Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2007:BD1515

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
14-05-2008
Zaaknummer
59471 - HA ZA 06-808
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Subrogatie. Constructiefout? Verzwaarde motiveringsplicht.

Op basis van een deskundigenrapport komt de rechtbank tot de conclusie dat er geen sprake is van een gebrekkige constructie. In het licht van dit deskundigenrapport mocht van de verzekeraar worden verwacht dat zij gemotiveerd zou onderbouwen dat er sprake was van een constructiefout. Het tijdstip van protesteren – 15 maanden na schadedatum- rechtvaardigt bovendien een verzwaring van deze motiveringsplicht omdat de leverancier in deze 15 maanden niet bij de onderzoeken is betrokken en evenmin in staat is geweest zelf onderzoek aan de desbetreffende spankap te doen, nu deze is vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 59471 / HA ZA 06-808

Vonnis van 10 oktober 2007

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Leeuwarden,

eiseres,

procureur mr. J.J. Reiziger,

advocaat mr. M.J. de Vries te Groningen,

tegen

de besloten vennootschap

[GEDAAGDE],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats],

kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

gedaagde,

procureur mr. P.J.G.G. Sluyter,

advocaat mr. H. Oosterhuis te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna Achmea en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 maart 2007, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd;

- het proces-verbaal van comparitie van 17 september 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de niet of onvoldoende weersproken inhoud van overgelegde producties, staat in dit geding het volgende vast:

2.1. [gedaagde] heeft een mestsilo geleverd aan en geplaatst bij [derde] te [woonplaats]. [derde] heeft de desbetreffende orderbevestiging van [gedaagde] van 18 maart 2002 voor akkoord ondertekend. Deze orderbevestiging vermeldt een JS-spankap. Deze spankap is een tentdak en bestaat uit een foliedak met spanbanden.

2.2. Voor deze JS-spankap is een Komo® Attest / Kiwa-Geschiktheidsverklaring afgegeven, inhoudende dat de JS-spankap geschikt is voor toepassing als mestbassin en afdekking voor mestbassins. Deze verklaring houdt o.a. in, dat de afdekking aan artikel 359 van het Bouwbesluit voldoet.

2.3. Bij voormeld attest hoort: “Gebruiks- en onderhoudsvoorschrift voor de JS-spankap.”Dit voorschrift houdt een wekelijkse algehele controle in en het voorschrift dat tijdens de visuele inspectie gelet dient te worden of de spanners voldoende strak zitten. Ook houdt het gebruiks- en onderhoudsvoorschrift in dat er op gelet dient te worden dat er zich geen sneeuw bij de silorand ophoopt, waarbij wordt vermeldt: (geen plaatselijke inzakkingen). Onderdeel van de instructie is ook geweest dat de spanning van de kap (niet te slap) in de gaten moest worden gehouden.

2.4. [gedaagde] hanteert voor de betonnen silo’s + JS-spankap zoals geleverd aan [derde] een garantiecertificaat, inhoudende een garantie voor de tijd van 10 jaar. De garantiebepalingen houden in dat de opdrachtgever verplicht is het mestbassin regelmatig en grondig te inspecteren op de aanwezigheid van eventuele gebreken en dat hij gehouden is regelmatig onderhoud te plegen overeenkomstig het door de leverancier verstrekte onderhoudsvoorschrift, aan de daarvoor in aanmerking komende onderdelen. Onder de garantie vallen niet gebreken tengevolge van stuifsneeuw en de garantie vervalt indien een gebrek niet binnen twee weken na constatering is gemeld.

2.5. Op enig moment is het doek gescheurd en is de spankap ingestort. [derde] heeft op 12 mei 2005 [gedaagde] opdracht gegeven voor de plaatsing van een nieuwe

JS –silospankap. De desbetreffende order vermeldt een orderbedrag van € 26.221,65 en is door [derde] voor akkoord ondertekend. De nieuwe spankap is geleverd en geplaatst en [derde] is voor gemeld bedrag gefactureerd en hij heeft het bedrag betaald op 8 juni 2005.

2.6. Bij schrijven van 8 juni 2006 van de raadsman van Achmea is [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door [derde] geleden schade ad € 27.817,00. Dit bedrag is niet door [gedaagde] betaald. Adviesbureau ir. J. G. Hageman B.V. heeft een rapport gemaakt d.d. 20 februari 2006 inhoudende een “Beoordeling schade door sneeuwbelasting”. De conclusie in het rapport luidt:

1. De sterkte van de spankap is voldoende om de voorgeschreven sneeuwbelasting volgens NEN 6702 te dragen.

2. Voor het afvoeren van het smeltwater is het van belang dat het smeltwater over de wand kan wegstromen. Dit kan zolang het doek vanaf de wand omhoog loopt (positieve helling).

3. De spankracht per spanband, waarbij door de voorgeschreven (representatieve) sneeuwbelasting een horizontaal verlopend doek optreedt is gelijk aan 12 kN

(20 x psneeuw). Bij een lagere spankracht ontstaat een negatieve helling en is de afvoer van smeltwater niet meer gewaarborgd en bestaat de kans op wateraccumulatie.

4. Breuk in de spanbanden van een kap waarvan de kracht in alle spanbanden gelijk is, kan theoretisch alleen optreden, indien er tijdens of na het smelten van de sneeuw extra neerslag valt, De kans dat dit optreedt is volgens NEN 6702 aanvaardbaar klein (geen issue).

5. Breuk in de spanbanden kan in de praktijk optreden indien de spankracht in de spanbanden ongelijk is en bovendien de spankracht in een substantieel deel van de spanbanden lager is dan de spankracht, F = 20 x psneeuw, benodigd voor een positieve helling van het doek. In deze situatie is er bij voldoende sneeuw een gerede kans, dan er zich zoveel smeltwater op de kap verzamelt, dat de minst voorgespannen spanbanden bezwijken.

6. Spanbanbreuk door smeltende sneeuw kan voorkomen worden door de spankappen gelijkmatig te spannen. De stalen hoepel in de onderrand van het doek zorgt voor een beperkte spreiding van de kracht uit te ratelgespen over de spanbanden in het doek. Het zich verzamelen van water op de kap kan worden voorkomen door per spanband een spankracht van minimaal 12 kN (20 x psneeuw) aan te brengen. Om deze situatie te bereiken is een spanprotocol voor zowel de bouw als het gebruik essentieel. In de beschikbare stukken is niets over de benodigde voorspanning vermeld. Onbekend is of er een spanvoorschrift in het “Uitvoerings- en kwaliteitsplan voor JS-Spankap” en/of in het “Gebruiks- en onderhoudsvoorschrift voor de JS-Spankap”, waarnaar in het attest wordt verwezen, is opgenomen.

2.7. Crawford-Burggraaff heeft in opdracht van Achmea een schadeberekening gemaakt. Het rapport vermeldt o.a.:

Toedracht

Tijdens sneeuwval op 2 maart 2005 is er op het doek van de silo ongeveer 36 centimeter sneeuw gevallen. Tijdens dooi in de nacht van 6 op 7 maart 2005 is een gedeelte van het doek van de silo ingestort. De instorting werd door verzekerde op 7 maart 2005 ontdekt.

Oorzaak

Gelet op de constructie van het dak, waarbij het doek wordt gespannen met spanbanden, ging dit doek door het gewicht van de sneeuw met name onderaan doorhangen. Tijdens de plotseling invallende dooi kon het dooiwater niet snel genoeg wegstromen, daar het gedeeltelijk werd tegengehouden door de aanwezigheid van de sneeuw en is het doek nog meer gaan doorhangen, hetgeen zich heeft herhaald totdat het doek het gewicht niet meer kon dragen en gedeeltelijk instortte.

In overleg met u hebben wij de statische berekeningen opgevraagd bij de leverancier van de silo, [gedaagde] [adres], met de bedoeling deze berekeningen te laten narekenen door een erkend adviesbureau, met name of de spanbanden volgens de wettelijke norm berekend waren op hun taak.

Bevindingen/omvang van de schade

Ter plaatse stelden wij vast dat een gedeelte van het doek was ingestort. Door ons gemaakte foto’s van de situatie stelden wij reeds in uw bezit met ons voorlopig rapport.

Na overleg met de leverancier werd besloten het doek in zijn geheel te demonteren om het te kunnen repareren en te controleren of er nog meer scheurvorming in het doek aanwezig was.

Bovendien hebben wij het doek direct laten verwijderen ter voorkoming van eventuele stormschade.

Nadat de spankap was gedemonteerd bleek deze te zijn gescheurd op een punt tussen twee lassen in, van de nok tot aan de rand van de spankap. Verder waren op de gehele kap op een aantal punten scheuren aanwezig, variërend van 10 tot 50 cm, waardoor de spankap een dusdanige mechanische schade had opgelopen dat reparatie niet verantwoord was.

Schadevaststelling

In overleg met verzekerde stelden wij de schade vast als volgt:

Demonteren oude kap inclusief kraankosten en afvoeren EUR 1.500,00

Silokap - 21.876,00

EUR 23.376,00

BTW 19% - 4.441,00

Totaal inclusief BTW EUR 27.817,00

==========

(zegge: zeven en twintig duizend acht honderd zeventien euro).

3. De vordering

3.1. Achmea vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. [gedaagde] zal veroordelen om ter zake zoals in de dagvaarding omschreven aan Achmea te betalen € 27.817,00, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten ad € 4.781,33 (inclusief BTW) en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2005, te weten € 4.477,36 tot aan de dag der algehele voldoening;

b. [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten.

3.2. Achmea stelt daartoe de schade ten aanzien van de spankap aan [derde] te hebben vergoed en op grond van artikel 284 Wetboek van Koophandel te zijn gesubrogeerd in de rechten die [derde] ten opzichte van [gedaagde] had.

3.3. [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de tussen [gedaagde] en [derde] gesloten overeenkomst dan wel heeft [gedaagde] onrechtmatig jegens [derde] gehandeld.

3.4. De voorman van [gedaagde] heeft aan [derde] medegedeeld dat [derde] [gedaagde] moest alarmeren indien het doek te slap zou worden. [derde] heeft voorafgaand aan het schade-incident echter niet geconstateerd en kon niet constateren dat het doek te slap zou zijn.

3.5. Ondanks de vereiste waakzaamheid is het doek toch gescheurd. [gedaagde] heeft dus kennelijk onjuiste / onvoldoende instructies aan [derde] gegeven. [gedaagde] geeft op zijn website aan dat onderhoud niet nodig was. Er is onjuiste informatie gegeven.

3.6. Ook uit het feit dat de constructie zonder waarschuwingssysteem door [gedaagde] is geleverd volgt dat [gedaagde] niet aan haar verplichtingen heeft voldaan. Door het ontbreken van een waarschuwingssysteem beantwoordde de mestsilo niet aan de overeenkomst.

3.7. Ook kan worden gesproken van een constructiefout. [gedaagde] heeft zijn zorgverplichting geschonden. [derde] heeft de spankap steeds in de gaten gehouden en het doek vertoonde geen zichtbare doorzak- of wapperverschijnselen. [derde] is niet bekend met een garantiecertificaat. De inhoud daarvan kan [derde] niet regarderen.

4. Het verweer

4.1. [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Bij de levering is ook een gebruiks- en onderhoudsvoorschrift voor de spankap overhandigd, alsmede een garantiecertificaat. Het gestelde gebrek is niet binnen de in het garantiecertificaat vermeld termijn van twee weken gemeld aan [gedaagde].

4.2. Onderdeel van de overige instructie is dat de spankap in de gaten moest worden gehouden, in het bijzonder in geval van zware weersomstandigheden. [gedaagde] betwist dat er sprake is geweest van voorafgaande waakzaamheid aan de zijde van [derde].

4.3. [gedaagde] heeft nimmer enig bericht van [derde] of Achmea of deskundigen ontvangen dat er op zou kunnen wijzen dat [gedaagde] aansprakelijk werd geacht voor de ontstane schade. Pas 15 maanden na de gestelde schadedatum ontvangt zij van de raadsman van Achmea een aansprakelijkheidsstelling.

4.4. Achmea toont niet aan dat zij de betreffende schade aan [derde] heeft voldaan.

4.5. [gedaagde] beroept zich nadrukkelijk op het bepaalde in artikel 7:23 BW, althans op artikel 6:89 BW, althans op rechtsverwerking. [gedaagde] is nimmer aansprakelijk gesteld en is niet nauw bij de diverse onderzoeken betrokken geweest. [gedaagde] is daardoor ook de mogelijkheid ontnomen de verwijderde spankap nader te laten onderzoeken. [derde] had kunnen begrijpen dat daar waar sprake is van een spankap er bij zwaardere weersomstandigheden moet worden gekeken of de kap voldoende gespannen is, zulks geldt ook bij sneeuwval. Er had sneeuwvrij moeten worden gemaakt. Dit heeft [derde] kennelijk niet gedaan en hij heeft in alle rust de dooi afgewacht. Dit is een nalaten van [derde] dat voor diens rekening en risico komt. Er is sprake van eigen schuld ex artikel 6:101 BW.

4.6. Dat het ontbreken van een waarschuwingssysteem zou maken dat er sprake is van een constructiefout wordt op geen enkele wijze onderbouwd en gaat niet op. [gedaagde] betwist de conclusies uit de overgelegde rapporten.

4.7. Ten aanzien van de schade merkt [gedaagde] op, dat de spankap drie jaar oud was en dat er met een afschrijving van 30% moet worden gerekend.

4.8. Voor zover van belang zal bij de beoordeling van het geschil nader op het verweer worden ingegaan.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Bij de beoordeling van deze zaak dient voorop te staan dat eiseres Achmea optreedt als de gesubrogeerde verzekeraar die tegenover [gedaagde] - volgens Achmea een aansprakelijke derde - een vordering instelt ter zake van de door haar aan [derde] vergoede schade.

5.2. Krachtens artikel 7:962 BW is voor een dergelijke subrogatie vereist, dat de verzekerde ter zake van deze schade een vordering tot schadevergoeding op deze derde heeft.

Indien dit het geval is kan de verzekeraar echter tegenover de aansprakelijke derde niet meer rechten uitoefenen dan dat de verzekerde zelf had. Het verhaal door Achmea kan nimmer tot een hogere uitkering leiden dan waarop [derde] zelf jegens [gedaagde] aanspraak had kunnen maken. Anderzijds kan [gedaagde] zich tegenover Achmea op dezelfde verweermiddelen beroepen als tegenover [derde] zelf.

5.3. In verband met het voorgaande is van belang dat [gedaagde] heeft ontkend, dat Achmea schade heeft vergoed aan [derde]. De rechtbank heeft inderdaad geen bescheiden aangetroffen, waaruit blijkt dat en zo ja hoeveel schade Achmea aan [derde] heeft vergoed. Gezien de betwisting door [gedaagde] zal Achmea nog moeten bewijzen dat en in hoeverre zij schade aan [derde] heeft uitgekeerd.

5.4. De rechtbank zal echter wel eerst haar verdere beoordeling geven, waarbij zij er voorshands van uit zal gaan dat het door Achmea gevorderde bedrag inderdaad wel is uitgekeerd. Ter beoordeling ligt dan voor de vraag welke rechten (op schadevergoeding) [derde] zelf had jegens [gedaagde]. Is [gedaagde] een verbintenis jegens [derde] niet nagekomen? De beantwoording van deze vraag is relevant, omdat immers iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar verplicht de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend.

5.5. Naar het oordeel van de rechtbank had [gedaagde] jegens [derde] de verplichting om een mestsilo te leveren en te plaatsen met een JS-spankap die conform de

Komo® Attest / Kiwa-gechiktheidsverklaring voldeed aan artikel 359 van het Bouwbesluit. Geleverd moest worden een JS-spankap die bij gebruik conform de in de geschiktheidsverklaring genoemde “Gebruiks- en onderhoudsvoorschrift voor de

JS-spankap” en conform de tot het gebruik en onderhoud door of vanwege [gedaagde] gegeven overige instructies geschikt was - de juiste eigenschappen bezat - om als afdekking te dienen voor het mestbassin van [derde]. Bezat de spankap mede er op gelet dat zij moest dienen als afdekking van een betonnen mestsilo en mede gelet op de vorenbedoelde gebruiks- en onderhoudsinstructies die eigenschappen die [derde] op grond van de overeenkomst mocht verwachten?

5.6. De rechtbank verstaat in dit verband Achmea aldus, dat zij onder verwijzing naar het rapport Hageman stelt dat de oorzaak van het bezwijken van de spankap is geweest het onvoldoende aangespannen zijn van de spanbanden. Dit had [derde], zo begrijpt de rechtbank Achmea, van buiten af niet kunnen waarnemen. [derde] heeft voorafgaande aan het schade-incident niet geconstateerd en heeft niet kunnen constateren dat het doek te slap zou zijn. [gedaagde] heeft [derde] onjuiste en onvolledige instructies gegeven en/of zij heeft een gebrekkige constructie geleverd.

5.7. De rechtbank is hierbij van oordeel, dat het [derde] duidelijk moet zijn geweest, dat het van essentieel belang was, dat de spanners voldoende strak zaten; dat hij goed de gaten moest houden of “het kleed te slap” zou worden. De aangehaalde woorden zijn uit de eigen schriftelijke verklaring van [derde] d.d. 9 maart 2005, die door Achmea is overgelegd. Met deze verklaring is voldoende aannemelijk gemaakt, dat [derde] wist dat hij er voor diende te zorgen dat hij voor een gelijkmatige spanning van de spankap moest zorgen en dat hij zonodig [gedaagde] moest bellen om de kap aan te spannen.

Uit de verklaring blijkt ook, dat de kap in het najaar van 2003 nog kosteloos is nagespannen. Hiermee wordt de stelling van Achmea, dat [gedaagde] onjuiste en onvoldoende instructies aan [derde] heeft gegeven verworpen.

5.8. Indien en voor zover Achmea heeft willen stellen dat na de sneeuwval, maar ook tijdens de dooi niet te zien was dat het doek te slap hing, wordt deze stelling eveneens gepasseerd. [derde] had zich bewust moeten zijn van het belang van het voorkomen van doorhangen. Hij had zich er van dienen te overtuigen door het sneeuwvrij maken van de kap, dat het doek onder de sneeuw of ijskap niet doorhing.

5.9. [derde] heeft in zijn aangehaalde verklaring van 9 maart 2005 ook verklaard dat hij altijd “tijdens wind of stormpjes” in de gaten hield of het doek te slap hing. Dit extra in de gaten houden bij bepaalde weersomstandigheden gold des te meer bij sneeuwval en daarop invallende dooi en [derde] had zich dit dienen te realiseren en had dienovereenkomstig moeten handelen.

5.10. Nu [derde] wist van het belang van de gelijkmatige en juiste spanning kan bovendien in het midden blijven of de als productie 1 bij conclusie van antwoord overgelegde voorschriften al dan niet ter hand zijn gesteld. Het enkele feit dat [gedaagde] kennelijk op haar site stelt dat een betonsilo geen onderhoud nodig heeft doet aan het voorgaande niet af, nu deze opmerking, gezien de context waarin zij is geplaatst veeleer betrekking heeft op het beton en niet op de spankap.

5.11. Nu de relevante vraag of een te slappe of ongelijkmatige spanning van de spankap oorzaak is geweest van de breuk positief wordt beantwoord; ook door Achmea wordt erkend en de rechtbank van oordeel is dat [derde] daar een verwijt van valt te maken, is de rechtbank vervolgens van oordeel, dat [gedaagde] op het punt van instructies aan de zijde van [gedaagde] niet toerekenbaar tekort is geschoten.

5.12. Achmea heeft voorts gesteld dat er een gebrekkige constructie is geleverd. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. De rechtbank verwijst in de eerste plaats naar de conclusies uit het rapport van Hageman. In punt 1 wordt gesteld dat de sterkte van de spankap voldoende is om de voorgeschreven sneeuwbelasting volgens NEN 6702 te dragen. In punt 3 wordt gesteld, dat bij de juiste spankracht per spanband afvoer van smeltwater is gewaarborgd. In punt 4 van de conclusies wordt gesteld, dat breuk in de spanbanden van een kap waarvan de kracht in alle spanbanden gelijk is geen issue is. In punt 5 van de conclusies wordt gesteld, dat breuk in de spanbanden kan optreden indien de spankracht in de spanbanden ongelijk is en bovendien de spankracht in een substantieel deel van de spanbanden lager is dan de spankracht die nodig is voor een positieve helling van het doek. In deze situatie, zo vermelden de conclusies, is er bij voldoende sneeuw een gerede kans, dat er zich zoveel smeltwater op de kap verzamelt, dat de minst voorgespannen spanbanden bezwijken. Spanbandbreuk door smeltende sneeuw, zo vermelden de conclusies uit het rapport Hageman ten slotte, kan worden voorkomen door een gelijkmatige spanning. Een spanprotocol is essentieel, aldus het rapport Hageman.

5.13. In het rapport Hageman kan naar het oordeel van de rechtbank geen steun worden gevonden voor de stelling van Achmea dat er een gebrekkig product is geleverd. Veeleer volgt uit dit rapport dat de spankap aan alle daaraan te stellen eisen voldoet en dat bij een juiste en gelijkmatige spanning spanbandbreuk zou zijn voorkomen.

5.14. De rechtbank is van oordeel, dat Achmea niet, althans in onvoldoende mate aan haar stel- c.q. motiveringsplicht heeft voldaan. Het enkele feit dat de spankap is gescheurd en ingestort wettigt niet zonder meer de conclusie dat er sprake is geweest van een constructiefout. Niet althans onvoldoende is gemotiveerd onderbouwd dat de spankap en spanbanden volgens wettelijke of contractuele normen niet voor hun taak berekend waren. Integendeel uit het door Achmea zelf overgelegde rapport Hageman vloeit veeleer voort dat zij wel voor hun taak berekend waren.

5.15. In het bijzonder in het licht van dit rapport van Hageman mocht van Achmea worden verwacht dat zij gemotiveerd zou onderbouwen, dat er ten aanzien van de spankap van [derde], niettegenstaande de bevindingen in het rapport Hageman, toch sprake was van een constructiefout. Aan deze motiveringsplicht wordt door de rechtbank des te meer gewicht toegekend vanwege het volgende.

5.16. Het processueel evenwicht tussen partijen is door [derde] / Achmea naar het oordeel van de rechtbank dermate verstoord dat een herstel door verzwaring van de motiveringsplicht op zijn plaats is. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. [gedaagde] heeft tot de brief (aansprakelijkheidsstelling) d.d. 8 juni 2006 van de raadsman van Achmea op geen enkele wijze er rekening mee gehouden, noch behoren te houden dat hij ter zake van de gescheurde en ingestorte spankap aansprakelijk zou worden gehouden door [derde] of diens verzekeraar.

5.17. Gedurende de 15 maanden na de schadegebeurtenis hebben [derde] noch diens verzekeraar aanleiding gegeven te veronderstellen dat [gedaagde] aansprakelijk zou worden gehouden voor de gestelde schade. Integendeel, de gang van zaken is aldus geweest, dat [derde] een nieuwe spankap heeft besteld, de daarvoor gezonden factuur zonder protest heeft behouden en vervolgens heeft betaald.

5.18. Alhoewel het tijdstip van protesteren in verband met het gestelde gebrek wel aan de late kant is, is zij naar het oordeel van de rechtbank nog niet zodanig laat dat dit rechtsverlies met zich mee zou moeten brengen. De rechtbank acht het niet in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid dat Achmea de uitkomsten van de onderzoeken heeft willen afwachten. Nu binnen bekwame tijd na het gereedkomen van de onderzoeken [gedaagde] aansprakelijk is gesteld, kan er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn van rechtsverlies door niet-tijdig protesteren.

5.19. Wel rechtvaardigt het tijdstip van protesteren, 15 maanden na de schadegebeurtenis, dat dit een verzwaring van de motiveringsplicht met zich meebrengt, temeer daar [gedaagde] in deze 15 maanden niet bij de onderzoeken is betrokken en evenmin in staat is geweest zelf onderzoek aan de desbetreffende spankap te doen, nu deze is vernietigd. Dit heeft bewijsproblemen voor [gedaagde] me zich meegebracht.

5.20. De stellingen van Achmea dat de spankap niet aan de overeenkomst heeft beantwoord vanwege het ontbreken van een waarschuwingssysteem dan wel vanwege het geven van onjuiste informatie worden door de rechtbank verworpen.

Ten aanzien van dit laatste moge de rechtbank verwijzen naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen omtrent het bekend zijn bij [derde] dat een gelijkmatige juiste spanning essentieel was en ten aanzien het waarschuwingssysteem is de rechtbank van oordeel, dat door Achmea geen feiten en omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan de rechtbank tot de conclusie kan komen dat [derde], mede gelet op de aard van de spankap, zijnde bestemd om te dienen als afdekking van een mestsilo en de mededelingen die [gedaagde] over deze spankap heeft gedaan, op grond van de overeenkomst mocht verwachten dat er een waarschuwingssysteem bij geleverd zou worden.

5.21. De rechtbank merkt nog op, dat Achmea niet ten eigen faveure een beroep op het garantiecertificaat (garantietermijn) kan doen. Zij heeft immers zelf gesteld, dat zij dit garantiecertificaat niet heeft ontvangen en dat de inhoud daarvan “haar dan ook niet kan regarderen”.

5.22. Samenvattend is de rechtbank van oordeel, dat er aan de zijde van [gedaagde] geen sprake is geweest van een toerekenbare tekortkoming jegens [derde], noch dat er overigens sprake is geweest van een onrechtmatig handelen van [gedaagde]. De rechtbank ziet het als volgt. Het vorenvermelde tekortschieten van [derde] in de naleving van de onderhoudsvoorschriften (het zorgen voor een juiste en gelijkmatige spanning) is aan te merken als een gedraging tengevolge waarvan een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen. Nu dit risico zich heeft verwezenlijkt is daarmede naar het oordeel van de rechtbank het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel gegeven. Het was in beginsel aan Achmea om te bewijzen dat die schade ook bij een juiste en gelijkmatige spankracht was ontstaan, omdat er sprake was van een gebrekkig product. Aangezien Achmea, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen niet aan haar (verzwaarde) motiveringsplicht heeft voldaan, acht de rechtbank dit causaal verband door Achmea niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist, waardoor de rechtbank dit causaal verband als vaststaand aanneemt.

5.23. Het vorenstaande leidt er toe dat de vorderingen van Achmea zullen worden afgewezen en dat zij als de volledig in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten zal worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht € 815,00

- overige kosten 11,34

- salaris procureur 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 1.984,34

BESLISSING

De rechtbank

1. wijst de vorderingen af,

2. veroordeelt Achmea in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.984,34,

3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wolthuis en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2007.