Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2007:BA9496

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
05-07-2007
Datum publicatie
12-07-2007
Zaaknummer
202514 - EJ VERZ 07-5108
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst na mislukt mediationtraject wegens ernstige verstoring van de arbeidsrelatie, welke verstoring niet in overwegende mate aan één van partijen valt toe te schrijven. Toekenning vergoeding op basis van kantonrechtersformule, waarbij het feit dat werknemer als initiator is opgetreden van het ontbindingsverzoek nauwelijks een rol speelt, nu het - gelet op de stelling van werkgever dat werknemer disfunctioneerde- een kwestie van tijd zou zijn geweest voordat wergever daartoe het initiatief zou hebben genomen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2007/335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector kanton

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 202514 / EJ VERZ 07-5108

beschikking van de kantonrechter d.d. 5 juli 2007

in de zaak van

[werknemer]

hierna te noemen: [werknemer],

wonende te [adres]

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. A.T. Slofstra,

tegen

de besloten vennootschap [B] ADMINISTRATIE B.V.,

hierna te noemen: [B b.v.],

gevestigd te [adres],

verwerende partij.

gemachtigde: mr. J. Verhoeven.

Het procesverloop

[werknemer] heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 18 april 2007, verzocht de tussen hem en [B b.v.] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van gewichtige redenen in de zin van artikel 7: 685 BW onder toekenning van een vergoeding ad € 155.764,83 met rente en (proces)kosten.

Het verweerschrift van [B b.v.] is binnengekomen op 9 mei 2007 en bevat een zelfstandig tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zonder toekenning van een vergoeding.

De behandeling ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2007. De gemachtigde van [werknemer] heeft het woord gevoerd overeenkomstig een door haar overgelegde pleitnota. Namens [B b.v.] is het woord gevoerd door mr. C.J. Lemkes. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. Ter terechtzitting hebben partijen aangegeven een mediationtraject te willen volgen, waarna de verdere behandeling van het verzoek is aangehouden. Op 13 juni 2007 is gebleken dat de mediation tussen partijen geen resultaat heeft opgeleverd, waarna partijen hebben verzocht om een beschikking.

Motivering

1. [werknemer] is op 23 augustus 1994 in dienst getreden bij [A] Assen B.V. en thans bij [B b.v.], als rechtsopvolgster van [A] Assen B.V., laatstelijk in de functie van verkoper/koopadviseur, tegen een bruto salaris van € 3.389,48 per maand, exclusief 8% vakantiebijslag. De arbeid wordt gewoonlijk verricht te Assen. Op de arbeidsovereenkomst van partijen is de CAO voor Motorvoertuigen en Tweewielerbedrijf van toepassing.

2. [werknemer] heeft gesteld dat hij in dienst is van [B b.v.] Assen B.V. en niet van [B b.v.] Administratie B.V., die als verweerder is opgekomen. Nu [B b.v.] Administratie B.V. heeft aangevoerd dat vrijwel alle werknemers in dienst zijn van [B b.v.] Administratie B.V. en in de arbeidsovereenkomst met [werknemer] abusievelijk is opgenomen dat [B b.v.] Assen B.V. als werkgeefster geldt en voorts de loonstroken ook [B b.v.] Administratie B.V. als werkgeefster vermelden, legt [werknemer] zich erbij neer dat laatstgenoemde als werkgeefster heeft te gelden. De kantonrechter zal daarom [B b.v.] Administratie B.V. als werkgeefster aanmerken, ook al richt het inleidende verzoekschrift zich tot [B b.v.] Assen B.V..

3. [werknemer] legt aan zijn verzoek ten grondslag de stelling – kort samengevat - dat de sfeer bij [B b.v.] de laatste jaren enorm is veranderd en dat hij van de directeuren geen enkele steun meer krijgt. Dit speelt met name nadat hij onder de vlag van de [B b.v.]-groep is komen te werken. Ook de nieuwe bedrijfsleider laat zich negatief over hem uit, waardoor hem het functioneren onmogelijk wordt gemaakt, dat terwijl hij als zeer ervaren autoverkoper de laatste periode de meeste auto’s heeft verkocht met de hoogste bruto winst. Volgens [werknemer] heeft [B b.v.] hem een onredelijk voorstel gedaan om naar de vestiging te Emmeloord te worden overgeplaatst en laatstelijk is hem zelfs ontslag aangezegd. Waar zijn werkgeefster zich er op beroept dat hij zou disfunctioneren, wordt dit door hem gemotiveerd betwist. Hij wijst er op dat hij nimmer is aangesproken op zijn functioneren en dat er geen enkele dossiervorming omtrent zijn functioneren heeft plaatsgevonden. Inmiddels is de werksituatie onhoudbaar geworden, zodat van hem niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst langer te laten voortduren. In de visie van [werknemer] is er een dringende reden om ex artikel 7: 679 juncto 7: 677 lid 1 BW de arbeidsovereenkomst te eindigen.

Op grond van deze omstandigheden verzoekt [werknemer] de arbeidsovereenkomst te ontbinden onder toekenning van de hiervoor genoemde vergoeding. Hij wijst daarbij op zijn lange staat van dienst van bijna 13 jaar en op zijn leeftijd van 51 jaar. Volgens [werknemer] dient er een ontslagvergoeding te worden toegekend op basis van een factor c=2 op grond van de kantonrechtersformule. Ten slotte stelt hij dat aan hem een jaarlijkse bonus werd toegekend van gemiddeld € 4.000 welk bedrag als emolument bij zijn inkomen behoort.

4. [B b.v.] heeft verweer gevoerd. [B b.v.] stelt dat het functioneren van [werknemer] de laatste jaren ronduit te wensen overliet. Dit ziet niet zo zeer op het vakinhoudelijk functioneren, maar vooral op het feit dat de collegiale verhoudingen tussen [werknemer] en zijn collega’s slecht waren. Volgens [B b.v.] zijn er drie verkopers bij haar vertrokken vanwege [werknemer], hetgeen veelvuldig met hem is besproken. [B b.v.] is van mening dat het probleem in de samenwerking bij [werknemer] ligt, nu ook de verhouding tussen de nieuwe vestigingsdirecteur en [werknemer] zodanig verslechterde dat daar een situatie van “hij of ik” ontstond. Zij wijst er op dat zij heeft onderzocht of overplaatsing naar een andere vestiging mogelijk was, maar dit bleek niet het geval te zijn. Overplaatsing naar Emmeloord weigerde [werknemer] in verband met de reisafstand. Ook een baan in Meppel is door hem afgewezen. [B b.v.] betwist dat zij [werknemer] ontslag heeft aangezegd. Verder heeft zij een outplacementtraject aangeboden, maar daar wilde [werknemer] niet op ingaan. In verband met de ontstane situatie, waarbij [werknemer] klaarblijkelijk zelf geen fiducie meer heeft in voortzetting van het dienstverband met [B b.v.] verzoekt [B b.v.] ook zelf de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Volgens haar is er geen plaats voor toekenning van een vergoeding, nu [werknemer] zelf te kennen heeft gegeven de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen. In dat verband betwist [B b.v.] dat er sprake is van een bonusregeling en wijst er op dat op [werknemer] een provisieregeling van toepassing was op grond waarvan [werknemer] maandelijks ruim € 300 bruto ontvangt, zodat zijn salaris per maand inclusief emolumenten circa € 4.000,00 bruto bedraagt.

5. De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod.

6. Nu partijen beiden te kennen hebben gegeven de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen en ook een ingezette mediation niet tot een oplossing van de tussen partijen ontstane problemen heeft geleid, zal de kantonrechter de over en weer verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst toewijzen. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de verhoudingen tussen partijen zodanig slecht (geworden) dat dit als een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 7: 685 BW moet worden gezien, welke tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst dient te leiden. Anders dan [werknemer] van oordeel is acht de kantonrechter onvoldoende aannemelijk dat er sprake is van dringende redenen in de zin van artikel 7: 679 juncto 7: 677 lid 1 BW.

7. Waar de verhoudingen tussen partijen klaarblijkelijk met name gedurende de laatste jaren aanmerkelijk zijn verslechterd en zij elkaar daarvan de schuld geven, is de kantonrechter van oordeel dat de verstoring van de arbeidsrelatie niet in overwegende mate aan één van partijen valt toe te schrijven. Noch uit de stukken, noch uit de mondelinge behandeling van het verzoekschrift kan zonder meer worden afgeleid dat zulks het geval is. Er lijkt eerder sprake van een negatief gekleurde persoonlijke beleving van (het functioneren van) de ander - over en weer - die in toenemende mate heeft geleid tot irritaties en escalaties. In dit verband wijst de kantonrechter er op dat het aan [werknemer] vrij had gestaan, indien hij het niet meer naar zijn zin had bij [B b.v.], om op zoek te gaan naar een andere werkgever en het dienstverband met [B b.v.] op te zeggen. Hij had niet hoeven wachten tot de verhoudingen dermate verstoord waren geraakt, dat er geen andere weg meer open staat dan het vragen van een ontbinding aan de kantonrechter met het verzoek om toekenning van een vergoeding om het wegvallen van zijn inkomen te compenseren. Waar [werknemer] zichzelf als een goede autoverkoper kwalificeert, mag er vanuit worden gegaan dat zijn kansen op de arbeidsmarkt niet slecht liggen, ook al behoort hij inmiddels tot de categorie oudere werknemers.

Aan de andere kant heeft [B b.v.] haar beschuldigingen aan het adres van [werknemer] met betrekking tot diens disfunctioneren op geen enkele wijze hard gemaakt. Het enkele feit dat er tussen [werknemer] en een of meer van zijn collega’s spanningen zijn ontstaan, brengt niet met zich mee dat hij disfunctioneerde. Dat kan ook aan die collega(’s ) hebben gelegen. In dat kader is het van belang om op te merken dat [B b.v.] inderdaad geen zogenaamd “dossier” inzake [werknemer] heeft opgebouwd, maar zich nu beroept op enkele voor [werknemer] minder lovende verklaringen van (oud-)medewerkers, welke ter gelegenheid van de behandeling van het ontbindingsverzoek zijn opgesteld. Indien er echt sprake zou zijn geweest van een slecht functionerende verkoper, die nota bene al 13 jaar in dienst is, dan had het in de rede gelegen dat daar tijdig en adequaat actie op was ondernomen aan de zijde van [B b.v.], teneinde op verbetering aan te sturen. Waar die actie aan de zijde van [B b.v.] klaarblijkelijk heeft ontbroken, legt de kantonrechter de geuite beschuldigingen terzijde.

7. Naar het oordeel van de kantonrechter dient anders dan door [B b.v.] is bepleit een vergoeding naar billijkheid te worden toegekend ter gelegenheid van de uit te spreken ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dat [werknemer] als initiator is opgetreden van het onderhavige ontbindingsverzoek, speelt daarbij nauwelijks een rol, nu het - gelet op de stelling van [B b.v.] dat [werknemer] disfunctioneerde - een kwestie van tijd zou zijn geweest voordat [B b.v.] daartoe het initiatief zou hebben genomen. Nu de ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal plaatsvinden vanwege de ernstige verstoring van de verhoudingen tussen partijen zonder dat voldoende duidelijk is geworden aan wie die verstoring in overwegende mate is toe te schrijven, zal de kantonrechter een vergoeding toekennen op basis van de kantonrechtersformule, waarbij de c-factor zal worden gesteld op c=1. Voor toepassing van een factor c=2, zoals [werknemer] heeft verzocht, is geen plaats, gelet op voorgaande overweging. Ten aanzien van de hoogte van het salaris zal de kantonrechter uitgaan van het door [B b.v.] genoemde bedrag van € 4.000,00 per maand, nu [werknemer] daartegen tijdens de behandeling ter zitting niet meer op heeft gereageerd. Wat betreft de lengte van het dienstverband berekent de kantonrechter dit op een aantal gewogen dienstjaren van 19. Aldus berekend op de kantonrechter op een toe te kennen vergoeding naar billijkheid van € 76.000,00 bruto.

8. Gezien het vorenstaande zal aan partijen een termijn worden gegund het verzoek in te trekken. Omdat beide partijen zelfstandig hebben verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden, zal de intrekking van het verzoek alleen gevolg hebben indien dat door beide partijen wordt gedaan.

9. De kantonrechter acht termen aanwezig om de proceskosten tussen partijen te compenseren.

Beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2007, tenzij beide partijen hun verzoek uiterlijk 31 juli 2007 hebben ingetrokken;

kent aan [B b.v.] ten laste van [werknemer] ter gelegenheid van voornoemde ontbinding een vergoeding toe ten bedrage van bruto € 76.000,00 (zegge: zesenzeventig duizend euro);

compenseert de proceskosten zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven te Assen en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2007 door mr. A. van der Meer, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

c 162/AM.

corr.