Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BC6037

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
07-03-2008
Datum publicatie
07-03-2008
Zaaknummer
65961
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Keuze van verdachte voor raadsman. Niet schriftelijk gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 65961 / HA RK 08-21

Beschikking van de meervoudige kamer op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 512 e.v. van het Wetboek van Strafvordering van 5 maart 2008

in de zaak van

[VERZOEKSTER],

wonende te Hoogeveen,

verzoekster,

raadsman mr. M. Baijens,

DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van wraking d.d. 28 januari 2008, waaruit blijkt dat verzoekster de politierechter die de strafzaak van verzoekster behandelt, [de rechter], wenst te wraken;

- de schriftelijke reactie van [de rechter], die op 31 januari 2008 ter griffie is ontvangen;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in de wrakingskamer d.d. 20 februari 2008.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Het standpunt van verzoekster

Namens verzoekster heeft haar raadsman ter zitting van de wrakingskamer naar voren gebracht dat de weigering van de politierechter om de raadsman van verdachte als zodanig te laten optreden, kennis van het dossier te nemen, de raadsman ter zitting te negeren en buiten te willen sluiten, inbreuk maakt op de rechten van de verdachte en de onafhankelijkheid en de onbevooroordeeldheid van de rechter raakt. De raadsman had aan de bode laten weten dat hij als raadsman van verzoekster optrad; het via de bode aan de politierechter gedane verzoek het dossier te mogen inzien was echter geweigerd. Bij aanvang van de behandeling van de zaak heeft hij zich als raadsman gesteld. Vervolgens heeft de politierechter aangegeven dat de van overheidswege gefinancierde rechtsbijstand veel geld kost en verzoekster op indringende wijze ondervraagd hoe en op welke wijze de contacten tussen verzoekster en haar raadsman tot stand zijn gekomen en hoe deze verder worden vormgegeven (toegevoegd of gekozen raadsman). De politierechter heeft de raadsman niet in de gelegenheid gesteld hierover iets naar voren te brengen.

2. Het standpunt van [de rechter]

Politierechter [de rechter] heeft voorafgaande aan de zitting van de wrakingskamer schriftelijk zijn standpunt uiteengezet. Dit standpunt komt samengevat op het volgende neer. Voorafgaande aan de behandeling van de zaak van verzoekster, heeft de bode gevraagd of mr. Baijens de dossiers van verzoekster mocht inzien. Omdat hem niet was gebleken dat mr. Baijens optrad als raadsman voor verzoekster, heeft de politierechter dat geweigerd. Toen mr. Baijens zich ter zitting als raadsman stelde, wilde de politierechter in verband met de verdere beslissing over het eventueel aanhouden van de zaak weten of mr. Baijens als gekozen of als toegevoegd raadsman optrad. De politierechter heeft niet berust in de wraking omdat hij niet vermag in te zien dat hij op enigerlei wijze de indruk zou hebben gewekt dat hij niet onbevooroordeeld zou staan tegenover de verdachte of tegenover de zaken die op het moment van wraken nog in het geheel niet inhoudelijk aan de orde waren geweest.

3. Het standpunt van de Officier van Justitie

Bij de behandeling van het wrakingsverzoek heeft de Officier van Justitie zich op het standpunt gesteld geen gerechtvaardigde grond voor wraking van de politierechter te zien omdat hij zich niet heeft uitgelaten over de inhoud van de zaak en uit de vraagstelling over de positie van mr. Baijens niet blijkt van vooringenomenheid van de politierechter.

4. De beoordeling

De wrakingskamer stelt vast dat de raadsman de sfeer op de zitting als vijandig heeft ervaren, hieruit heeft afgeleid dat hij niet als raadsman zou worden toegelaten en vervolgens namens verzoekster het verzoek tot wraking heeft gedaan.

De wrakingskamer overweegt dat aan de raadsman moet worden toegegeven dat de rechter zich terughoudend dient op te stellen ten aanzien van de keuze van een verdachte voor de raadsman en waar het gaat om het contact tussen een raadsman en zijn cliënt, ook als dat een toegevoegde raadsman betreft.

Dit neemt echter niet weg dat, zeker in de situatie als de onderhavige waarin de raadsman zich niet schriftelijk heeft gesteld als raadsman, het aan de behandelend rechter is om de consequenties van dit laat en niet schriftelijk stellen van de raadsman te bezien. In dit licht bezien had de politierechter ook niet reeds op het via de bode gedane verzoek tot het inzien van de dossiers op dat moment al positief hoeven te beslissen. Zoals de politierechter heeft aangegeven, heeft hij het in dit verband noodzakelijk geacht vragen aan verzoekster te stellen over de wijze waarop het contact tussen de verdachte en de advocaat tot stand is gekomen. De politierechter heeft deze interventie kennelijk gedaan als regievoerder van de zitting en met het oog op de eventuele aanhouding van de zaak; een beslissing over het wel of niet toelaten van mr. Baijens als raadsman van verzoekster, heeft de politierechter hiermee niet genomen. Dat de raadsman deze vragen als niet opportuun en té indringend heeft ervaren, kan niet leiden tot het oordeel dat de rechter ten aanzien van laatstbedoelde beslissing of ten aanzien van de overige aspecten van de voorliggende strafzaken niet onpartijdig zou zijn. Van omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de politierechter jegens verzoekster dan wel aangaande het toelaten van mr. Baijens als raadsman, dan wel ten aanzien van overige aspecten, een vooringenomenheid koestert, is naar het oordeel van de wrakingskamer dan ook geen sprake.

5. Slotsom

De wrakingskamer komt tot het oordeel dat het wrakingsverzoek dient te worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

1.Wijst het verzoek tot wraking af.

2. Bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.

3. Beveelt dat de griffier onverwijlde mededeling van deze beslissing doet aan verzoekster, [de rechter] en het Openbaar Ministerie .

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Duinkerken, mr. H. Wolthuis en mr. K. Wentholt en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2008.?