Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BC4897

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
14-02-2008
Datum publicatie
22-02-2008
Zaaknummer
65661 / HA RK 08-2
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Regie ter zitting (getuigenverhoor). Art. 179 lid 2 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 65661 / HA RK 08-2

Beschikking van de meervoudige kamer op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 36 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van 14 februari 2008

in de zaak van

1. [VERZOEKER SUB 1],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [VERZOEKER SUB 2],

gevestigd te [vestigingsplaats]

verzoekers,

procureur mr. R.P. van Boven,

advocaat V.P.M. Heijnen-Heijthuisen te Roermond

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift d.d. 7 januari 2008 strekkende tot wraking van [de rechter],

- de mondelinge behandeling van de wrakingskamer d.d. 31 januari 2008

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Het standpunt van verzoekers (samengevat)

Mr. Heijnen-Heijthuisen stelt namens verzoekers dat met name de gang van zaken tijdens het getuigenverhoor in contra-enquête d.d. 10 december 2007 bij verzoekers de overtuiging heeft opgeleverd dat er ten aanzien van [de rechter] feiten en omstandigheden bestaan, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

1. Voor de contra-enquête is door haar onder meer [getuige 1] opgeroepen, die ook is verschenen. [getuige 1] was voorheen werkzaam bij TNO en is zonder medeweten en instemming van verzoekers ingeschakeld voor het doen van onderzoek naar de mogelijke oorzaak van de brand (waarover in de hoofdzaak tussen verzoekers en AXA en Aegon (de verzekeraars) geprocedeerd wordt). De inhoud van het rapport van [getuige 1] en zijn conclusies zijn door verzoekers betwist door het overleggen van op dit rapport geleverd commentaar van [partijdeskundige]. [partijdeskundige] is een door verzoekers ingeschakelde deskundige op het gebied van brandzaken en trad op als deskundige in het gerechtelijk vooronderzoek in de strafzaak met betrekking tot de brand tegen [verzoeker sub 1]. Mr. Heijnen heeft zich omtrent de vragen aan [getuige 1] laten bijstaan door [partijdeskundige]. Ter gelegenheid van het getuigenverhoor werd zij door de rechter belemmerd om bepaalde vragen te stellen, omdat de vragen te technisch waren en betrekking hadden op de deskundigheid van [getuige 1]. Verzoekers worden op deze wijze belemmerd in het leveren van tegenbewijs, hetgeen in het voordeel werkt van de wederpartij. Deze gang van zaken heeft zich ook voorgedaan bij het verhoor in contra-enquête van [getuige 2] d.d. 8 oktober 2007. Ook [getuige 2] heeft in opdracht van de verzekeraars onderzoek gedaan naar de oorzaak van de brand en een rapport daarover opgesteld.

Op grond van art. 179 lid 2 Rv. is het de rechter alleen toegestaan te beletten dat de getuige antwoord geeft op vragen en niet het stellen van de vraag op zich. Op grond van art. 200 lid 5 Rv. moet – indien [getuige 1] als deskundige moet worden gezien, de partij die “deskundige” toch vragen kunnen stellen ter toetsing van zijn deskundigheid.

Naast genoemde feiten en omstandigheden hebben zich in deze procedure nog andere feiten en omstandigheden voorgedaan, die in samenhang met genoemde omstandigheden ter zitting van 10 december 2007 eveneens de schijn van partijdigheid oproepen dan wel leiden tot de conclusie dat daardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het betreft hier bijkomende feiten en omstandigheden die het kernbezwaar onder 1. ondersteunen en versterken.

2. Het na afloop van de getuigenverhoren alsnog toestaan dat een deskundige wordt benoemd.

3. De bewijsopdracht aan verzekeraars dat de brand met opzet aangestoken is. Een dergelijk onderzoek is voorbehouden aan specifieke instanties als politie en justitie.

4. Er zijn expertiseorganisaties benoemd in plaats van natuurlijke personen (overeenkomstig de NIVRE-eisen).

5. Enkele stellingen van verzoekers zijn door de verzekeraars niet betwist, maar niet door de rechter als vaststaand opgenomen in haar tussenvonnis d.d. 17 mei 2006.

6. R.o 2.4 van het tussenvonnis d.d. 13 september 2006 is onjuist.

7. De weigering [partijdeskundige] het eerste getuigenverhoor te laten bijwonen.

8. In het proces-verbaal d.d. 10 december 2007 staat vermeld dat de rechter-commissaris de contra-enquête sluit. Dit is onjuist nu verzoekers een termijn voor beraad hadden gekregen om te bepalen of zij nog getuigen wensen te horen.

9. In het proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 8 oktober 2007 is vermeld dat [partijdeskundige] is verschenen als gemachtigde van verzoekers. Dit is onjuist, nu hij is meegekomen als partij-deskundige.

2. Het standpunt van [de rechter] (samengevat)

Verzoekers en mr. Heijnen kunnen zich niet in het vonnis van 17 mei 2006 vinden. Dat is echter tot stand gekomen na het afwegen van de standpunten van partijen. Daaruit blijkt niet van partijdigheid. In het vonnis is een bewijsopdracht gegeven. De bewijzende partij bepaalt zelf de volgorde van de getuigen. Mr. Heijnen wilde [partijdeskundige] als eerste laten horen, maar dat was niet aan haar. Tijdens de contra-enquête is het mr. Heijnen toegestaan zich te laten bijstaan door [partijdeskundige]. Dit werd echter op een onbehoorlijke manier ingevuld. Het werd een jacht van de ene getuige op de andere. [partijdeskundige] bemoeide zich actief met de procedure. De regels die gelden bij een getuigenverhoor werden niet in acht genomen.

Daarnaast was er geen behoorlijk proces-verbaal op te maken van het getuigenverhoor, omdat het te technisch werd. Uit het feit dat geen toestemming meer werd gegeven voor het stellen van vragen door [partijdeskundige] valt geen partijdigheid af te leiden.

3. Het standpunt van de verzekeraars

De verzekeraars betwisten de door verzoekers naar voren gebrachte punten als volgt (kort samengevat):

1. Uit de opgenomen verklaring van [getuige 1] blijkt dat geen sprake is geweest van een totale belemmering. De vragen die betrekking hadden op het door [getuige 1] verrichte onderzoek en zijn bevindingen in het kader daarvan zijn toegelaten.

2. Het eventuele deskundigenonderzoek na het getuigenverhoor betreft het voorbehoud van de verzekeraars bij akte d.d. 14 juni 2006.

3. Verzekeraars mogen in het kader van een civielrechtelijke actie onderzoek doen naar de opzet van de verzekerde.

4. Dat is spijkers zoeken op laag water.

5. Het gaat om beschuldigingen die van geen enkele invloed kunnen zijn op de beoordeling door de rechter.

6. De formulering is wat ongelukkig, maar gezien de bewijsopdracht wordt de wederpartij niet benadeeld.

7. Omdat [partijdeskundige] nog als getuige gehoord zou worden verbiedt de wet dat hij eerdere verhoren van getuigen bijwoont.

8. In het proces-verbaal staat eveneens vermeld dat de wederpartij gelegenheid krijgt opgave te doen van nog andere door haar in het kader van de contra-enquête te horen getuigen.

9. Het was beter geweest [partijdeskundige] te betitelen als adviseur van de familie [van verzoeker sub 1] in plaats van gemachtigde.

Zij stellen dat verzoekers op geen enkele wijze hebben gedemonstreerd dat de rechter niet onpartijdig zou zijn.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank overweegt allereerst dat [de rechter] overeenkomstig het wrakingsprotocol schriftelijk heeft gereageerd op het wrakingsverzoek. De wrakingskamer laat deze schriftelijke reactie bij de beoordeling van het verzoek echter buiten beschouwing, nu mr. Heijnen heeft meegedeeld dat deze bij haar niet bekend is en de rechter ter zitting ook mondeling op het verzoek heeft gereageerd.

4.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

4.3. De door verzoekers aangevoerde feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder r.o. 1. weergegeven leveren naar het oordeel van de rechtbank niet een uitzonderlijke omstandigheid op die in casu zodanige vrees met betrekking tot vooringenomenheid van de rechter kan rechtvaardigen. Evenmin geven zij grond te vrezen dat het de rechter wier wraking wordt verzocht aan onpartijdigheid ontbreekt noch is de schijn van partijdigheid voor verzoekende partij gewekt.

4.4. Uit hetgeen door [de rechter] naar voren is gebracht ontstaat het beeld dat [partijdeskundige] de regie ter zitting had overgenomen. Het is alleszins begrijpelijk dat de rechter dat niet toeliet. De zitting dreigde een strijd tussen twee deskundigen te worden. Dat is niet aan de orde in een getuigenverhoor. Het niet verder toelaten van deze gang van zaken levert naar het oordeel van de wrakingskamer geen partijdigheid op. Mr. Heijnen-Heijthuisen beroept zich op art. 179 lid 2 Rv., dat bepaalt dat de rechter kan beletten dat aan een bepaalde vraag gevolg wordt gegeven. Dit artikel staat er naar het oordeel van de wrakingskamer echter niet aan in de weg dat de rechter de gang van zaken ter zitting bepaalt en het stellen van een bepaalde soort vragen belet. Het enkele beletten dat bepaalde vragen worden gesteld, waar art. 179 lid 2 Rv. spreekt over het beletten dat aan bepaalde vragen gevolg wordt gegeven, is geen omstandigheid op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd tot partijdigheid van de rechter.

4.5. De wrakingskamer zal hieronder nog kort de overige door verzoekers genoemde bezwaren behandelen.

2. Het nog gelegenheid geven voor een deskundigenverhoor

Zoals uit het commentaar van de verzekeraars blijkt hadden zij bij akte d.d. 14 juni 2006 het voorbehoud gemaakt nog een deskundigenbericht te kunnen vragen. Het staat de rechter vrij hiertoe nog gelegenheid te bieden, en het nog gelegenheid bieden is bovendien geen omstandigheid die maakt dat daaruit van het partijdig zijn van de rechter blijkt.

3. De bewijsopdracht

Het door verzoekers gestelde kan geen wrakingsgrond opleveren, maar dient eventueel in hoger beroep aan de orde te komen. De stelling dat de gegeven bewijsopdracht niet gegeven had mogen worden, omdat de te bewijzen feiten een strafrechtelijk misdrijf opleveren, vindt overigens geen steun in de wet. De schijn van partijdigheid wordt niet door de bewijsopdracht opgeroepen.

4. Het benoemen van expertiseorganisaties in plaats van natuurlijke personen

Wat hier ook van zij, de wrakingskamer ziet hierin evenmin een omstandigheid die de schijn van partijdigheid oproept.

5. Niet betwiste, maar niet door de rechter als vaststaande feiten opgenomen feiten

Het staat de rechter vrij te bepalen welke feiten zij relevant vindt om onder de vaststaande feiten in het vonnis op te nemen. Het niet vermelden van deze niet-betwiste feiten roept niet de schijn van partijdigheid op.

6. R.o. 2.4. van het tussenvonnis d.d. 13 september 2006

Wat er ook zij van deze overweging, verzoekers zijn daar naar het oordeel van de wrakingskamer niet door in hun belangen geschaad en evenmin wordt daardoor de schijn van partijdigheid opgeroepen.

7. Het niet bijwonen van de eerste getuigenverhoren door [partijdeskundige]

Op grond van art. 179 Rv. dient de rechter iedere getuige te horen buiten tegenwoordigheid van de mede ter terechtzitting verschenen getuigen die nog niet zijn gehoord. Het is aan de partij die de bewijsopdracht heeft om de volgorde te bepalen waarin de getuigen worden verhoord. De consequentie hiervan was dat [partijdeskundige] bij de eerste getuigenverhoren niet aanwezig kon zijn. Dit is geen omstandigheid die de schijn van partijdigheid oproept.

8. De vermelding in het proces-verbaal dat de contra-enquête is gesloten

Uit het slot van het proces-verbaal blijkt dat de contra-enquête nog niet werd gesloten en dat verzoekers zich nog konden beraden of zij nog getuigen wensten te horen. Verzoekers zijn door deze op zich onjuiste vermelding dan ook niet in hun belangen geschaad. Evenmin kan tot partijdigheid of vooringenomenheid worden geconcludeerd.

9. De vermelding “gemachtigde” in het proces-verbaal

Hoewel deze vermelding onjuist is, is dit ook voor alle betrokkenen duidelijk. Verzoekers worden hierdoor evenmin in hun belangen geschaad, noch kan tot partijdigheid of vooringenomenheid worden geconcludeerd.

Uit het bovenstaande blijkt dat de bezwaren onder 2 tot en met 9 niet afzonderlijk of in onderling verband – met de onder 1 genoemde grond – kunnen leiden tot de conclusie dat er sprake is van partijdigheid.

5. Slotsom

Het door verzoeker gestelde kan niet leiden tot de verzochte wraking. De wrakingskamer van de rechtbank zal het wrakingsverzoek afwijzen.

De beslissing

De rechtbank

1. Wijst het verzoek tot wraking af.

2. Bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.

3. Beveelt dat de griffier onverwijlde mededeling van deze beslissing doet aan verzoekers, de rechter [de rechter] en mr. P.J.M. Drion.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. van der Meer, mr. H. Wolthuis en mr. J.L. Boxum, bijgestaan door mr. A.J. Wassenburg-Hazelhoff, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2008 en door mr. A. van der Meer en de griffier ondertekend.