Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2007:BC0099

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
18-12-2007
Datum publicatie
18-12-2007
Zaaknummer
19.606709-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het moet er voor worden gehouden dat verdachte bij het uitvoeren van de manoeuvre, gelet op het karakter van deze bijzondere verrichting, die overigens niet bij enige wetsbepaling is verboden, de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen. De rechtbank overweegt daarbij uitdrukkelijk dat getuige [naam getuige], toen zij zag dat de motorrijder vol in de voorkant van de auto botste, nog alle tijd had om te remmen. Indien ook de heer [naam motorrijder] zich aan de toegestane maximum snelheid van 80 km/u had gehouden had het ongeval zeker voorkomen kunnen worden.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2008/3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19/606709-06

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 december 2007 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 1957,

wonende te [adres verdachte].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 30 oktober en 4 december 2007.

De verdachte is verschenen ter terechtzitting van 4 december 2007. Hij werd bijgestaan door mr. E. van der Meer, advocaat te Leeuwarden.

De officier van justitie, mr. S. Kromdijk, acht hetgeen primair is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen: een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden, waarvan een gedeelte, groot zes maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat hij op of omstreeks 08 oktober 2006 te Bovensmilde, gemeente Midden-Drenthe, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Norgervaart zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, nabij

perceelnummer 6 met zijn auto op die weg is gaan keren en/of bij deze bijzondere manoeuvre met zijn auto dwars op de weg is komen te staan, waarbij een op die weg naderende bestuurder van een motor tegen de door verdachte bestuurde auto is aangereden/gebotst, waardoor

- die motorrijder (genaamd [naam motorrijder] zwaar lichamelijk letsel, te weten diverse botbreuken en/of een longkneuzing en/of

- een passagier op die motor (genaamd [naam passagier]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een openbeenfractuur en/of een onderbeenfractuur en/of een ribfractuur, of zodanig lichamelijk letsel(s) werd(en) toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de

uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

terzake dat

hij op of omstreeks 08 oktober 2006 te Bovensmilde, gemeente Midden-Drenthe, als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, de Norgervaart, nabij perceelnummer 6 met zijn auto op die weg is gaan keren en/of bij deze bijzondere manoeuvre met zijn auto dwars op de weg is komen te staan, waarbij een op die weg naderende bestuurder van een motor tegen de door verdachte bestuurde auto is aangereden/gebotst, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

De rechtbank betreurt het dat in de verkeersongevalsanalyse geen aandacht is besteed aan de snelheid van de motor op het moment van de botsing. Dit was op grond van de plaats waar de motor de auto heeft geraakt, de positie van de auto na de botsing, de schade aan beide voertuigen en de afstand waarover de duopassagier van de motor werd gelanceerd zeer waarschijnlijk mogelijk geweest.

Toch is wel iets te zeggen over de snelheid waarmee de motorrijder, de heer [naam motorrijder], heeft gereden. Allereerst is daar de verklaring van de heer [naam motorrijder] zelf, die op dossierpagina 41 van het proces-verbaal verklaart dat hij ongeveer 110 km/u reed en in de derde versnelling. Uit de verkeersongevalsanalyse is gebleken dat de motor in de vierde versnelling stond (pagina 4).

Getuige [naam getuige] (dossierpagina 35) verklaart dat zij, rijdend in de richting van Norg, met hoge snelheid werd ingehaald door een motor. [naam getuige] reed op dat moment ongeveer 80 km/u en reed, zo kan uit haar verklaring worden afgeleid, op de Norgervaart.

Getuige [naam getuige], dossierpagina 29, verklaart dat hij aan de Hoofdvaartsweg stond en in de richting van de Norgervaart keek. Hij zag dat over die weg een motorfiets reed. Aan het geluid hoorde hij dat die heel snel optrok en wel tot vijf maal vlot schakelde.

Op grond van deze bevinding en verklaringen acht de rechtbank aannemelijk geworden dat de heer [naam motorrijder] voor de botsing op het rechte stuk van de Norgervaart minimaal veertig kilometer boven de toegestane maximumsnelheid van 80 km/u heeft gereden.

Had verdachte de motorrijder moeten zien aankomen? De officier van justitie vindt van wel. Zij meent dat verdachte een grove verkeersfout heeft gemaakt en zeer onoplettend is geweest. Dit standpunt kan slechts worden volgehouden indien de botsing zou hebben plaatsgehad op het moment dat verdachte zijn manoeuvre begon uit te voeren.

Verdachte keerde zijn auto maar kon deze manoeuvre echter niet in één keer uitvoeren. Hij stopte halverwege en wilde net achteruit rijden om de manoeuvre daarna af te maken. Op dat moment vond de botsing plaats.

De rechtbank gaat ervanuit dat het eerste deel van de manoeuvre van verdachte naar redelijke schatting (vijf tot) zes seconden in beslag heeft genomen. In die tijd heeft de heer [naam motorrijder] met zijn motor, uitgaande van een gereden snelheid van 120 km/u, een afstand van zo'n 200 meter afgelegd.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij, alvorens de manoeuvre uit te voeren, goed heeft gekeken of de weg vrij was. Hij zag geen verkeer aankomen. Ook zijn vriendin verklaart dat de gehele weg vrij was (dossierpagina 25).

De rechtbank heeft op grond van de verklaring van de getuige [naam getuige], die verklaart dat hij net door de bocht was gereden en op het rechte stuk van de Norgervaart kwam en in de verte zag dat er wat gebeurd was (dossierpagina 33) en op grond van overzichtsfoto nr. 4 op pagina 10 van het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, in onderling verband en samenhang beschouwd met de snelheid waarmee de motor heeft gereden, geen aanleiding gevonden de verklaring van verdachte en zijn vriendin dat de rijweg van de Norgervaart op het moment van het begin van de manoeuvre inderdaad vrij was, in twijfel te trekken.

Het moet er dan ook voor worden gehouden dat verdachte bij het uitvoeren van de manoeuvre, gelet op het karakter van deze bijzondere verrichting, die overigens niet bij enige wetsbepaling is verboden, de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen. De rechtbank overweegt daarbij uitdrukkelijk dat getuige [naam getuige], toen zij zag dat de motorrijder vol in de voorkant van de auto botste, nog alle tijd had om te remmen. Indien ook de heer [naam motorrijder] zich aan de toegestane maximum snelheid van 80 km/u had gehouden had het ongeval zeker voorkomen kunnen worden.

De verdachte dient van het primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zeer, althans aanmerkelijk onoplettend is geweest.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande evenmin wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte subsidiair is tenlastegelegd.

Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 stelt als minimumeis een zekere mate van concreet gevaarscheppend gedrag aan de zijde van verdachte. Daarvan is, zoals hierboven is overwogen, echter niet gebleken.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Münzebrock, voorzitter, en mr. N.R. Boonstra en mr. M.R.M. Beaumont, rechters, in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op dinsdag 18 december 2007. Mr. Beaumont is buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.