Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2007:BB1062

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
03-08-2007
Zaaknummer
60213 - HA ZA 07-48
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onwettig kind vordert na gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in 2005 haar deel in de nalatenschap van haar in 1982 overleden vader.

In dit vonnis wordt het volgende beslist:

1. Het beroep op de legitieme is tijdig gedaan, hoewel de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap door de rechtbank in kracht van gewijsde ging nadat de termijn die in het nieuwe erfrecht geldt voor een beroep op de legitieme was verlopen (verdragsconforme interpretatie van art 4:85 juncto art.128 lid 2 Overgangswet NBW).

2. Beroep op de vernietiging van de verdeling is te laat gedaan, omdat het gaat om de verdeling van registergoed, die volgens art.3: 50, lid 2 niet buitengerechtelijk kan gebeuren. De vordering had op grond van art.3: 195 BW moeten worden ingesteld binnen een jaar nadat de beschikking inzake de vaststelling van het vaderschap in kracht van gewijsde is gegaan. Dit is niet gebeurd.

3. Wel kan eiseres op de voet van art.1: 207, lid 5 BW meedelen in het deel van de nalatenschap (alles behalve onroerende zaak) dat niet verdeeld was. Gedaagden moeten aantonen, dat dit geheel verteerd is, zoals zij stellen. De rechtbank gaat ervan uit, dat er geen verplichting bestaat tot teruggave van vermogensrechtelijke voordelen, maar dat wat niet verteerd is in de loop van de tijd is vermeerderd door normale belegging van effecten en banksaldi.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 60213 / HA ZA 07-48

Vonnis van 25 juli 2007

in de zaak van

[EISERES],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

toegevoegd procureur mr. A.G. Eding,

tegen

1. [GEDAAGDE SUB 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

niet bij procureur verschenen,

2. [GEDAAGDE SUB 2],

wonende te [woonplaats],

3. [GEDAAGDE SUB 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur mr. H.J. de Ruijter,

advocaat mr. E. Leentjes te Groningen.

in conventie en in reconventie

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 maart 2007, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd;

- de conclusie van antwoord in reconventie 11 april 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 9 september 1982 is in Emmen overleden [erflater]. In zijn testament van 23 maart 1979 worden gedaagden sub 2 en 3 tot erfgenamen benoemd, terwijl aan gedaagde sub 1 het recht van vruchtgebruik wordt gelegateerd.

Bij de akte van verdeling van 26 mei 1994 werd vastgesteld, dat gedaagden sub 2 en 3 ieder voor 13/32 tot de nalatenschap zijn gerechtigd.

De inmiddels overleden [erfgenaam van erflater] was voor 3/16e gerechtigd. Bij die akte werd overgegaan tot de verdeling van het tot de nalatenschap behorende registergoed. Voor het overige is de nalatenschap onverdeeld gebleven.

2.2. Op 25 mei 2005 heeft deze rechtbank vastgesteld, dat [eiseres] de dochter is van wijlen [erflater].

2.3. Op 12 november 2003 heeft [eiseres] in een brief aan de raadsvrouwe van [gedaagden sub 2 en 3](mr. Poortman-de Boer) een beroep op haar legitieme portie gedaan. Op 1 februari 2006 heeft zij middels een brief van haar raadsvrouwe gericht aan de advocaat van [gedaagden sub 2 en 3] de akte van verdeling van de nalatenschap vernietigd en [gedaagden] gesommeerd haar inzage te geven in de akte van verdeling.

3. De wederzijdse standpunten in conventie

3.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover de wet zulks toelaat, uitvoerbaar bij voorraad [gedaagden] zal veroordelen om:

1) aan [eiseres] te overhandigen de volledige akte van verdeling d.d. 26 mei 1994 van de nalatenschap van wijlen [erflater] verbeurte van een dwangsom van EUR 500,00 per dag dat [gedaagden] in gebreke blijven hieraan te voldoen, na betekening van dit vonnis;

2) primair: de akte van verdeling van de nalatenschap d.d. 26 mei 1994 te vernietigen en te verklaren voor recht dat [eiseres] voor 3/16 deel gerechtigd is tot het onverdeelde aandeelde in de nalatenschap;

subsidiair: [eiseres] inzage te geven in de volledige akte van verdeling d.d. 26 mei 1994; [eiseres] een overzicht te verstrekken van het thans nog bij hen aanwezige vermogen uit de nalatenschap van wijlen [erflater];

aan [eiseres] te betalen de waarde van haar aandeel in het thans nog aanwezige vermogen van de nalatenschap van wijlen [erflater] voor zover thans nog bij [gedaagden] aanwezig aan de hand van een door notaris Prins te Exloo, dan wel een door haar aan te wijzen plaatsvervanger, gemaakte berekening van het aandeel dat [eiseres] uit de nalatenschap van wijlen [erflater] toekomt, op verbeurte van een dwangsom van EUR 500,00 per dag dat [gedaagden] in gebreke blijven hieraan te voldoen, na betekening van dit vonnis;

meer subsidiair: [eiseres] inzage te geven in de volledige akte van verdeling d.d. 26 mei 1994;

[eiseres] een overzicht te verstrekken van het thans nog bij hen aanwezige vermogen uit de nalatenschap van wijlen [erflater];

aan [eiseres] te betalen de waarde van haar aandeel in het thans nog aanwezige vermogen van de nalatenschap ten tijde van de verdeling d.d. 26 mei 1994 van wijlen [erflater] voor zover thans nog bij [erflater] aanwezig aan de hand van een door notaris Prins te Exloo, dan wel een door haar aan te wijzen plaatsvervanger, gemaakte berekening van het aandeel dat [eiseres] uit de nalatenschap van wijlen [erflater] toekomt, op verbeurte van een dwangsom van EUR 500,00 per dag dat [gedaagden] in gebreke blijven hieraan te voldoen, na betekening van dit vonnis;

3) aan [eiseres] te voldoen de buitengerechtelijke incassokosten ad EUR 904,00.

Met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure.

3.2. [gedaagden] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dit zal, voor zover relevant worden besproken, bij de beoordeling.

4. Beoordeling in conventie

4.1. [eiseres] wenst alsnog haar deel in de nalatenschap van haar vader te ontvangen. Zij stelt in verband daarmee een aantal vorderingen in, waarvan de rechtbank die sub 2 als de hoofdvordering beschouwt. Deze zal dus als eerste worden besproken.

4.2. Primair vordert zij vernietiging van de akte van verdeling van 26 mei 1994. Zij stelt daartoe, dat zij op grond van artikel 1:207, lid 5 BW met terugwerkende kracht in een familierechtelijke relatie tot [erflater] staat, sinds de rechtbank heeft vastgesteld, dat [erflater] haar vader was. Zij heeft daarom een beroep gedaan op schending van haar legitieme portie en de nietigheid van de verdeling ingeroepen, omdat niet alle deelgenoten daarbij betrokken blijken te zijn geweest.

4.3. [gedaagden] menen, dat zij niets heeft te vorderen, omdat de vordering is verjaard. Partijen hebben de rechtbank verzocht uitspraak te doen over dit formele verweer, alvorens een comparitie te houden.

4.4. Het eerste verweer is dat [eiseres] niet tijdig beroep op de schending van haar legitieme portie heeft gedaan. Immers, zo betoogt de advocaat van [gedaagden], toen zij een beroep deed op haar legitieme, was zij nog geen wettig erfgenaam van [erflater]. Inmiddels is zij dat wel door de vaststelling van het vaderschap op 25 mei 2005. Maar sinds 1 januari 2004 is de mogelijkheid om later dan 5 jaar na overlijdensdatum een beroep te doen op de legitieme komen te vervallen op grond van artikel 4:85 juncto 128 lid 2 Overgangswet NBW.

4.5. De rechtbank is het eens met [eiseres], dat dit verweer niet opgaat. Het feit, dat de beschikking gerechtelijke vaststelling van het vaderschap pas na 1 januari 2004 in kracht van gewijsde is gegaan wordt haar ten onrechte tegengeworpen. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van de volgende overwegingen: de bepalingen, die de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap met terugwerkende kracht hebben mogelijk gemaakt hadden tot doel de achterstandspositie van onwettige kinderen in het Nederlandse recht op te heffen. De eerdere Nederlandse wetgeving met betrekking tot brieven van wettiging, die geen terugwerkende kracht hadden maakte een ongeoorloofd onderscheid tussen wettige en onwettige kinderen (zie EHRM 3-10-2000,

NJ 2001, 258). Een dergelijk onderscheid is alleen geoorloofd als zeer gewichtige redenen dit rechtvaardigen. Als [eiseres] geen beroep op de legitieme zou worden toegestaan zou dit leiden tot een onderscheid tussen haar en de wettige kinderen van [erflater]. Van gewichtige redenen voor een dergelijk onderscheid is in de omstandigheden van dit geval geen sprake. Immers, twee van de gedaagden zijn tijdig via hun advocaat binnen de termijn van artikel 128 lid 2 Overgangswet NBW op de hoogte gesteld van het feit dat [eiseres] niet berustte in haar onterving. Het is aannemelijk, dat zij hun moeder, gedaagde sub 1, op de hoogte hebben gesteld. Niet gesteld of gebleken is dat de rechtszekerheid in het geding is. De erflater was al in 1934 veroordeeld in een vaderschapsactie op grond van het toenmalige artikel 344a BW.

In de procedure betreffende de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap hebben de gedaagden niet mee willen werken aan een DNA-onderzoek. De rechtbank concludeert hieruit, dat toen [eiseres]’s advocaat een beroep deed op de legitieme de verwachting heeft bestaan, dat een vordering tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap zou worden toegewezen. Uit artikel 4:85 BW jo.128, lid 2 overgangswet blijkt niet met zoveel woorden dat een beroep op de legitieme voor iemand in de positie van [eiseres] niet mogelijk is. Een interpretatie die een ongeoorloofd onderscheid vermijdt moet dan de voorkeur hebben. Het beroep op de legitieme is dus tijdig gedaan.

4.6. Het volgende verweer is, dat niet tijdig een beroep op de vernietiging van de verdeling is gedaan. Immers de buitengerechtelijke vernietiging van 1 februari 2006 was, in strijd met artikel 3:50 BW niet gericht tot alle partijen bij de verdeling. Bovendien was een buitengerechtelijke verdeling op grond van artikel 3:50 lid 2 BW niet mogelijk, omdat het ging om de verdeling van een registergoed. Verder is volgens [gedaagden] naast de verjaringstermijn van artikel 3:195 BW de vervaltermijn van artikel 3:200 BW van toepassing.

4.7. De rechtbank is met [gedaagden] van oordeel, dat de verdeling niet tijdig is vernietigd. De buitengerechtelijke verklaring is ten onrechte niet aan alle erfgenamen gericht geweest. Mogelijk zou hier overheen gestapt kunnen worden, omdat aannemelijk is, dat gedaagde sub 1, die in de onderhavige procedure niet eens verweer heeft gevoerd, op de hoogte was en het vermogen van [erfgenaam van erflater] onder bewind stond van [gedaagde sub 2]. Echter, het gaat hier om een akte tot levering van een registergoed en vestiging van een vruchtgebruik. Daarom kon niet volstaan worden met vernietiging door buitengerechtelijke verklaring. De verjaringstermijn van artikel 3:195 BW verloopt een jaar nadat de verdeling ter kennis is gekomen van degene die er een beroep op doet. De rechtbank gaat ervan uit, dat in dit geval die datum moet worden gesteld op de dag, dat de beschikking in zake de vaststelling van het vaderschap in kracht van gewijsde is gegaan, dat is 26 augustus 2005. De dagvaardingen in deze procedure zijn eerst uitgebracht in december 2006, dat is dus te laat.

4.8. Gezien hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is het niet nodig te beslissen over de vraag of tevens de vervaltermijn van artikel 3:200 BW van toepassing is.

4.9. Uit bovenstaande overwegingen volgt, dat de vordering tot vernietiging van de akte van verdeling van het registergoed niet toewijsbaar is.

4.10. Subsidiair grondt [eiseres] een aantal vorderingen op artikel 1:207, lid 5 BW. Haar stelling is, dat de terugwerkende kracht van de vaststelling van het vaderschap ertoe leidt, dat vanaf haar geboorte er sprake is van een familierechtelijk relatie, zodat [eiseres] in de eerste parentele van erfopvolging is komen te staan. De erfgenamen moeten dan ook erkennen, dat zij als erfgenaam naast hen optreedt. Subsidiair vordert [eiseres] de waarde van haar aandeel in het nu nog aanwezige deel van de nalatenschap op grond van de huidige waarde, meer subsidiair op basis van de waarde ten tijde van de verdeling.

4.11. [gedaagden] zijn van mening, dat ook deze vorderingen verjaard en vervallen zijn.

De rechtbank is het op dit punt niet eens met [gedaagden]. Het enige deel van de nalatenschap, dat bij de akte verdeeld is, is de woning aan de [adres]. Blijkens de successieaangifte (productie 6 bij conclusie van antwoord in conventie) omvatte de nalatenschap aanzienlijk meer dan dat.

[eiseres] kan op de voet van artikel 1:207,lid 5 BW meedelen in hetgeen daarvan over is, naar rato van haar legitieme. Gedaagden hebben terecht opgemerkt, dat gedaagde sub 1 het vruchtgebruik heeft over de hele nalatenschap. Dat zij dit hele saldo inmiddels heeft verteerd is gesteld noch gebleken. Gedaagde sub 1 heeft zelf geen enkel verweer gevoerd. Als gedaagden sub 2 en 3 beweren, dat dit zo is, zullen zij dat moeten waar maken. De rechtbank zal een comparitie gelasten voor het verschaffen van nadere informatie. Zij gelast gedaagden tijdig voor die comparitie die informatie te verschaffen, bv. door het overleggen van belastingaangiftes en aanslagen over de laatste 5 jaar van alle gedaagden, inclusief gedaagde sub 1 die verstek heeft laten gaan. Voorshands komt het de rechtbank voor, dat weliswaar er geen verplichting bestaat tot teruggave van vermogensrechtelijke voordelen, maar dat er wel vanuit mag worden gegaan, dat hetgeen niet verteerd is in de loop van de tijd in waarde vermeerderd is door normale belegging van effecten en banksaldi.

4.12. Bij gelegenheid van de comparitie zal [eiseres] ook haar vordering tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, die is betwist, nader kunnen toelichten.

4.13. De rechtbank zal voorts de comparitie benutten om een schikking te beproeven.

4.14. De vordering sub 1 is bij gebreke van belang niet langer toewijsbaar, nu inmiddels de volledige akte van verdeling is overgelegd als productie 3 bij conclusie van antwoord.

5. De wederzijdse standpunten in reconventie

5.1. [gedaagden] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres] zal veroordelen aan [gedaagden] te vergoeden de kosten van het deskundigenadvies ad EUR 874,65, vermeerderd met de kosten van rechtsbijstand voor zover deze de proceskosten te boven gaat, eventueel door de rechtbank nader te bepalen.

5.2. [eiseres] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat zal, voor zover relevant worden besproken bij de beoordeling.

6. Beoordeling in reconventie

6.1. [gedaagden] willen een vergoeding voor de kosten die zij hebben moeten maken door het inwinnen van deskundig advies van een notaris. Zij hebben [eiseres] op de hoogte gesteld van dit advies. [eiseres] heeft volgens hen misbruik van recht gemaakt door een vordering in te stellen, die geen kans van slagen heeft. [eiseres] heeft hier tegenover gesteld, dat zij op advies van haar deskundig adviseur een vordering heeft ingesteld. Er is dus geen sprake van misbruik van recht.

6.2. De rechtbank is voorshands van oordeel dat er geen sprake van misbruik van recht is. Partijen verschillen van mening over een aantal juridische vragen waar in de juridische literatuur, voor zover er al aandacht is geschonken, niet eenstemmig over wordt gedacht. Over dat soort vragen is het alleszins legitiem om te procederen. Bij gelegenheid van de te gelasten comparitie kunnen partijen desgewenst hun standpunt nog nader toelichten.

BESLISSING

De rechtbank

in conventie en in reconventie

1. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. F. le Poole in het gerechtsgebouw te Assen aan Brinkstraat 4 op een nader te bepalen datum en tijdstip,

2. bepaalt dat partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn,

3. bepaalt dat partijen voor 5 september 2007 opgave moeten doen van verhinderdata (oktober, november, december 2007, januari en februari 2008) voor beide partijen, waarna een datum voor comparitie zal worden vastgesteld,

4. bepaalt dat de in de rechtsoverweging 4.11 opgevraagde informatie uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting aan de rechtbank en de wederpartij moet zijn toegestuurd,

5. bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

6. bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

7. wijst partijen er op, dat voor de zitting ± 1½ uur zal worden uitgetrokken,

8. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. le Poole en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2007.?