Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2007:BA5900

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
29-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
19.605845-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft, mede gelet op de door de officier van justitie aangestipte achterstand in de verwerking van celmateriaal en op het feit dat ook overigens door de officier van justitie geen verweer tegen de stelling van veroordeelde is gevoerd, geen aanleiding gevonden te twijfelen aan de juistheid van de stelling dat van veroordeelde in september 2006 reeds celmateriaal is afgenomen maar dat dit kennelijk nog niet is verwerkt en opgenomen in de databank.

Naar het oordeel van de rechtbank had het, ter voorkoming van een onnodige inbreuk op het recht op de persoonlijke levenssfeer van veroordeelde, in de rede gelegen al het mogelijke te doen om vast te stellen of reeds celmateriaal van veroordeelde was afgenomen en zo ja, of het DNA-profiel van veroordeelde als was of nog zou worden opgeslagen in de databank. Onder de geschetste omstandigheden was er naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen noodzaak om, ter voldoening aan het bepaalde in artikel 2, eerste lid van de Wet, (nogmaals) afname van celmateriaal van veroordeelde te bevelen. Daarom zal de rechtbank het bezwaarschrift gegrond verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Raadkamernummer: 07/157

Parketnummer: 19.605845-06

BESLISSING van de derde meervoudige kamer in de zaak tegen:

[naam veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats veroordeelde] op [geboortedatum veroordeelde] 1982,

wonende te [adres veroordeelde],

veroordeelde.

1. Gang van zaken

Veroordeelde werd bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van [datum vonnis] terzake van zware mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Na een daartoe door de officier van justitie d.d. 26 maart 2007 gegeven bevel is bij veroordeelde op 18 april 2007 celmateriaal afgenomen ten behoeve van een DNA-onderzoek ter bepaling van diens DNA-profiel, ter opname in een landelijke DNA-databank en ter vergelijking van dat profiel met reeds in de databank aanwezige profielen.

Namens veroordeelde is op 25 april 2007 een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 7 lid 1 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (verder te noemen: de Wet) ingediend.

Ter zitting van de raadkamer van 16 mei 2007 zijn gehoord:

- de uitdrukkelijk gemachtigde raadsman van veroordeelde, mr. W.M. Bierens, advocaat te Assen, en

- de officier van justitie.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken.

2. Motivering

2.1. Het bezwaarschrift is binnen de termijn van artikel 7, eerste lid van de Wet ingediend. [Naam veroordeelde] kan dan ook worden ontvangen in zijn bezwaarschrift.

2.2. [Naam veroordeelde] is veroordeeld terzake zware mishandeling. Dit is een feit als bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet. Voorts kan hij als veroordeelde in de zin van artikel 1 lid onder c. van de Wet worden aangemerkt. De officier van justitie was dus bevoegd de afname van DNA-materiaal te bevelen.

2.3. [Naam veroordeelde] heeft in het bezwaarschrift doen aanvoeren dat van hem reeds eerder DNA materiaal is afgenomen ten behoeve van opslag van zijn profiel in de databank. De raadsman van veroordeelde heeft daartoe ter zitting in raadkamer in kopie een bevel van de officier van justitie van 22 augustus 2006 tot afname van DNA-materiaal van veroordeelde overgelegd. De afname zou hebben plaatsgehad op 7 september 2006 tussen 08:00 uur en 17:00 uur in de penitentiaire inrichting Groot Bankenbosch te Veenhuizen, waar veroordeelde op dat moment was gedetineerd.

De officier van justitie heeft in reactie op het gestelde aangevoerd dat zij in het VIP systeem uitsluitend kan zien of afgenomen celmateriaal in de databank is opgenomen. Zij kan in dit systeem niet nagaan of en wanneer celmateriaal is afgenomen of in welk stadium van verwerking afgenomen celmateriaal zich bevindt. Wel gaf zij aan dat bij het Nederlands Forensisch Instituut een grote achterstand is in de verwerking van afgenomen celmateriaal en dat het niet ongebruikelijk is dat tussen afname en verwerking van het DNA-materiaal een termijn van acht tot tien maanden verstrijkt.

2.4. De rechtbank heeft, mede gelet op de door de officier van justitie aangestipte achterstand in de verwerking van celmateriaal en op het feit dat ook overigens door de officier van justitie geen verweer tegen de stelling van veroordeelde is gevoerd, geen aanleiding gevonden te twijfelen aan de juistheid van de stelling dat van veroordeelde in september 2006 reeds celmateriaal is afgenomen maar dat dit kennelijk nog niet is verwerkt en opgenomen in de databank.

Naar het oordeel van de rechtbank had het, ter voorkoming van een onnodige inbreuk op het recht op de persoonlijke levenssfeer van veroordeelde, in de rede gelegen al het mogelijke te doen om vast te stellen of reeds celmateriaal van veroordeelde was afgenomen en zo ja, of het DNA-profiel van veroordeelde al was of nog zou worden opgeslagen in de databank.

Onder de geschetste omstandigheden was er naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen noodzaak om, ter voldoening aan het bepaalde in artikel 2, eerste lid van de Wet, (nogmaals) afname van celmateriaal van veroordeelde te bevelen. Daarom zal de rechtbank het bezwaarschrift gegrond verklaren.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het bezwaarschrift gegrond en beveelt de officier van justitie er voor zorg te dragen dat het DNA-materiaal van veroordeelde terstond wordt vernietigd.

Gegeven door mr. M.C. Fuhler, voorzitter, mr. N.R. Boonstra en mr. J.M.M. van Woensel, rechters, in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter buitengewone openbare zitting van de raadkamer op dinsdag 29 mei 2007. Mr. Van Woensel is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.-