening van partijen, die duidt op een zekere mate van wederzijdse schuld aan de ontstane situatie;

- Het derhalve redelijk en billijk is om het voortzettingsbeding te gunnen aan [eiser] en [gedaagde] het recht te geven voor zijn aandeel te worden uitgekocht tegen taxatiewaarde;

- Voor de waardebepaling van de maatschapgoederen moet worden uitgegaan van het economisch eigendom van de grond (…) en van de volle eigendom van de opstallen.

3. de waardebepaling van de maatschapgoederen dat:

- door arbiters een conceptjaarrekening is opgemaakt, waaruit blijkt dat de waarde van de grond en de opstallen vrijwel geheel bepalend zijn voor de kapitaalwaarde van de maatschap en de daarop te baseren uitkoopsom voor [gedaagde];

- daarom alleen de grond en de opstallen zullen worden betrokken bij de waardebepaling;

- [makelaar] op 5-2-2007 de waarde van de grond heeft vastgesteld

(€ 140.000,-), waarvan de boekwaarde van de grond volgens de jaarrekening 2005 (€ 48.250,-) moet worden afgetrokken om uit te komen op de economische waarde van de grond (€ 91.700,-);

- [makelaar] op 5-2-2007 de waarde van de opstallen heeft vastgesteld

(€ 360.000);

- Het aandeel van [gedaagde] in het onroerend goed van de maatschap derhalve bedraagt € 225.850 (= 50% van € 91.700,- + € 360.000,-).

4. de makelaarskeuze en inbreng van [gedaagde] dat:

- de exclusieve keuze voor [makelaar] voortvloeit uit de overeenkomst tussen partijen, zoals overeengekomen op de hoorzitting van 29-11-2006, om één makelaar aan te wijzen;

- (…)

- De taxaties van beide andere makelaars worden gepasseerd, omdat zij eenzijdig door [eiser] zijn aangezocht, zij zijn uitgegaan van een lagere -door [eiser] aangegeven- huuropbrengst en niet blijkt dat [gedaagde] heeft ongestemd met deze -van de overeenkomst afwijkende- opzet;

- De argumenten van [eiser] over de lage inbreng van [gedaagde] in de maatschap (prod. 46) eveneens worden gepasseerd, omdat [gedaagde] in de gegeven omstandigheden niet de keuze had om deelgenoot te worden van de grond, geen acht is geslagen op de economische eigendom van de grond in de maatschap en er geen rekening is gehouden met het fictieve rendement van [gedaagde]’s inbreng over de afgelopen jaren.

5. overige ingebrachte kwesties dat:

- over de schuldbekentenis van ƒ 23.711,50 geen uitspraak zal worden gedaan, aangezien deze overeenkomst is opgemaakt tussen privépersonen en niet de maatschap regardeert;

- over het betalen van de huurpenningen over de maanden april en mei 2005 alsmede het terugstorten van de waarborgsom aan de maatschap geen uitspraak wordt gedaan vanwege onvoldoende gegeven duidelijkheid door partijen en de twijfelachtige getuigenverklaringen;

- andere aangedragen zaken (..) worden gepasseerd omdat ze niet relevant zijn voor deze arbitrage dan wel niet in de vorderingen van partijen zijn opgenomen.

F. Recht doende naar billijkheid beslissen de arbiters voorts, dat:

- het maatschapscontract tussen [eiser] en [gedaagde] wordt beëindigd op

31 december 2006;

- dat uiterlijk binnen twee maanden na wijzing van dit vonnis de betaling door [eiser] aan [gedaagde] plaatsvindt van de uitkoopsom (€ 225.850,-) en dat na die termijn de wettelijke rente verschuldigd is;

- partijen elkaar over en weer volledige kwijting verlenen van vorderingen, die de maatschap betreffen;

- partijen elk voor 50% bijdragen in de kosten van arbitrage (…).”

3. De vordering en het verweer

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. zal vernietigen het tussen [eiser] en [gedaagde] op 26 maart 2007 gewezen arbitraal vonnis;

II. de procedure tussen [eiser] en [gedaagde] zal heropenen en bij vonnis de vorderingen van [gedaagde] af te wijzen en de vorderingen van [eiser] (zoals geciteerd in paragraaf 5 van de dagvaarding) alsnog toe te wijzen;

III. [gedaagde] zal veroordelen aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag ad € 3.486,50, zijnde de door [eiser] betaalde kosten voor de arbiters;

IV. [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. [eiser] baseert zijn vordering op de stelling dat:

1. het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden,

2. het (dictum van het) arbitraal vonnis niet met redenen is omkleed,

3. het vonnis en de wijze waarop dat tot stand kwam in strijd met de openbare orde of goede zeden is.

3.3. [gedaagde] heeft de stellingen van [eiser] gemotiveerd betwist.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. [eiser] vordert vernietiging van het tussen hem en [gedaagde] gewezen arbitraal vonnis. De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 1065 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vernietiging van een arbitraal vonnis slechts kan plaatsvinden indien:

a. een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt;

b. het scheidsgerecht in strijd met de daarvoor geldende regels is samengesteld;

c. het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden;

d. het vonnis niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 1057 is ondertekend of niet met redenen is omkleed;

e. het vonnis, of de wijze waarop dat tot stand kwam in strijd met de openbare orde of de goede zeden is.

Voorts is juist, zoals door [gedaagde] is gesteld en overigens door [eiser] niet is betwist, dat de rechter terughoudendheid moet betrachten, in die zin dat de vernietigingsprocedure niet kan worden benut als een vorm van verkapt hoger beroep. Een inhoudelijke toetsing is in beginsel niet aan de orde. De burgerlijke rechter dient slechts in sprekende gevallen in te grijpen (zie onder meer Hoge Raad 9 januari 2004 NJ 2005/190). Voor wat betreft de grond onder d. hiervoor geldt tevens dat een arbitraal vonnis slechts kan worden vernietigd indien een motivering ontbreekt en niet in gevallen van ondeugdelijke motivering. Weliswaar wordt met het ontbreken van een motivering op één lijn gesteld het geval dat een motivering is gegeven, maar waarin enige steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing niet te onderkennen valt, zoals door [eiser] is aangegeven. Echter, zoals in een onlangs gepubliceerd arrest van de Hoge Raad expliciet nader is gepreciseerd (22 december 2006, NJ 2008/4) moet de rechter ook dat criterium met de nodige terughoudendheid toepassen: vernietiging is alleen dan aan de orde als een arbitraal vonnis zo gebrekkig is gemotiveerd dat het met een geheel ongemotiveerd vonnis op één lijn moet worden gesteld.

4.2. [eiser] heeft zich beroepen op de onder c tot en met e hiervoor weergegeven gronden. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat er zich een vernietigingsgrond voordoet. De rechtbank overweegt het volgende.

4.3. Door [eiser] is gesteld dat de arbiters niet hebben geoordeeld over alle ingestelde vorderingen: zij hebben de primaire vordering van hem in hun vonnis niet genoemd en daarover ook geen beslissing genomen. Ook op zijn subsidiaire vordering is niet beslist. Volstrekt onduidelijk is volgens hem voorts op grond waarvan de maatschap een einde heeft genomen; de opzegging door [gedaagde], dan wel ontbinding. Niet onderzocht is daarnaast de grond waarop [eiser] om ontbinding heeft gevraagd.

[gedaagde] heeft daar tegen aangevoerd dat beide partijen aan de arbiters hebben gevraagd de maatschapsovereenkomst te ontbinden, door één van de partijen de zaken van de maatschap te laten voortzetten en aan de ander de waarde van zijn aandeel uit te laten keren. De arbiters hebben daar een beslissing over genomen. Ook over de andere aangedragen zaken hebben de arbiters zich uitgelaten.

4.4. De rechtbank kan gelet op de bezwaren die door [eiser] in dit verband zijn aangevoerd, als hiervoor vermeld, -met [gedaagde]- niet inzien dat de arbiters zich niet aan hun opdracht zouden hebben gehouden.

Uit zowel de vordering van [gedaagde] als die van [eiser] volgt dat zij wensten dat de maatschap zou worden beëindigd, onder bepaling dat een van hen de zaken van de maatschap zou voortzetten en aan de ander zijn aandeel zou uitkeren. De arbiters hebben daar in hun vonnis ook een beslissing over genomen. Daarbij zijn zij tevens ingegaan op de stellingen van beide partijen, daarop neerkomende dat de ontstane situatie aan de ander valt te verwijten. Voorts is in het vonnis expliciet een aantal overwegingen en een beslissing over de opzegging door [gedaagde] gewijd (onder 1). Dat een en ander niet naar genoegen van [eiser] is geschied, wat betreft resultaat, uitgebreidheid en/of motivering, doet daar niet aan af. Geheel ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat de arbiters zich inderdaad ook over de overige, door [gedaagde] aangedragen zaken, hebben uitgelaten.

Dat de arbiters zich gelet op de bezwaren vermeld onder ro. 4.3 hiervoor, niet aan hun opdracht zouden hebben gehouden, dan wel het vonnis niet met redenen zou zijn omkleed en/of in strijd zou zijn met de openbare orde en goede zeden, kan de rechtbank, gelet op de terughoudendheid die door de rechtbank betracht moet worden, dan ook niet onderschrijven.

4.5. Door [eiser] is voorts gesteld dat de arbiters ten onrechte zijn uitgegaan van de taxatie van [makelaar]. Partijen hebben niet afgesproken dat die taxatie voor hen bindend zou zijn en daarnaast heeft hij die taxatie op deugdelijke gronden betwist en zijn de arbiters ten onrechte niet op die stellingen van hem ingegaan. Daarmee zijn essentiële stellingen onbesproken gelaten.

[gedaagde] heeft daartegenover gesteld dat het de arbiters vrij stond om van het rapport van [makelaar] uit te gaan. Het rapport is opgesteld door een door de arbiters benoemde makelaar conform opdracht, zodat de onafhankelijkheid is gewaarborg. Daarnaast heeft [eiser] zich kunnen uitlaten over dat rapport en heeft hij dat ook gedaan.

4.6. De rechtbank is van oordeel dat ook hetgeen door [eiser] in dit verband is aangevoerd niet tot vernietiging van het vonnis kan leiden. De arbiters hebben in hun vonnis uitgelegd waarom zij gebruik hebben gemaakt van het rapport van [makelaar]. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat een motivering ontbreekt. De rechtbank is voorts van oordeel dat van de gegeven motivering niet kan worden gezegd dat deze zo gebrekkig is dat het met een geheel ongemotiveerd vonnis op één lijn moet worden gesteld.

Uit hetgeen door [eiser] is aangevoerd, volgt ook veeleer dat hij het niet eens is met die betreffende beslissing en de daarvoor gegeven motivering. Echter, dat staat, zoals hiervoor reeds is aangegeven, niet ter toetsing van de rechtbank. Dat sprake is van onbesproken, essentiële stellingen, kan de rechtbank niet inzien. [eiser] baseert zijn, inhoudelijke, bezwaren tegen het rapport van [makelaar] op taxaties van twee andere makelaars. De arbiters hebben echter aangegeven waarom zij die passeren. Overigens merkt de rechtbank op dat de overweging in het vonnis “de exclusieve keuze voor [makelaar] etc” door [eiser] aldus wordt geïnterpreteerd dat de arbiters daarmee zouden hebben overwegen dat dat taxatierapport bindend zou zijn omdat partijen dat zouden hebben afgesproken. De rechtbank kan [eiser] daar echter niet in volgen. Dat wordt daar niet gesteld. De arbiters motiveren enkel waarom zij in het kader van de door hen te nemen beslissing dat rapport tot uitgangspunt nemen. Overigens is door [eiser] niet gesteld dat [makelaar] niet deskundig, dan wel niet onafhankelijk zou zijn.

4.7. [eiser] heeft voorts gesteld dat de arbiters ten onrechte de schuldbekentenis van ƒ 23.711,50 buiten beschouwing hebben gelaten.

Deze was buitenmaatschappelijk, maar is bedoeld om een evenwicht wat betreft inbreng in de maatschap te realiseren en hangt zijns inziens samen met de maatschapsovereenkomst. De arbiters hadden deze volgens hem niet mogen uitsluiten. [gedaagde] betwist ook hier dat sprake is van een vernietigingsgrond.

De rechtbank kan niet inzien hoe het vonnis op dit punt een motivering zou ontberen, dan wel zodanig gebrekkig zou zijn gemotiveerd dat het daarmee op een lijn gesteld zou moeten worden, of in strijd zou zijn met de openbare orde dan wel goede zeden. Daarbij merkt de rechtbank op dat [gedaagde] zelf ook aangeeft dat die lening buitenmaatschappelijk is. De stellingen van [eiser] komen dan ook veeleer hier op neer dat hij zich met de beslissing van de arbiters niet kan verenigen. Echter, nogmaals, de onderhavige procedure heeft niet de strekking van een hoger beroep.

4.8. [eiser] heeft er voorts op gewezen dat de arbiters in het vonnis melding maken van een door hen opgestelde concept jaarrekening en dat hij daarvan geen kennis heeft gekregen. Door [gedaagde] is gesteld dat zulks nog niet met zich meebrengt dat het vonnis vernietigd dient te worden. Naar zijn mening is hier sprake van een herstelbare fout.

De rechtbank overweegt dat gesteld, noch gebleken is dat de conclusie die de arbiters uit dat stuk blijkens hun vonnis hebben getrokken, te weten dat de waarde van de grond en opstallen vrijwel geheel bepalend zijn voor de kapitaalwaarde van de maatschap en de daarop te baseren uitkoopsom voor [gedaagde], onjuist zou zijn. Gesteld, noch gebleken is voorts dat de arbiters bij de bepaling van de waarde van het aan [gedaagde] uit te keren aandeel bepaalde, niet in het vonnis benoemde, posten ten onrechte niet zouden hebben meegenomen. Gelet daarop kan de rechtbank niet inzien dat het vonnis in verband met het ontbreken van het overleggen van die zelf opgestelde jaarrekening, zodanig gebrekkig is gemotiveerd dat gezegd moet worden dat een motivering ontbreekt, noch dat sprake is van strijd met de openbare orde dan wel de goede zeden, en dat het vonnis daarom vernietigd dient te worden.

4.9. Een laatste argument van [eiser] is dat de arbiters er ten onrechte van uit zouden zijn gegaan dat de maatschap de economische eigendom van de grond had. [gedaagde] heeft dat betwist.

De rechtbank is van oordeel dat (ook) deze grond duidelijk treedt in een beslissing die door de arbiters op basis van al hetgeen door partijen aan hen aan informatie is gegeven, is genomen. Met andere woorden: met dit argument bestrijdt [eiser] de juistheid van die beslissing en stelt hij feitelijk hoger beroep in tegen die beslissing. Zoals hiervoor reeds meermalen is overwogen, is het niet aan de burgerlijke rechter de juistheid van die beslissing te beoordelen. Ook dit argument kan dan ook niet tot vernietiging aanleiding gegeven.

4.10. Uit het voorgaande volgt dat hetgeen door [eiser] is aangevoerd niet de door [eiser] gestelde conclusie kan dragen dat de arbiters zich niet aan hun opdracht zouden hebben gehouden, dan wel dat het vonnis niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 1057 Rv. met redenen is omkleed en/of in strijd zou zijn met de openbare orde en goede zeden en dat het arbitrale vonnis gelet daarop dient te worden vernietigd. Dat betekent dat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen.

[eiser] zal voorts als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht € 251,00

- overige kosten 11,34

- salaris procureur 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.166,34.

BESLISSING

De rechtbank

1. wijst de vorderingen af,

2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.166,34,

3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.A.M. Kager en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2008.?