Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BC4373

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
12-02-2008
Datum publicatie
14-02-2008
Zaaknummer
217320 eind \ CV EXPL 07-4374
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis (zie tussenvonnis d.d. 18 december 2007 (LJN: BC0364)). Eiseres is in de gelegenheid gesteld haar vordering toe te lichten in verband met de door de kantonrechter voorgenomen ambtshalve toetsing van het door eiseres aan gedaagde tegengeworpen boetebeding. Deze verplichting tot ambtshalve toetsing vloeit voort uit de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ) van 27 juni 2000 (NJ 2000/730, Océano) en 26 oktober 2006 (NJ 2007/201, Mostaza Claro). De kantonrechter overweegt dat de achterliggende gedachte van het beding - namelijk het aansporen van de gedaagde om de creditcard te retourneren en onrechtmatig gebruik te voorkomen - en het boetebedrag van € 23,00 per dag als kenmerken op zich niet onredelijk bezwarend worden geacht. Nu in het betreffende beding een limiet aan de hoogte van de boete ontbreekt, dient dit naar het oordeel van de kantonrechter al te leiden tot het oordeel dat het beding onredelijk bezwarend is. De wederpartij verkeert immers - doordat er geen limiet is gesteld aan de boete - in onzekerheid doordat de boete eindeloos kan doorlopen. Bovendien staat de boete naar het oordeel van de kantonrechter niet in een redelijke verhouding tot de hoofdvordering. De kantonrechter vernietigt dan ook het boetebeding als bepaald in artikel 2 lid 7 onder d, gelet op het onredelijk bezwarende karakter ervan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector kanton

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 217320 eind\ CV EXPL 07-4374

vonnis van de kantonrechter d.d. 12 februari 2008

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INTERNATIONAL CARD SERVICES B.V., h.o.d.n. Visa Card Services,

hierna te noemen: eiseres,

statutair gevestigd te Amsterdam, kantoorhoudende te Diemen,

eisende partij,

gemachtigde: Jongejan Wisseborn Gerechtsdeurwaarders,

tegen

[Gedaagde],

hierna te noemen: gedaagde,

wonende te [adres],

gedaagde partij,

niet verschenen, tegen wie verstek is verleend.

De procedure

1.1 Bij tussenvonnis van 18 december 2007 heeft de kantonrechter eiseres in de gelegenheid gesteld haar vordering op een aantal in dat tussenvonnis genoemde onderdelen toe te lichten. Eiseres heeft bij akte haar vordering nader toegelicht, voorzien van een aantal producties. De inhoud van de gedingstukken, waaronder genoemd tussenvonnis, geldt als hier herhaald en ingelast.

De verdere beoordeling van het geschil

2.1 De kantonrechter neemt hier over en verwijst naar hetgeen hij reeds heeft overwogen en beslist bij voormeld tussenvonnis.

2.2 Eiseres heeft na tussenvonnis aangevoerd dat beoordeling van het (boete)beding in haar algemene voorwaarden plaats dient te vinden via artikel 6:233 sub a BW. Volgens haar is er geen sprake van een oneerlijk beding. Daartoe voert zij onder meer aan dat de wet in artikel 6:91 BW uitdrukkelijk de mogelijkheid biedt tot het instellen van een boetebeding ter aansporing tot nakoming. Voorts stelt zij aanzienlijke belangen te hebben bij retournering van de creditcard.

2.3 Allereerst overweegt de kantonrechter dat de gevorderde hoofdsom ad € 3.420,39 hem niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zodat deze bij verstek zal worden toegewezen, met inbegrip van de gevorderde overeengekomen rente.

2.4 Nu er sprake is van een door eiseres met gedaagde als consument gesloten overeenkomst, dient de kantonrechter - zoals hij in het tussenvonnis van 4 juli 2007 onder 3.1 reeds heeft overwogen - ambtshalve te beoordelen of er sprake is van een onredelijk bezwarend van het door eiseres aan gedaagde tegengeworpen boetebeding ingevolge de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ) van 27 juni 2000 (NJ 2000/730, Océano) en 26 oktober 2006 (NJ 2007/201, Mostaza Claro). De kantonrechter stelt met eiseres vast dat het boetebeding als zodanig niet voorkomt op de grijze of zwarte lijst (artikel 6:236 en 237 BW), zodat toetsing van de vernietigbaarheid van het onderhavige boetebeding dient plaats te vinden via de open norm van artikel 6:233 sub a BW. Beslissend is de tekst van het beding en de betekenis die daaraan moet worden toegekend.

2.5 Het onderhavige boetebeding als bepaald in artikel 2 lid 7 onder d van de algemene voorwaarden houdt het volgende in:

"In geval van beëindiging van deze overeenkomst (…) dient de Card-houder de Card in vier delen te knippen, zodat misbruik onmogelijk is en deze op eerste verzoek van ICS aan ICS op te sturen. Bij gebreke van terugsturen is de Card-houder een boete verschuldigd van

€ 23,00 voor iedere dag dat de Card-houder de Card niet heeft teruggezonden (…).

2.6 De kantonrechter overweegt dat de achterliggende gedachte van het beding - namelijk het aansporen van de gedaagde om de creditcard te retourneren en onrechtmatig gebruik te voorkomen - en het boetebedrag van € 23,00 per dag als kenmerken op zich niet onredelijk bezwarend worden geacht. Nu in het betreffende beding een limiet aan de hoogte van de boete ontbreekt, dient dit naar het oordeel van de kantonrechter al te leiden tot het oordeel dat het beding onredelijk bezwarend is. De wederpartij verkeert immers - doordat er geen limiet is gesteld aan de boete - in onzekerheid doordat de boete eindeloos kan doorlopen. Bovendien staat de boete naar het oordeel van de kantonrechter niet in een redelijke verhouding tot de hoofdvordering. De kantonrechter vernietigt dan ook het boetebeding als bepaald in artikel 2 lid 7 onder d, gelet op het onredelijk bezwarende karakter ervan. De gevorderde boete ten bedrage van € 4.557,00 zal dientengevolge worden afgewezen.

2.7 De kantonrechter overweegt voorts dat, gelet op de stellingen van eiseres en de door haar overgelegde rekeningoverzichten, er kennelijk gedurende langere tijd sprake is van een roodstand terzake de creditcard van gedaagde. Deze roodstand is naar het oordeel van de kantonrechter onder de werking van de Wet op het Consumentenkrediet (WCK) komen te vallen, gelet op artikel 1 sub a WCK, aangezien uit de rekeningoverzichten blijkt dat - in tegenstelling tot wat eiseres in de dagvaarding heeft gesteld - gedaagde noch gehouden was tot volledige maandelijkse betaling, noch tot betaling binnen drie maanden. Zo blijkt uit het rekeningoverzicht van 10 augustus 2006 dat gedaagde bij een debet saldo van € 1.476,80 gehouden was tot betaling van een minimumbedrag van € 36,92. Uit het rekeningoverzicht van 10 september 2006 volgt dat gedaagde bij een debet saldo van € 1.730,78 een minimumbedrag ad € 80,18 dient te betalen. Op een vergelijkbare wijze geschiedt zulks ook voor de maanden oktober 2006 tot en met april 2007. In de periode augustus 2006 tot en met april 2007 is het saldo van de creditcardrekening in ieder geval nimmer positief geweest en heeft gedaagde geen dan wel minimale (gedeeltelijke) aflossingen gedaan. Naar het oordeel van de kantonrechter houdt dit in dat gedaagde noch gehouden was tot volledige maandelijkse betaling, noch tot betaling binnen drie maanden. Ook is uit de stellingen van eiseres gebleken dat de eerste aanmaning op 26 februari 2007 is verzonden. Naar het oordeel van de kantonrechter is de WCK dan ook van toepassing en zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ad € 1427,54 en de deurwaarderskosten voor de betekening van het sommatie-exploot ad € 66,70 worden afgewezen, nu de WCK niet toestaat dat er andere vergoedingen in rekening worden gebracht door de kredietgever dan de vergoedingen die genoemd worden in artikel 34 WCK.

2.8 De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen nu deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, met dien verstande dat de maximaal te verbeuren dwangsom wordt gesteld op € 1.000,00. Gedaagde zal worden veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen € 3.463,76, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.420,39 vanaf 16 november 2007 tot aan de dag van volledige betaling;

veroordeelt gedaagde om binnen twee dagen na de betekening van dit vonnis de in diens bezit zijnde creditcard tegen deugdelijk bewijs van afgifte aan eiseres af te geven, met veroordeling van gedaagde tot betaling van een dwangsom ad € 25,00 per dag voor elke dag dat gedaagde met de afgifte van de creditcard in gebreke blijft, waarbij de maximaal te verbeuren dwangsom wordt gesteld op een bedrag van € 1.000,00;

veroordeelt gedaagde tot betaling van de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van eiseres begroot op € 87,58 aan dagvaardingskosten, € 199,00 aan vast recht en € 262,50 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. A. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2008.

typ/conc: 167/SJSK

coll: