Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BC4304

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
12-02-2008
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
19.994507/07
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHLEE:2010:BN8016, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank een zeker risico genomen met het opzetten en voortzetten van het samenwerkingsverband. De vraag die van belang is of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het houderschap: heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de maatschap ten aanzien van alle varkens als houder aangemerkt zou worden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.994507-07

vonnis van de Meervoudige economische kamer d.d. 12 februari 2008 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

Maatschap [naam maatschap],

gevestigd te [vestigingsadres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 29 januari 2008.

De verdachte is verschenen, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger], en bijgestaan door mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg.

De officier van justitie mr. W.H. Frank acht hetgeen is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank een geldboete ter hoogte van € 125.000,-- zal opleggen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

zij te [plaats], gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, opzettelijk op een bedrijf, gelegen aan of nabij het [adres], gemiddeld gedurende het jaar 2001, 2002 en/of 2003, (telkens) een groter aantal varkens, onderscheidenlijk fokzeugen, heeft gehouden dan het op het bedrijf rustende varkensrecht, verminderd met het grondgebonden deel van het varkensrecht.

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

Preliminaire verweren

De raadsman heeft bij preliminair verweer aangevoerd dat het openbaar ministerie (OM) niet ontvankelijk verklaard dient te worden. De raadsman heeft daartoe gesteld a) dat de redelijke termijn is overschreden en b) dat het OM de beginselen van behoorlijk procesrecht heeft geschonden.

Ad a). De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn verweer aangevoerd dat verdachte [verdachte] op 5 april 2005 werd aangehouden. Vanaf dat moment mocht verdachte er van uitgaan dat er een onderzoek tegen hem liep. Vervolgens is in juni 2005 het dossier gesloten. Nu de zitting plaats heeft gevonden op 29 januari 2008 is een termijn van twee jaar en zeven maanden verstreken. Dat is een overschrijding van de redelijke termijn, aldus de raadsman. De raadsman heeft hieruit geconcludeerd dat het OM niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

Ad b). De raadsman heeft aangevoerd dat de Algemene Inspectie Dienst (AID) al in 1999 het samenwerkingsverband tussen [verdachte] en een aantal akkerbouwers in de gaten hield. De AID had twijfels bij het samenwerkingsverband en heeft aangegeven terug te komen op die twijfels. Vervolgens hebben de akkerbouwers en verdachte jarenlang niets gehoord van de AID. Het samenwerkingsverband heeft hieruit afgeleid dat de AID de situatie goedkeurde, aldus de raadsman. De raadsman is van mening dat de overheid bij verdachte het vertrouwen heeft gewekt dat hij geen strafbare feiten pleegde. Door jaren later alsnog in te grijpen heeft het OM de beginselen van behoorlijk procesrecht geschonden en dient het OM niet-ontvankelijk verklaard te worden, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft met betrekking tot de redelijke termijn aangevoerd dat de redelijke termijn weliswaar overschreden is, doch dat het een geringe overschrijding betreft wat dient te leiden tot strafvermindering en niet tot niet-ontvankelijkheid. Met betrekking tot het tweede preliminaire verweer heeft de officier van justitie aangevoerd dat gedogen door de AID geen reden is tot niet-ontvankelijkheid van het OM. De officier van justitie heeft daarbij gesteld dat de door de raadsman aangehaalde controle door de AID niet uitgevoerd was op basis van de Wet herstructurering varkenshouderij. Bovendien is niet van belang of de AID al dan niet een bepaald vertrouwen heeft gewekt; het OM is namelijk niet gebonden aan toezeggingen van de AID. De officier van justitie heeft geconcludeerd dat beide preliminaire verweren verworpen dienen te worden.

Met betrekking tot de gevoerde verweren overweegt de rechtbank als volgt.

Ad a). De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verdachte [verdachte] is in april 2005 aangehouden. Het dossier is in juni 2005 gesloten. In februari 2007 heeft de verdediging verzocht om een mini-instructie door het kabinet van de Rechter-commissaris. Deze mini-instructie heeft plaatsgevonden in april 2007. Naar aanleiding van deze mini-instructie is door de AID in augustus 2007 een aanvullend proces-verbaal opgemaakt, dat in november 2007 aan de verdediging is verzonden. Vervolgens is de verdachte in december 2007 gedagvaard door de officier van justitie.

De rechtbank overweegt - onder verwijzing naar het standaardarrest van de Hoge Raad met betrekking tot de redelijke termijn (NJ 2000, 721) - dat tussen het moment van aanhouding van verdachte en de thans verwachte datum van einduitspraak in eerste aanleg een periode van twee jaar en tien maanden is verstreken. De rechtbank overweegt voorts dat uit het aangehaalde arrest van de Hoge Raad blijkt dat de redelijkheid van de duur van een strafzaak onder meer afhankelijk is van de invloed van de verdediging op het procesverloop. De rechtbank is van oordeel de verstreken termijn verkort moet worden met twee maanden in verband met de gehouden mini-instructie en tevens met twee maanden in verband met het opmaken van een aanvullend proces-verbaal naar aanleiding van die mini-instructie. De rechtbank komt aldus tot een verstreken termijn van twee jaar en zes maanden en stelt vast dat de door de Hoge Raad gehanteerde redelijke termijn met zes maanden is overschreden.

De rechtbank is voorts van oordeel dat deze termijnoverschrijding niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid van het OM. De rechtbank verwijst daarbij naar het hierboven reeds aangehaalde arrest van de Hoge Raad: een overschrijding van de redelijke termijn dient slechts in uitzonderlijke gevallen tot niet-ontvankelijkheid te leiden, bijvoorbeeld wanneer in een eenvoudige zaak sprake is van een zeer ernstige overschrijding. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn gecompenseerd wordt door strafvermindering. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat in de onderhavige zaak niet van een zodanig uitzonderlijke overschrijding gesproken kan worden dat daarop de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te volgen. De rechtbank zal, mocht zij aan strafoplegging toekomen, op basis van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering in de strafoplegging rekening houden met de vastgestelde termijnoverschrijding. De rechtbank verwerpt het verweer.

Ad b). Met betrekking tot het verweer van schending van de beginselen van een goede procesorde overweegt de rechtbank als volgt. Vooropgesteld dient te worden dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat het openbaar ministerie in beginsel slechts gebonden is aan door het openbaar ministerie zelf gedane toezeggingen. Immers, "een toezegging van een niet voor het strafvervolgingsbeleid verantwoordelijk orgaan, inhoudende dat tegen een verdachte ter zake van bepaalde feiten geen strafvervolging zal worden ingesteld, kan niet het vertrouwen rechtvaardigen dat het OM verstoken zou zijn van het recht om terzake van die feiten alsnog tot strafvervolging over te gaan", aldus de Hoge Raad (NJ 1986, 591).

De raadsman heeft gesteld dat het samenwerkingsverband van verdachte [verdachte] door het uitblijven van een reactie van de AID het vertrouwen heeft gekregen dat zij niet vervolgd zouden worden. De rechtbank overweegt dat verdachte hieruit niet een gerechtvaardigd vertrouwen kon afleiden, nu enerzijds het OM niet gebonden is aan toezeggingen van de AID en anderzijds de AID geen toezeggingen heeft gedaan. De rechtbank verwerpt ook dit verweer.

Bewijs

De rechtbank overweegt dat voor een bewezen verklaring noodzakelijk is dat verdachte - kort gezegd - opzettelijk teveel varkens gehouden heeft. Allereerst dient de vraag beantwoord te worden of de maatschap houder is geweest van de varkens.

Houden van varkens in de zin van de Wet herstructurering varkenshouderij

De officier van justitie heeft aangevoerd dat naar zijn oordeel verdachte (de maatschap) houder is geweest van de varkens, en niet de akkerbouwers.

De rechtbank overweegt als volgt. De maatschap [maatschap] (verder te noemen de maatschap) is varkenshouder en startte een nieuw bedrijf te [plaats]. De maatschap bouwde een aantal varkensstallen en ging een samenwerkingsverband aan met akkerbouwers, die in de nabijheid van zijn bedrijf woonden. Voor slechts een deel van de op het bedrijf aanwezige varkens had de maatschap zelf varkensrechten, zoals vereist in de Wet herstructurering varkenshouderij (WHV). De maatschap en de akkerbouwers meenden dat de akkerbouwers, als gevolg van het overgangsrecht van de WHV, beschikten over varkensrechten voor de overige varkens van maatschap. Bij het aangaan van de samenwerkingsovereenkomst was uitgangspunt dat de akkerbouwers houder waren van de varkens, waarvoor de maatschap geen varkensrechten had. De maatschap en de akkerbouwers wijzen in dit verband op de pachtovereenkomst tussen de akkerbouwers en de maatschap met betrekking tot een deel van de varkensstallen en de tussen de maatschap en de akkerbouwers gesloten voerovereenkomst. Hiervan uitgaande zou er geen sprake van zijn dat de maatschap meer varkens hield dan als gevolg van de WHV was toegestaan.

De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van de vraag wie als houder in de zin van de Wet herstructurering varkenshouderij moet worden aangemerkt de feitelijke situatie van doorslaggevende betekenis is, en niet de door de akkerbouwers en de maatschap aangegane overeenkomsten. De rechtbank overweegt dat de handelingen van de heer [verdachte] toegerekend kunnen worden aan de maatschap [maatschap]. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden:

- de maatschap was eigenaar van de varkens;

- de maatschap had zeggenschap over de verkoop en aflevering van de varkens;

- de maatschap was eigenaar van de stallen waarin de varkens waren gehuisvest;

- de milieuvergunningen zijn alleen door de maatschap aangevraagd;

- de verzekeringen werden door de maatschap geregeld en betaald;

- de aankoop van varkensvoer werd door de maatschap geregeld;

- de maatschap betaalde de dierenarts;

- de maatschap heeft de varkensverzorger aangenomen;

- de opdrachten aan de verzorger werden voornamelijk gegeven door de maatschap;

- de veesaldoregistratie werd bijgehouden door de maatschap.

De rechtbank overweegt op grond van het bovenstaande dat de bedrijfsvoering van de varkenshouderij in handen was van de maatschap. Zij bepaalde de dagelijkse gang van zaken, hij was degene die verantwoordelijk was voor alle relevante beslissingen. Hij was niet alleen eigenaar van de varkens maar ook van de stallen. De akkerbouwers speelden in het geheel slechts een marginale rol en brachten in feite slechts hun varkensrechten, die zij overigens uiteindelijk niet bleken te hebben, tegen een vergoeding in. Een en ander blijkt uit de feitelijke gang van zaken zoals hierboven is geschetst en wordt tevens bevestigd in de verklaringen van de akkerbouwers ten overstaan van de rechter-commissaris. De rechtbank is van oordeel dat de maatschap houder was van de varkens.

Opzet

De rechtbank overweegt dat voorts voor een bewezen verklaring noodzakelijk is dat verdachte de varkens opzettelijk heeft gehouden.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het opzet bewezen kan worden. De maatschap en de akkerbouwers hebben immers bewust het risico genomen dat hen geen varkensrechten zouden worden toegekend. Sinds begin 2000, na gesprekken met accountant [accountantskantoor], moet hen duidelijk zijn geworden dat de varkensrechten zeer waarschijnlijk niet zouden worden toegekend, aldus de officier van justitie.

De raadsman heeft aangevoerd dat het opzettelijk houden van de varkens niet bewezen kan worden.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat er de nodige onduidelijkheid is geweest met betrekking tot de WHV. Deze onduidelijkheid was aanwezig binnen de hele varkenssector en niet alleen bij verdachte en de akkerbouwers. Verdachte en de akkerbouwers hebben zich hierover laten adviseren door [accountantskantoor] en door een advocatenkantoor. Op basis van de ingewonnen adviezen zijn verdachte en de akkerbouwers tot een samenwerkingsverband gekomen, waarin uitgangspunt was dat de akkerbouwers houder van een groot deel van de varkens waren. De rechtbank overweegt voorts dat dergelijke samenwerkingsverbanden vaker werden toegepast.

Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank een zeker risico genomen met het opzetten en voortzetten van het samenwerkingsverband. De vraag die van belang is of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het houderschap: heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de maatschap ten aanzien van alle varkens als houder aangemerkt zou worden?

De rechtbank overweegt hierbij allereerst dat de vraag naar voorwaardelijk opzet in het economische strafrecht beoordeeld dient te worden naar strengere maatstaven dan in het commune strafrecht gebruikelijk is. Verdachte is ondernemer en wordt verdacht van een economisch delict. De rechtbank is van oordeel dat in het algemeen van een ondernemer niet verwacht kan worden dat hij reeds bij enige twijfel zijn onderneming stop zet.

In de onderhavige zaak is de rechtbank allereerst van oordeel dat verdachte zich niet bewust is geweest van het feit dat de maatschap houder was van de varkens. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet willens en wetens de kans heeft aanvaard dat de maatschap als houder aangemerkt zou worden, waarmee het opzet op het houden, ook in voorwaardelijke zin, niet bewezen kan worden. De rechtbank acht hierbij van belang dat de regelgeving rond de Wet herstructurering varkenshouderij onduidelijk was en is, dat verdachte zich heeft laten adviseren door accountants en advocaten en dat de AID - zoals hierboven door de raadsman is aangevoerd - na het uitspreken van twijfels met betrekking tot het samenwerkingsverband niet op deze twijfels is teruggekomen.

Vrijspraak

De verdachte dient van het primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld.

Nu opzettelijk handelen niet bewezen kan worden is op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten geen sprake van een misdrijf. Uit het systeem van deze wet volgt dat de rechtbank vervolgens een oordeel dient te geven over de aan verdachte impliciet subsidiair tenlastegelegde overtreding.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie met betrekking tot de tenlastegelegde overtreding

Aan verdachte is tenlastegelegd dat de overtreding is gepleegd gedurende het jaar 2001, 2002 en/of 2003. De eerstvolgende daad van vervolging is het aankondigen van een dagvaarding in februari 2007 geweest. Tussen de laatste dag van 2003 en februari 2007 is een periode van meer dan twee jaar verstreken. Op grond van artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 1 van het Wetboek van Strafrecht is de rechtbank van oordeel dat de zaak is verjaard en het recht tot strafvordering is vervallen. De rechtbank zal de officier van justitie derhalve niet-ontvankelijk verklaren in de strafvervolging ter zake van de tenlastegelegde overtreding.

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen behoeven de overige verweren en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten geen bespreking.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging met betrekking tot de impliciet subsidiair tenlastegelegde overtreding.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. de Wit, voorzitter, mrs. O.J. Bosker en B.I. Klaassens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.M. von Bartheld, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 12 februari 2008.