Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2007:BA4552

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
04-05-2007
Datum publicatie
07-05-2007
Zaaknummer
19.830029-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank merkt op dat zij niet gevoelig is voor het argument van de raadsman dat belaging via de mobiele telefoon als minder ernstig dient te worden aangemerkt dan belaging middels bijvoorbeeld het voortdurend voor het huis van de belaagde langsrijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

STRAFVONNIS van de Meervoudige kamer in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 1984,

wonende te [woonplaats verdachte],

thans verblijvende in [plaats van detentie verdachte].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 20 april 2007.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door P.A.T. Kostwinder, advocaat te Coevorden.

De officier van justitie mr. J. Hoekman acht hetgeen onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

12 maanden gevangenisstraf, met aftrek ex artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden: elektronisch toezicht met GPS, straatverbod en contactverbod en reclasseringstoezicht waaronder agressietraining/agressietherapie. Gedeeltelijke toewijzing van de civiele vordering (tevens op te leggen als schadevergoedingsmaatregel).

TENLASTELEGGING

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2006

tot en met 14 januari 2007 te Emmer-Compascuum, gemeente Emmen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [naam slachtoffer], (telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, met dat opzet meermalen,

- die [naam slachtoffer] bij de keel heeft vastgepakt en/of de keel van die [naam slachtoffer] heeft dichtgedrukt en/of in de keel heeft geknepen en/of (daarbij) de mond en/of de neus heeft dichtgedrukt/afgesloten en/of

- met een gasdrukwapen, althans een dergelijk wapen in de richting van die

[naam slachtoffer] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

terzake dat

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2006

tot en met 14 januari 2007 te Emmer-Compascuum, gemeente Emmen, (telkens)

opzettelijk mishandelend

- [naam slachtoffer] bij de keel heeft vastgepakt en/of de keel heeft dichtgedrukt

en/of in de keel heeft geknepen en/of (daarbij) de mond en/of de neus heeft

dichtgedrukt en/of afgesloten,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2006

tot en met 14 januari 2007 in de gemeente Emmen, [naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk dreigend

- een geopende heggeschaar, althans een dergelijk voorwerp voor die [naam slachtoffer]

gestaan en/of (daarbij) deze [naam slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd : "Nu ga je dood" en/of "Zal ik je met dit ding knippen", althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking en/of

- met die heggeschaar, een of meer knippende bewegingen gemaakt naar de

vingers van die [naam slachtoffer] en/of

- met een gasdrukwapen, althans een dergelijk wapen op die [naam slachtoffer] geschoten en/of dit wapen gericht op die [naam slachtoffer] en/of met dit wapen een spiegel kapot geschoten en/of daarbij dreigend de woorden toegevoegd "Kijk eens achter je. De volgende keer is dat je schedel", althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking en/of

- die [naam slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: "ik steek/maak je vader dood"

en/of "ik steek hun huis in brand", althans woorden van gelijke dreigende

aard of strekking;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2006 tot en met 19 januari 2007

te Emmer-Compascuum, gemeente Emmen, een wapen van categorie I onder 7°,te

weten een gasdrukwapen, merk Walther, zijnde (een) voorwerp(en) dat/die voor

wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde(n)

met (een) vuurwapen(s) en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en)

voorhanden heeft gehad;

4.

hij in of omstreeks de periode van 14 januari 2007 tot en met 24 januari 2007

in de gemeente Emmen, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig

opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [naam slachtoffer], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [naam slachtoffer], in elk geval

die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te

jagen, immers heeft hij, verdachte,

- die [naam slachtoffer] (talrijke) sms berichten en/of emailberichten gezonden en/of

- die [naam slachtoffer] (veelvuldig) telefonisch benaderd en/of

- gereden en/of zich opgehouden in de straat/straten, waar die [naam slachtoffer]

verbleef/woonde;

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

VRIJSPRAAK

De rechtbank is -overigens met de officier van justitie en de raadsman van verdachte- van oordeel dat verdachte van het onder 1 primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank is echter van oordeel dat zulks ook geldt ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde omdat de rechtbank met name niet bewezen acht dat [naam slachtoffer] pijn heeft ondervonden.

BEWIJSMIDDELEN

Overeenkomstig de nader op te nemen bewijsconstructie.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

2.

hij op 13 januari 2007 in de gemeente Emmen, [naam slachtoffer] heeft bedreigd met

met zware mishandeling, immers heeft verdachte telkens opzettelijk dreigend

- met een geopende heggenschaar voor die [naam slachtoffer] gestaan en daarbij deze [naam slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: "Zal ik je met dit ding knippen" en

- een gasdrukwapen, gericht op die [naam slachtoffer] en met dit wapen een spiegel kapot geschoten en daarbij dreigend de woorden toegevoegd: "Kijk eens achter je. De volgende keer is dat je schedel";

3.

hij in de periode van 1 november 2006 tot en met 19 januari 2007 te Emmer-Compascuum, gemeente Emmen, een wapen van categorie I onder 7°, te

weten een gasdrukwapen, merk Walther, zijnde een voorwerp dat voor

wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde

met een vuurwapen voorhanden heeft gehad;

4.

hij in de periode van 14 januari 2007 tot en met 24 januari 2007 in de gemeente Emmen, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [naam slachtoffer], met het oogmerk die [naam slachtoffer] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte,

- die [naam slachtoffer] (talrijke) sms berichten en emailberichten gezonden en

- die [naam slachtoffer] (veelvuldig) telefonisch benaderd en

- gereden en zich opgehouden in de straat, waar die [naam slachtoffer] verbleef.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 2, 3 en 4 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

KWALIFICATIES

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op:

onder 2: bedreiging met zware mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 3: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55 van de Wet wapens en munitie;

onder 4: belaging, strafbaar gesteld bij artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht.

STRAFBAARHEID

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

De psycholoog, J.C.J. Fischer en de psychiater, R.M. Coutinho hebben in hun rapporten van respectievelijk 6 april 2007 en 16 april 2007 verdachte weliswaar in licht verminderde mate toerekeningsvatbaar verklaard, maar ook geconcludeerd dat verdachte niet lijdende is aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens.

Nu verdachte niet lijdende is aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, gaat de rechtbank bij de strafoplegging dan ook uit van volledige toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

STRAFMOTIVERING

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan;

- hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte;

- de eis van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman van de verdachte;

- de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen

documentatieregister d.d. 22 januari 2007, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder

ter zake van een misdrijf is veroordeeld.

Met betrekking tot de duur van het onvoorwaardelijke deel van na te noemen vrijheidsstraf overweegt de rechtbank dat de bewezen verklaarde belaging een korte periode beslaat waarbij de intensiteit van klagers gedragingen als relatief gering zijn te beschouwen. De rechtbank merkt hierbij nog op dat zij niet gevoelig is voor het argument van de raadsman dat belaging via de mobiele telefoon als minder ernstig dient te worden aangemerkt dan belaging middels bijvoorbeeld het voortdurend voor het huis van de belaagde langsrijden.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden is.

BENADEELDE PARTIJ [naam benadeelde partij]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De vordering acht zij aannemelijk tot een bedrag van € 250,00 (immateriële schade) en een bedrag van € 5,28 (reiskosten), zijnde in totaal € 255,28. De civiele vordering is dan ook gegrond en tot genoemd bedrag voor toewijzing vatbaar. Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering, voor dit deel kan de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Met betrekking tot de onder 2 en 4 bewezen verklaarde feiten acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer [naam slachtoffer] naar burgerlijk recht tot eerder genoemd bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer].

TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING VAN DE RECHTBANK

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 192 dagen waarvan een gedeelte groot 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere niet heeft nageleefd.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Assen, zolang deze instelling zulks nodig oordeelt, hetgeen mede inhoudt dat verdachte deel zal nemen aan een agressietraining/agressietherapie, met opdracht aan de reclasseringsinstelling ingevolge art. 14d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden, 4 mei 2007.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij] van de som van € 255,28 en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer], een bedrag van € 255,28 te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 5 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.A.M. van Veen, voorzitter en mr. G. Kaaij en mr. H.T. van Voorst, rechters in tegenwoordigheid van E.W. Hoekstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 04 mei 2007, zijnde mr. Kaaij buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.