Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BC1868

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
18-01-2008
Datum publicatie
18-01-2008
Zaaknummer
19-820017/04
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ3270, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

de termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is aangevangen met de aanhouding van verdachte op 9 juli 2004. Sindsdien zijn drie jaren, zes maanden en twaalf dagen verstreken. Er is weliswaar enige vertraging opgetreden als gevolg van de herhaalde verzoeken van de verdediging tot het horen van getuigen, doch deze vertraging bedraagt in totaal nog geen zes maanden.

Een behandeling in eerste aanleg dient volgens de Hoge Raad in principe binnen twee jaren te zijn voltooid. De totale termijnoverschrijding bedraagt dus ruim één jaar en kan geheel op het conto van het openbaar ministerie worden geschreven.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. Overschrijding van deze termijn leidt naar het oordeel van de rechtbank echter niet per definitie tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Het staat de rechtbank immers vrij een lagere straf op te leggen dan zij zonder schending van de clausule zou hebben gedaan (HR 3 oktober 2000, NJ 2000,721).

De Hoge Raad overweegt: in de regel behoort overschrijding van de redelijke termijn te leiden tot strafvermindering. Voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19/820017-04

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 januari 2008 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en -land verdachte] op [geboortedatum verdachte] 1965,

wonende te [adres verdachte].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 8 november 2005, 24 november 2006, 21 december 2007 en 4 januari 2008.

De verdachte is verschenen ter terechtzittingen van 24 november 2006 en 21 december 2007 en werd telkens bijgestaan door mr. H.J. Borghuis, advocaat te Amsterdam.

De officier van justitie, mr.H. Supèr, acht hetgeen onder 1. primair, 2. primair, 3. primair, 4. en 5. is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen: een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis, onder aftrek van voorarrest, en vier maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarde dat verdachte binnen drie maanden na ingang van de proeftijd de schade ten bedrage van € 751,65 zal vergoeden aan [naam benadeelde] en de schade ten bedrage van € 50,-- zal vergoeden aan [naam benadeelde]. Voorts toewijzing van de civiele vordering van [naam benadeelde] tot een bedrag van € 4187,18, tevens in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel, niet-ontvankelijk verklaring van [naam benadeelde] in zijn civiele vordering, toewijzing van de civiele vordering van [naam benadeelde] tot een bedrag van € 1250,--, tevens in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel, en afwijzing van de ontnemingsvordering ter terechtzitting.

Tenlastelegging

De verdachte is ingevolge ter terechtzitting van 24 november 2006 gewijzigde tenlastelegging bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 15 april 2004 te Smilde, gemeente Midden-Drenthe, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [naam opgelichte persoon] heeft bewogen tot de afgifte van een bank(betaal)pas met pincode, in elk geval van enig goed, immers is/zijn verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, naar de woning van voornoemde [naam opgelichte persoon] gegaan en/of heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader zich bij haar voorgedaan als medewerker(s) van de Rabobank die de door benadeelde gebruikte bankpas kwam omwisselen voor een nieuwe pas, waardoor die [naam opgelichte persoon] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

terzake dat

[naam medeverdachte] op of omstreeks 15 april 2004 te Smilde, gemeente Midden Drenthe

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [naam opgelichte persoon] heeft bewogen tot de afgifte van een bank(betaal)pas, in elk geval van enig goed,

immers is die [naam medeverdachte] met vorenomschreven oogmerk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -

naar de woning van voornoemde [naam opgelichte persoon] gegaan en/of heeft die [naam medeverdachte] zich bij haar voorgedaan als medewerker van de Rabobank die de door benadeelde gebruikte bankpas kwam omwisselen voor een nieuwe pas, waardoor die [naam opgelichte persoon] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte, zijnde verdachte op of omstreeks 15 april 2004 te Smilde, gemeente Midden Drenthe en/of elders in Nederland, opzettelijk behulpzaam geweest bij, althans hebbende verdachte opzettelijk gelegenheid, opzettelijk middelen en/of inlichtingen verschaft tot het plegen van vorenomschreven misdrijf door die [naam medeverdachte] met een auto in de onmiddelijke omgeving van de woning van die [naam opgelichte persoon] te brengen en/of in de nabijheid van de woning van die [naam opgelichte persoon] op de uitkijk te gaan staan;

althans, indien ook terzake van het laatstvermelde geen veroordeling mocht

volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 15 april 2004 te Smilde, gemeente Midden-Drenthe,, in elk geval in Nederland, een bank(betaal)pas van de Rabobank ten name van [naam benadeelde] heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die pas wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.

hij op of omstreeks 15 april 2004 te Zuidlaren, gemeente Tynaarlo en/of te Haren en/of te Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een betaalautomaat van

a) [naam bedrijf] te Zuidlaren en/of

b) [naam bedrijf] te Haren en/of

c) [naam bedrijf] te Groningen

(telkens) heeft weggenomen (een) (giraal) geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde] en/of de Rabobank, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel (pinpas);

althans indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen ,

terzake dat

hij op of omstreeks 15 april 2004 te Zuidlaren, gemeente Tynaarlo en/of te Haren en/of te Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen,

a) [naam bedrijf] te Zuidlaren en/of

b) [naam bedrijf] te Haren en/of

c) [naam bedrijf] te Groningen

heeft/hebben bewogen tot de afgifte van (respectievelijk)

a) een digitale camera (merk JVC) en/of

b) een kostuum (merk Corneliani) en/of

c) een kostuum en/of een overhemd

immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk een door oplichting, in elk geval

door misdrijf verkregen betaalpas (Rabopas ten name van [naam benadeelde]) in een betaalautomaat van voornoemde winkelbedrijven ingebracht en de aan de rechtmatige houder van die betaalpas opgegeven (geheime) pincode ingetoetst, waardoor die winkelbedrijven werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

althans

hij op of omstreeks 15 april 2004 te Zuidlaren, gemeente Tynaarlo en/of te Haren en/of te Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen, [naam opgelichte persoon] en/of de Rabobank heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een (giraal)geldbedrag, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk een door oplichting, in elk geval door misdrijf verkregen betaalpas (Rabopas ten name van [naam opgelichte persoon] in (een) betaalautoma(a)t(en) van

a) [naam bedrijf] te Zuidlaren en/of

b) [naam bedrijf] te Haren en/of

c) [naam bedrijf] te Groningen

ingebracht en de aan de rechtmatige houder van die betaalpas opgegeven (geheime) pincode ingetoetst, waardoor die [naam benadeelde] en/of de Rabobank werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

3.

hij op of omstreeks 21 april 2004 te en in de gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [naam opgelichte persoon] heeft bewogen tot de afgifte van een bank(betaal)pas met pincode, in elk geval van enig goed, immers is/zijn verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid , naar de woning van

voornoemde [naam opgelichte persoon] gegaan en/of heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader bij die [naam opgelichte persoon] zich voorgedaan als medewerker van de SNS-bank die de door benadeelde gebruikte bankpas kwam omwisselen voor een nieuwe pas, waardoor die [naam opgelichte persoon] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

terzake dat

[naam medeverdachte] op of omstreeks 21 april 2004 te en in de gemeente Emmen met het

oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [naam opgelichte persoon] heeft bewogen tot de afgifte van een bank(betaal)pas, in elk geval van enig goed, immers is die [naam medeverdachte] met vorenomschreven oogmerk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - naar de woning van voornoemde [naam opgelichte persoon] gegaan en/of heeft die [naam medeverdachte] zich bij die [naam opgelichte persoon] voorgedaan als medewerker van de SNS-bank die de door benadeelde

gebruikte bankpas kwam omwisselen voor een nieuwe pas, waardoor die [naam opgelichte persoon] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte, zijnde verdachte op of omstreeks 21 april 2004 te en in de gemeente Emmen en/of elders in Nederland, opzettelijk behulpzaam geweest bij, althans hebbende verdachte opzettelijk gelegenheid, opzettelijk middelen en/of

inlichtingen verschaft tot het plegen van vorenomschreven misdrijf door die [naam medeverdachte] met een auto in de onmiddelijke omgeving van de woning van die [naam opgelichte persoon] te brengen en/of in de nabijheid van de woning van die [naam opgelichte persoon] op de uitkijk te gaan staan;

althans, indien ook terzake van het laatstvermelde geen veroordeling mocht

volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 21 april 2004 te en in de gemeente Emmen,in elk geval in Nederland, een bank(betaal)pas van de SNS-bank ten name van [naam benadeelde] heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die pas wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.

hij op of omstreeks 30 juni 2004 te Amsterdam, althans in Nederland opzettelijk aanwezig heeft een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5.

hij op of omstreeks 17 mei 2004 te Leek met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een betaalautomaat van een vestiging van de Rabobank te Leek heeft weggenomen een geldbedrag van 1250,-- euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde] en/of de Rabobank, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel (pinpas);

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

De verdachte dient van het onder 4. tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht. De specifieke kenmerken van de pillen waarin het NFI MDMA heeft aangetroffen en van de onder verdachte in beslag genomen pillen stemmen immers niet overeen, zodat wettig bewijs dat verdachte op 30 juni 2004 een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA aanwezig heeft gehad niet voorhanden is.

Bewijsmiddelen

Overeenkomstig de nader op te nemen bewijsconstructie.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1. primair, 2. primair, 3. primair en 5. tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 15 april 2004 te Smilde, gemeente Midden-Drenthe, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels [naam opgelichte persoon] heeft bewogen tot de afgifte van een bank(betaal)pas met pincode, immers zijn verdachte en zijn mededader met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid, naar de woning van voornoemde [naam opgelichte persoon] gegaan en heeft zijn mededader zich bij haar voorgedaan als medewerker van de Rabobank die de door benadeelde gebruikte bankpas kwam omwisselen voor een nieuwe pas, waardoor die [naam opgelichte persoon] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

hij op 15 april 2004 te Zuidlaren, gemeente Tynaarlo en te Haren en te Groningen, tezamen en in vereniging met een ander telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een betaalautomaat van

a) [naam bedrijf] te Zuidlaren en

b) [naam bedrijf] te Haren en

c) [naam bedrijf] te Groningen

telkens heeft weggenomen een giraal geldbedrag, toebehorende aan [naam benadeelde], waarbij verdachte en zijn mededader de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel (pinpas);

3.

hij op 21 april 2004 te en in de gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [naam opgelichte persoon] heeft bewogen tot de afgifte van een bank(betaal)pas met pincode, immers zijn verdachte en zijn mededader met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid , naar de woning van voornoemde [naam opgelichte persoon] gegaan en heeft zijn mededader bij die [naam opgelichte persoon] zich voorgedaan als medewerker van de SNS-bank die de door benadeelde gebruikte bankpas kwam omwisselen voor een nieuwe pas, waardoor die [naam opgelichte persoon] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

5.

hij op 17 mei 2004 te Leek met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een betaalautomaat van een vestiging van de Rabobank te Leek heeft weggenomen een geldbedrag van 1250,-- euro, toebehorende aan [naam benadeelde], waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel

(pinpas).

De rechtbank overweegt met betrekking tot het onder 2. primair bewezen verklaarde dat verdachte en zijn mededader door uit betaalautomaten door middel van een pinpas geld over te schrijven naar de rekeningen van genoemde winkelbedrijven zich tijdelijk de heerschappij over die girale geldbedragen ten behoeve van die winkelbedrijven hebben verschaft, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank het oogmerk van toe-eigening oplevert (HR 3 november 1964, NJ 1965, 120).

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 1. primair, 2. primair, 3. primair en 5. meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op:

onder 1 primair:

medeplegen van oplichting,

strafbaar gesteld bij artikel 326 in verbinding met artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2. primair:

medeplegen van diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels,

strafbaar gesteld bij artikel 311 in verbinding met de artikelen 310 en 47 van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd;

onder 3. primair:

medeplegen van oplichting,

strafbaar gesteld bij artikel 326 in verbinding met artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 5.:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels,

strafbaar gesteld bij artikel 311 in verbinding met artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De raadsman van verdachte heeft onder meer aangevoerd dat de redelijke termijn waarbinnen een vervolging in eerste aanleg dient te worden voltooid inmiddels is verstreken. Hij is van mening dat deze termijnoverschrijding compensatie behoeft door het opleggen van een lagere straf dan de straf die de rechtbank zonder deze vertraging passend zou achten.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende:

de termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is aangevangen met de aanhouding van verdachte op 9 juli 2004. Sindsdien zijn drie jaren, zes maanden en twaalf dagen verstreken. Er is weliswaar enige vertraging opgetreden als gevolg van de herhaalde verzoeken van de verdediging tot het horen van getuigen, doch deze vertraging bedraagt in totaal nog geen zes maanden.

Een behandeling in eerste aanleg dient volgens de Hoge Raad in principe binnen twee jaren te zijn voltooid. De totale termijnoverschrijding bedraagt dus ruim één jaar en kan geheel op het conto van het openbaar ministerie worden geschreven.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. Overschrijding van deze termijn leidt naar het oordeel van de rechtbank echter niet per definitie tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Het staat de rechtbank immers vrij een lagere straf op te leggen dan zij zonder schending van de clausule zou hebben gedaan (HR 3 oktober 2000, NJ 2000,721).

De Hoge Raad overweegt: in de regel behoort overschrijding van de redelijke termijn te leiden tot strafvermindering. Voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats.

Naar het oordeel van de rechtbank is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in het arrest geen sprake. Daarom zal de rechtbank volstaan met strafvermindering.

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straffen in aanmerking de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, de eis van de officier van justitie, het pleidooi van de raadsman van de verdachte, de oriëntatiepunten voor de straftoemeting en de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 8 oktober 2005, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van misdrijven is veroordeeld.

In geval van strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn behoort de rechter in zijn uitspraak aan te geven in welke vorm of mate de straf is verlaagd. Dit betekent dat in de uitspraak ook vermeld dient te worden welke straf zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De strafvermindering is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden en gelet op de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM met ruim één jaar, van oordeel dat in dit geval in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden een taakstraf van na te melden aantal uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor na te melden tijd geboden is.

Benadeelde partij [naam benadeelde partij]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en het bewezen verklaarde schadebedrag alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De vordering acht zij dan ook tot na te noemen bedrag voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is gegrond en tot na te noemen bedrag voor toewijzing vatbaar. Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering, voor dit deel kan de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het onder 1. primair bewezen verklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Benadeelde partij [naam benadeelde partij]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. Het gevorderde bedrag acht zij voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het onder 3. primair bewezen verklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Benadeelde partij [naam benadeelde partij]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en het bewezen verklaarde schadebedrag alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De vordering acht zij dan ook tot na te noemen bedrag voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is gegrond en tot na te noemen bedrag voor toewijzing vatbaar. Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering, voor dit deel kan de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het onder 5. bewezen verklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 36f, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 4. is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1. primair, 2. primair, 3. primair en 5. tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. primair, 2. primair, 3. primair en 5. meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot:

* een taakstraf, bestaande uit 180 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast;

* een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren arbeid per dag voor de in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij] van de som van € 1948,40 en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat zij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij] van de som van € 50,-- en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij] van de som van € 1250,-- en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat zij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer], een bedrag van € 4187,18 te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 83 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer], een bedrag van € 50,-- te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door één dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer], een bedrag van € 2001,65 te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door veertig dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormelde bedragen ten behoeve van de slachtoffers de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partijen doet vervallen, alsmede dat betaling van voormelde bedragen aan de benadeelde partijen de verplichting tot betaling aan de Staat van deze bedragen doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.A.M. van Veen, voorzitter, en mr. J.J. Schoemaker en mr. M.A.F. Veenstra, rechters, in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op vrijdag 18 januari 2008. Mr. Veenstra is buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.