Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2007:BA7402

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
18-06-2007
Zaaknummer
19.830282-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat geloof dient te worden gehecht aan de eerste gedetailleede verklaring van verdachte die hij expliciet bij de raadkamer gevangenhouding desgevraagd nog heeft bevestigd. Naar het oordeel is de ontkennende verklaring van 7 februari 2007 ongeloofwaardig. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

STRAFVONNIS van de Meervoudige kamer in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 1980,

wonende aan [adres verdachte], thans verblijvende in [plaats van detentie verdachte].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 20 februari 2007 en 29 mei 2007.

De verdachte is telkens verschenen en werd respectievelijk bijgestaan door mr H.J. Pellinkhof, advocaat te Assen en door mr R.J.J. Bosma, advocaat te Spier.

De officier van justitie mr. J Hoekman acht hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

* 15 maanden gevangenisstraf, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

* ter beschikkingstelling met verpleging van overheidswege;

* toewijzing van de civiele vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde

partij], ten bedrage van € 1500,--, alsmede oplegging van de

schadevergoedingsmaatregel met 30 dagen vervangende hechtenis;

* toewijzing van de civiele vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde

partij], ten bedrage van € 146,01, alsmede oplegging van de

schadevergoedingsmaatregel met 2 dagen vervangende hechtenis;

* toewijzing van de civiele vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde

partij], ten bedrage van € 211,--, restantbedrag niet ontvankelijk, alsmede oplegging

van de schadevergoedingsmaatregel met 4 dagen vervangende hechtenis;

* toewijzing van de civiele vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde

partij], ten bedrage van € 255,--, restantbedrag niet ontvankelijk, alsmede oplegging

van de schadevergoedingsmaatregel met 5 dagen vervangende hechtenis;

* niet ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [naam benadeelde partij] in zijn

vordering.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ingevolge de ter terechtzitting van 20 februari 2007 gewijzigde tenlastelegging bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 11 november 2006 te Hoogeveen opzettelijk brand heeft

gesticht op/aan/in een personenauto (merk Volkswagen Golf met kenteken

[kenteken]) staande op een parkeerplaats bij een flat aan/nabij het Haagje en/of

andere aldaar geparkeerd staande auto's, immers heeft verdachte toen aldaar

opzettelijk met een brandende aansteker die auto in brand gestoken, in elk

geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die auto, althans met

(een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die auto('s) geheel of

gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan

gemeen gevaar voor in de nabijheid van die auto geparkeerd staande auto's

(Opel Corsa met kenteken [kenteken] en/of Volvo, type 440 met kenteken [kenteken]

en/of Opel Corsa met kenteken [kenteken] en/of Volkswagen Golf met kenteken

[kenteken]), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 11 november 2006 te Hoogeveen met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening in/uit een auto (Volkswagen Golf) staande aan

de Adriaan Baasstraat heeft weggenomen een aantal cd's, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn

bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

3.

hij op of omstreeks 23 september 2006 te Hoogeveen opzettelijk mishandelend

een persoon (te weten [naam slachtoffer]), tegen het hoofd en/of tegen het strottenhoofd, althans de keel/hals heeft gestompt en/of geslagen, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

4.

(parketnummer 19/621613-06)

hij op of omstreeks 27 augustus 2006 te Hoogeveen opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [naam slachtoffer]), tegen het hoofd heeft gestompt en/of

geslagen en/of heeft geduwd, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel,

althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

BIJZONDERE BEWIJSOVERWEGINGEN

De raadsvrouw van verdachte heeft onder meer als haar uitdrukkelijk standpunt aangevoerd dat feit 1 (de brandstichting) niet kan worden bewezen, zoals nader is gemotiveerd in haar pleitnota. De rechtbank kan zich niet met dit standpunt verenigen.

Verdachte heeft ten aanzien van feit 1 zowel een bekennende als een ontkennende verklaring afgelegd. Ter zitting heeft hij verklaard te blijven bij zijn ontkennende verklaring. Volgens verdachte heeft niet hij maar [naam betrokkene] de autobrand gesticht. De rechtbank is van oordeel dat geloof dient te worden gehecht aan de eerste gedetailleerde verklaring van verdachte die hij expliciet bij de raadkamer gevangenhouding desgevraagd nog heeft bevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank is de ontkennende verklaring van 7 februari 2007 ongeloofwaardig. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

In zijn eerste verklaring op 16 november 2006 vertelt verdachte gedetailleerd hoe hij de brand gesticht heeft, dat dit zijn eerste autobrandstichting betreft en dat een andere autobrand waarover de politie verdachte hoort door [naam betrokkene] is gesticht. Verdachte verklaart het zat te zijn om [naam betrokkene] de hand boven het hoofd te houden.

Deze zelfde reden geeft verdachte echter ook bij het intrekken van zijn bekentenis op 7 februari 2007. Verdachte verklaart dat hij de schuld op zich heeft genomen om [naam betrokkene] te behoeden voor een zware straf en omdat verdachtes zus een kind van [naam betrokkene] kreeg.

Opvallend in de ontkennende verklaring van verdachte is voorts dat hij zegt gezien te hebben dat [naam betrokkene] een aansteker achter bij de bumper van de auto hield maar dat hij niet gezien heeft of de auto daadwerkelijk brandde. Later zegt verdachte in diezelfde verklaring 'Bij mijn weten was het vuur uitgegaan maar toen ik zag dat de auto brandde was wel duidelijk dat dit niet het geval was'. Deze zin is, gezien de er uit sprekende verbazing, naar het oordeel van de rechtbank geheel in tegenspraak met verdachtes verklaring dat hij niet heeft gezien dat de auto brandde. Maar deze zin sluit wel aan bij het feitencomplex zoals door verdachte geschetst in het bekennende verhoor van 16 november 2006, waarin hij verklaart een aansteker bij de autobumper te hebben gehouden waarbij de aansteker op de grond viel.

BEWIJSMIDDELEN

Overeenkomstig de nader op te nemen bewijsconstructie.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 11 november 2006 te Hoogeveen opzettelijk brand heeft gesticht aan een personenauto (merk Volkswagen Golf met kenteken [kenteken]) staande op een parkeerplaats bij een flat nabij het Haagje, immers heeft verdachte toen aldaar

opzettelijk met een brandende aansteker die auto in brand gestoken, ten gevolge waarvan die auto geheel is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor in de nabijheid van die auto geparkeerd staande auto's (Opel Corsa met kenteken [kenteken] en Volvo, type 440 met kenteken [kenteken] en Opel Corsa met kenteken [kenteken] en Volkswagen Golf met kenteken [kenteken]), te duchten was;

2.

hij op 11 november 2006 te Hoogeveen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een auto (Volkswagen Golf) staande aan de Adriaan Baasstraat heeft weggenomen een aantal cd's, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

3.

hij op 23 september 2006 te Hoogeveen opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [naam slachtioffer]), tegen het strottenhoofd heeft geslagen, tengevolge waarvan deze pijn heeft ondervonden;

4.

hij op 27 augustus 2006 te Hoogeveen opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [naam slachtoffer]), heeft geduwd, tengevolge waarvan deze pijn heeft ondervonden.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

KWALIFICATIES

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op:

onder 1: Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is,

strafbaar gesteld bij artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2: Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak,

strafbaar gesteld bij artikel 311 in verband met artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

onder 3: Mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

onder 4: Mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

STRAFBAARHEID

De rechtbank heeft kennis genomen van een psychiatrisch rapport d.d. 26 februari 2007, opgemaakt door C.J.F. Kemperman, zenuwarts.

Dit rapport houdt onder meer in als conclusie - zakelijk weergegeven -:

" Mocht het tenlastegelegde bewezen worden verklaard dan kan men zeggen dat verdachtes gedrag beïnvloed werd door de amfetamine-afhankelijkheid, ADHD en een antisociale persoonlijkheidstoornis. De toerekeningsvatbaarheid kan men dan als enigszins verminderd zien. "

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van de feiten en de persoon van de verdachte, met voormelde conclusie en maakt die tot de hare.

De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde aan de verdachte kan worden toegerekend, zij het in enigszins verminderde mate.

STRAFMOTIVERING

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan;

- hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte;

- de eis van de officier van justitie;

- de pleidooien van de raadslieden van de verdachte;

- de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 13 november 2007, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van soortgelijke misdrijven is veroordeeld.

Uit de rapportages van zenuwarts Kemperman voornoemd en van gz-psycholoog A. Drent, d.d. 21 mei 2007, blijkt dat klinische behandeling van verdachte, gelet op diens verslavings- en persoonlijkheidsproblematiek, noodzakelijk is ter voorkoming van recidive. Verdachte heeft te kennen gegeven niets te zien in een klinische behandeling. De officier van justitie heeft daarom gevorderd dat verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging, nu verdachte zich niet aan voorwaarden, inhoudende klinische behandeling, wil houden. De rechtbank is eveneens van oordeel dat klinische behandeling van verdachte, ter voorkoming van recidive noodzakelijk is. De rechtbank acht echter -in casu- oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling ter effectuering van een dergelijke opname niet opportuun. De rechtbank zal derhalve een langdurige voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen en daaraan als bijzondere voorwaarde verbinden dat verdachte ter behandeling klinisch wordt opgenomen. De verdachte heeft zich ter zitting herhaaldelijk in die zin uitgelaten dat hij een straf (zitten) verkoos boven een -ook volgens verdachte noodzakelijke- behandeling, omdat het zitten korter zou duren. Bij de door de rechtbank op te leggen straf kan hij deze keuze niet meer maken: behandelen of zitten duurt even lang, behandelen kan zelfs korter duren. De rechtbank hoopt hiermee te bereiken dat verdachte de zo nodige behandeling ondergaat.

BENADEELDE PARTIJ [naam benadeelde partij]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. Het gevorderde bedrag acht zij voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en voor toewijzing vatbaar.

BENADEELDE PARTIJ [naam benadeelde partij]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. Het gevorderde bedrag acht zij voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en voor toewijzing vatbaar.

BENADEELDE PARTIJ I.[naam benadeelde partij]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De vordering acht zij tot na te noemen bedrag voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en tot na te noemen bedrag voor toewijzing vatbaar. Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering, voor dit deel kan de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

BENADEELDE PARTIJ [naam benadeelde partij]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De vordering acht zij tot na te noemen bedrag voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en tot na te noemen bedrag voor toewijzing vatbaar. Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk in zijn vordering, voor dit deel kan de benadeelde partij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

BENADEELDE PARTIJ [naam benadeelde partij]

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Het is namelijk onduidelijk of de mishandeling door verdachte letsel heeft veroorzaakt. De benadeelde partij zal dan ook niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering en hij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Met betrekking tot de bewezen verklaarde feiten acht de rechtbank de verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht tot na te noemen bedragen aansprakelijk voor de schade, die door de strafbare feiten is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd die bedragen aan de Staat te betalen ten behoeve van de slachtoffers.

TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24, 27, 36f, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING VAN DE RECHTBANK

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot

gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan een gedeelte, groot twee jaren, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Assen, zolang deze instelling zulks nodig oordeelt, hetgeen mede inhoudt dat de verdachte wordt opgenomen en behandeld in een kliniek die zich zowel richt op zijn verslavingsproblematiek als op zijn psychische stoornissen en daar verblijft totdat de behandeling is afgemaakt, tot maximaal de duur van twee jaren of zoveel korter als volgens de behandelaars de voltooide behandeling duurt. De rechtbank denkt daarbij aan een opname in de Piet Roordakliniek dan wel een soortgelijke instelling.

De rechtbank geeft opdracht aan voormelde Stichting ingevolge art. 14d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij] van de som van € 1500,-- en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer], een bedrag van € 1500,-- te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 30 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij] van de som van € 146,01 en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer], een bedrag van € 146,01 te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 2 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij] van de som van € 211,-- en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat zij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer], een bedrag van € 211,-- te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 4 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij] van de som van € 255,-- en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat hij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer], een bedrag van € 255,-- te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 5 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormelde bedragen ten behoeve van de slachtoffers de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partijen doet vervallen, alsmede dat betaling van voormelde bedragen aan de benadeelde partijen de verplichting tot betaling aan de Staat van deze bedragen doet vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [naam benadeelde partij] niet ontvankelijk is in zijn vordering en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Münzebrock, voorzitter en mr. L.J. Hofstra en mr. G. Kaaij, rechters in tegenwoordigheid van J. Hoogeveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 12 juni 2007, zijnde mr. Kaaij buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.