Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2007:BC1021

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
02-01-2008
Zaaknummer
830263-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De straf die de rechtbank zal opleggen, is beduidend lager dan de officier van justitie heeft geëist. Een wezenlijke factor in dit verband is het feit dat de officier van justitie blijkens zijn requisitoir is uitgegaan van een bewezenverklaring van het onder 1 en onder 2 primair tenlastegelegde, terwijl de rechtbank slechts komt tot een bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde.

De rechtbank betrekt verder in haar oordeel dat verdachte zich bij het opsporingsonderzoek zeer meewerkend en open heeft opgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830263-07

vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 21 december 2007 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 1984,

wonende te [adres verdachte],

verblijvende in PI [plaats van detentie verdachte].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 11 december 2007.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.C. Swier, advocaat te Amsterdam.

De officier van justitie, mr. G. Souër, acht hetgeen aan de verdachte onder 3 is tenlastegelegd niet wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank verdachte daarvan zal vrijspreken. Hij acht hetgeen aan de verdachte onder 1 en onder 2 primair is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Tenlastelegging

De verdachte is ingevolge de ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1. zij op of omstreeks 10 augustus 2006, althans in of omstreeks de maand augustus 2006, te Schiphol, althans in de gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (vanuit Peru) binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een (grote) hoeveelheid (enkele kilogrammen) cocaïne, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, althans een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2. zij in of omstreeks de periode van 18 september 2006 tot en met 29 december 2006, te Lima, althans te Peru, ter uitvoering van het door verdachte en haar, verdachte's mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, opzettelijk (vanuit Peru) binnen het grondgebied van Nederland en/of Spanje

te brengen (ongeveer) 8,392 kilogram, althans een (grote) hoeveelheid cocaïne, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, althans een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

- die cocaïne, althans dat middel, heeft/hebben verpakt/verwerkt, althans laten/doen verpakken/verwerken in een koffer en/of

- een vlucht met (eind)bestemming Nederland hebben/heeft geboekt en/of

- zich hebben/heeft begeven naar de luchthaven van Lima (Peru) en/of

- de koffer(s), bevattende cocaïne, althans dat middel, heeft/hebben vervoerd naar die luchthaven en/of ter transportering naar (de eindbestemming) Nederland heeft/hebben aangeboden, waarbij verdachte

- de reis van verdachte's mededader [naam medeverdachte] van Nederland naar Peru (en terug) heeft betaald, wetende dat [naam medeverdachte] op de terugreis (naar Nederland) cocaïne mee zou nemen en/of

- medeverdachte [naam medeverdachte] in Lima (Peru) naar het vliegveld heeft gebracht, wetende dat die [naam medeverdachte] (een grote hoeveelheid) cocaïne in haar bagage had,

welk voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

[naam medeverdachte] in of omstreeks de periode van 18 september 2006 tot en met 29 december 2006, te Lima, althans te Peru, ter uitvoering van het door die [naam medeverdachte] en/of haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (vanuit Peru) binnen het grondgebied van Nederland te brengen

(ongeveer) 8,392 kilogram, althans een (grote) hoeveelheid cocaïne, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, althans een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

- die cocaïne, althans dat middel, heeft/hebben verpakt/verwerkt, althans laten/doen verpakken/verwerken in een koffer en/of

- een vlucht met (eind)bestemming Nederland hebben/heeft geboekt en/of

- zich hebben/heeft begeven naar de luchthaven van Lima (Peru) en/of

- de koffer(s), bevattende cocaïne, althans dat middel, heeft/hebben vervoerd naar die luchthaven en/of ter transportering naar (de eindbestemming) Nederland heeft/hebben aangeboden, welk voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

bij het plegen van dat (voorgenomen) misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 18 september 2006 tot en met 29 december 2007, te Lima, althans te Peru, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welk (voorgenomen) feit verdachte opzettelijk in de periode van 18 september 2006 tot en met 29 december 2006, te Peru, gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door

- de (vlieg)reis van die [naam medeverdachte] van Nederland naar Peru te betalen/financieren en/of

- die [naam medeverdachte] en de door die [naam medeverdachte] en/of verdachte meegevoerde cocaïne, althans dat middel naar het vliegveld te brengen/te begeleiden;

3. zij in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 15 februari 2007, te Hoogeveen, althans in Nederland en/of te Peru, heeft deelgenomen aan een organisatie,die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het binnen het grondgebied brengen van cocaïne en/of (andere) middelen, vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, immers heeft verdachte

- zich tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de periode van 15 juli 2006 tot 10 augustus 2006 naar Peru begeven teneinde daar een hoeveelheid cocaïne, althans een (ander) middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in ontvangst te nemen en/of

- tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op of omstreeks 10 augustus 2006 een (grote) hoeveelheid cocaïne, althans een (ander) middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, binnen het grondgebied van Nederland gebracht en/of

- zich tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op of omstreeks 20 september 2006 (opnieuw) naar Peru begeven en daar betrokken is geweest en/of in contact is geweest met een organisatie/een persoon/personen die zich bezighoudt/bezighouden/bezighield(en) met de export van cocaïne, althans een (ander) middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I naar (ondermeer) Nederland;

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

De verdachte dient van het haar onder 1 tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank meent dat niet is komen vast te staan dat de verdachte op of omstreeks 10 augustus 2006 een grote hoeveelheid cocaïne dan wel een materiaal bevattende cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

De verdachte dient eveneens van het haar onder 2 primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht met name niet bewezen, dat er een zodanige bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en haar medeverdachte was dat hier gesproken kan worden van het medeplegen van het feit door de verdachte. De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte medeplichtig is geweest bij de poging cocaïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen.

De verdachte dient ook van het haar onder 3 tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit feit, evenals de officier van justitie en de raadsman van de verdachte, niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Bewijsmiddelen

Overeenkomstig de nader op te nemen bewijsconstructie.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

[naam medeverdachte] in de periode van 18 september 2006 tot en met 29 december 2006, te Lima, ter uitvoering van het door die [naam medeverdachte] voorgenomen misdrijf opzettelijk vanuit Peru binnen het grondgebied van Nederland te brengen ongeveer 8,392 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1,

- die cocaïne heeft laten verpakken in een koffer en

- zich heeft begeven naar de luchthaven van Lima (Peru) en

- de koffers, bevattende cocaïne, heeft vervoerd naar die luchthaven en ter transportering naar de eindbestemming Nederland heeft aangeboden, welk voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

bij het plegen van welk voorgenomen misdrijf verdachte in de periode van 18 september 2006 tot en met 29 december 2006 te Lima opzettelijk behulpzaam is geweest door

- de vliegreis van die [naam medeverdachte] van Nederland naar Peru te financieren en

- die [naam medeverdachte] en de door die [naam medeverdachte] meegevoerde cocaïne naar het vliegveld te begeleiden;

De verdachte zal van het onder 2 subsidiair meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplichtigheid aan een poging tot het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet junctis artikelen 45 en 48 van het Wetboek van Strafrecht;

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit;

- de omstandigheden waaronder dit feit is begaan;

- hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon

van de verdachte;

- de eis van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman van de verdachte;

- de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 19 februari 2007, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

De straf die de rechtbank zal opleggen, is beduidend lager dan de officier van justitie heeft geëist. Een wezenlijke factor in dit verband is het feit dat de officier van justitie blijkens zijn requisitoir is uitgegaan van een bewezenverklaring van het onder 1 en onder 2 primair tenlastegelegde, terwijl de rechtbank slechts komt tot een bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde.

De rechtbank betrekt verder in haar oordeel dat verdachte zich bij het opsporingsonderzoek zeer meewerkend en open heeft opgesteld.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een gevangenisstraf voor de duur van 480 dagen met aftrek, waarvan een gedeelte van 172 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren geboden is.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1, onder 2 primair en onder 3 is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 2 subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot gevangenisstraf voor de duur van 480 dagen, waarvan een gedeelte groot 172 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank beveelt, dat het voorwaardelijk gedeelte van de opgelegde straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Münzebrock, voorzitter, en mr. N.R. Boonstra en mr. H.K. Elzinga, rechters, in tegenwoordigheid van J. Bos, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 21 december 2007, zijnde mr. H.K. Elzinga buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.