Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2007:BA2380

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
03-04-2007
Datum publicatie
05-04-2007
Zaaknummer
198541 - EJ VERZ 07-5049
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbindingsverzoek werknemer, vaststelling aantal gewogen dienstjaren, redelijkheid en billijkheid.

De verzochte ontbinding zal worden toegewezen. Ten aanzien van het aantal gewogen dienstjaren die zullen worden meegerekend bij de vaststelling van de vergoeding, overweegt de kantonrechter als volgt. Werknemer is al vanaf 1 maart 1987 werkzaam als vestigingsdirecteur, waarna diverse overnames hebben plaatsgevonden. Ten tijde van de overname door de huidige werkgever was er sprake van overgang van onderneming in de zin van art. 7:662 e.v. BW. Nu werknemer niet op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam was bij de rechtsvoorganger van de huidige werkgever, gaan de rechten en verplichtingen van de werknemer, zoals de anciënniteit, niet over op werkgever als rechtsopvolger, ingevolge art. 7:663 BW. Maar gelet op de feitelijke arbeidshistorie van werknemer bij het kantoor te Roden, dat verschillende eigenaren heeft gekend, is het naar het oordeel van de kantonrechter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de arbeidshistorie bij de vaststelling van de vergoeding onder deze omstandigheden geheel buiten beschouwing wordt gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2007, 78
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector kanton

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 198541 \ EJ VERZ 07-5049

beschikking van de kantonrechter d.d. 3 april 2007

in de zaak van

[verzoeker],

hierna te noemen: [verzoeker],

wonende te [adres],

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. D. Kuijken, advocaat te Groningen,

tegen

De besloten vennootschap SYNTACC-NLT GRONINGEN B.V.,

hierna te noemen: NLT,

gevestigd te Groningen,

verwerende partij.

gemachtigde: mr. P. Tuinman, advocaat te Leeuwarden.

Procesverloop

[verzoeker] heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 19 februari 2007, verzocht de tussen hem en NLT bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van gewichtige redenen in de zin van artikel 7:685 BW.

Het verweerschrift van NLT is binnengekomen op 19 maart 2007.

De behandeling ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2007.

Motivering

1. [verzoeker], geboren op [geboortedatum], is sedert 1 april 2004 in dienst bij NLT, laatstelijk in de functie van senior accountant medewerker/vestigingsdirecteur, tegen een bruto salaris van € 6.200,- per maand, exclusief vakantietoeslag. [verzoeker] is eerst vanaf 1 maart 1984 werkzaam geweest bij [X en Y] en vanaf 1 maart 1987 is hij werkzaam geweest als vestigingsdirecteur van de toen nieuwe vestiging van [X en Y] in Roden. Vervolgens is hij bij [J&L] in loondienst als vestigingsdirecteur van het kantoor te Roden werkzaam geweest en actief geweest als vestigingsdirecteur van dat kantoor voor [F], niet in loondienst, maar als certificaathouder met een belang van 20 %.

Middels een verzoekschrift d.d. 15 juli 2006 heeft NLT zich tot de kantonrechter te Groningen gewend met het verzoek de arbeidsovereenkomst tussen NLT en [verzoeker] te ontbinden. Dit verzoek hield verband met door NLT gestelde functioneringsproblemen. [verzoeker] heeft hier gemotiveerd verweer tegen gevoerd. [verzoeker] heeft daarbij aangegeven dat er naar zijn mening nog steeds mogelijkheden waren om te komen tot een verdere vruchtbare voortzetting van het dienstverband. De kantonrechter te Groningen heeft bij beschikking d.d. 21 september 2006 het verzoek afgewezen.

2. [verzoeker] heeft in het onderhavige verzoekschrift gesteld dat NLT er alles aan heeft gedaan om een voortzetting van het dienstverband na 21 september 2006 te frustreren. Ook tijdens de procedure bij de kantonrechter te Groningen heeft NLT zich ingespannen om de kantonrechter ervan te overtuigen dat een verdere vruchtbare voortzetting van het dienstverband niet mogelijk zou zijn. [verzoeker] erkent dat er sprake was van een alcoholprobleem, maar betwist gemotiveerd disfunctioneren van welke aard dan ook. Op 25 september 2006 heeft NLT [verzoeker] bij schrijven uitgenodigd voor een gesprek. [verzoeker] heeft dit schrijven als cynisch ervaren. [verzoeker] heeft vervolgens aangegeven dat naar zijn mening zijn arbeidsongeschiktheid was toegenomen en dat, alvorens verdere stappen te nemen in de voortzetting van het dienstverband, hij eerst een consult bij de bedrijfsarts wenste. Hiertoe was NLT niet bereid. [verzoeker] heeft vervolgens zelf een bedrijfsarts ingeschakeld. Deze arts adviseerde onder andere mediation tussen partijen. NLT gaf aan dat mediation onnodig was en heeft [verzoeker] nogmaals opgeroepen voor een gesprek op 10 oktober 2006. Dit gesprek is voor [verzoeker] op een teleurstelling uitgelopen. De houding van NLT bleef volgens [verzoeker] dat 'een gesprekje' wel voldoende moest zijn om het dienstverband voort te zetten. Mediation werd door NLT nogmaals afgewezen. Na diverse communicatieproblemen zijn de verhoudingen verder verstoord tussen partijen. Naar de mening van [verzoeker] heeft NLT er alles aan gedaan om de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] in stand te laten en een feitelijke re-integratie te dwarsbomen. Eind november heeft NLT toch haar medewerking verleend aan mediation. Tot grote teleurstelling van [verzoeker] heeft NLT na 3 gesprekken het mediationtraject afgebroken en [verzoeker] werd gesommeerd om op 9 januari 2007 op kantoor te verschijnen om zijn werkzaamheden te hervatten, waarbij NLT eenzijdig aangaf [verzoeker] dan ook weer volledig arbeidsgeschikt te melden, terwijl [verzoeker] van mening was volledig arbeidsongeschikt te zijn. [verzoeker] heeft aan deze sommatie niet kunnen en willen voldoen. De Bijstelling Probleemanalyse WIA, door NLT als productie 1 bij het verweerschrift gevoegd, is [verzoeker] onbekend en [verzoeker] betwist ten stelligste dat een dergelijke bijstelling op zijn verzoek zou zijn gedaan. Vervolgens staakte NLT in januari 2007 de loonbetaling, waardoor [verzoeker] verder in financiële problemen is gekomen. Inmiddels doet zich ook wat [verzoeker] betreft een zodanige verandering van omstandigheden voor dat een verdere vruchtbare voortzetting van het dienstverband illusoir moet worden geacht. Volgens [verzoeker] levert deze verandering in de omstandigheden op dat de arbeidsovereenkomst ontbonden dient te worden. [verzoeker] heeft daarbij verzocht om toekenning van een vergoeding ad € 361.584,- bruto. Naar de mening van [verzoeker] dient bij de berekening van een billijke vergoeding rekening te worden gehouden met het arbeidsverleden van [verzoeker] in de vestiging in Roden. Dit betreft de periode 1 maart 1987 tot 1 november 2001, naast de periode van 1 april 2004 tot de dag der ontbinding (18 dienstjaren). Daar zijn mondelinge afspraken over gemaakt met NLT. Daarnaast dient volgens [verzoeker] bij het bepalen van de vergoeding rekening te worden gehouden met het verwijtbare gedrag van NLT en de persoonlijke situatie van [verzoeker].

3. NLT heeft verweer gevoerd. NLT stelt dat het verzoek bij de kantonrechter te Groningen direct verband hield met grote functioneringsproblemen van [verzoeker]. [verzoeker] kampte met een ernstig alcoholprobleem, vertoonde onacceptabel declaratiegedrag jegens relaties, was regelmatig niet te traceren en kwam gemaakte afspraken veelvuldig niet na. NLT betwist dat [verzoeker] ten onrechte zou zijn zwartgemaakt binnen het kader van de ontbindingsprocedure. Inzet van het gesprek van 25 september 2006 was volgens NLT de re-integratie en werkhervatting van [verzoeker]. NLT wilde zo spoedig mogelijk toewerken naar herstel van de arbeidsverhouding. Het is naar de mening van NLT niet teveel gevraagd van de werknemer om met de werkgever in gesprek te gaan omtrent de invulling van werkhervatting. De weigering van [verzoeker] om op dit gesprek te verschijnen, heeft ernstige twijfel doen ontstaan bij NLT over de werkelijke bereidheid van [verzoeker] om de arbeidsverhouding met NLT voort te zetten. Tijdens het gesprek van 10 oktober 2006 sloot [verzoeker] zich volgens NLT voor een inhoudelijk gesprek af. Gelet op de starre houding van [verzoeker] heeft NLT besloten het mediationtraject in gang te zetten. Vervolgens heeft NLT na beëindiging van de mediation [verzoeker] opnieuw opgeroepen tot re-integratie en werkhervatting. Uit de bijstelling Probleemanalyse WIA van het UWV d.d. 15 januari 2007 blijkt dat van arbeidsongeschiktheid geen sprake meer was. [verzoeker] heeft volgens NLT nimmer de intentie gehad om tot werkhervatting te komen. [verzoeker] bleef zich verschuilen achter zijn -vermeende- arbeidsongeschiktheid, terwijl hij zelf degene is die het proces frustreerde door te blijven weigeren met re-integratie/werkhervatting te beginnen. NLT heeft er naar haar mening het nodige aan gedaan om tot een gesprek te komen met [verzoeker], getuige de oproepen, die NLT gedaan heeft. Nu het [verzoeker] is die bewust (willens en wetens) terugkeer bij NLT afwijst en geen enkele serieuze poging tot hervatting heeft gedaan, kan het naar de mening van NLT niet zo zijn dat er een vergoeding aan de verzochte ontbinding wordt gekoppeld. Bovendien wijst NLT erop dat [verzoeker] in zijn ontbindingsverzoek ten onrechte uitgaat van 18 dienstjaren, nu [verzoeker] eerst per 1 april 2004 bij NLT in dienst is getreden. Tussen partijen zijn geen afspraken gemaakt dat de jaren over de periode van 1 maart 1987 tot 1 november 2001 zouden worden meegenomen naar zijn nieuwe dienstverband bij NLT. [verzoeker] werd in de periode 2001-2004 aandeelhouder/ certificaathouder van [F] en ontving een managementfee. [verzoeker] had in deze periode geen arbeidsverhouding met [F], de rechtsvoorganger van NLT.

4. De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken en ter zitting is gebleken dat de hiervoor bedoelde wijziging in de omstandigheden rechtvaardigt dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn eindigt. De verzochte ontbinding zal dan ook worden toegewezen.

5. Het komt de kantonrechter redelijk voor dat er ter gelegenheid van de ontbinding aan [verzoeker] een vergoeding wordt toegekend, nu de opgetreden verandering in de omstandigheden deels te wijten is aan NLT. Onvoldoende is komen vast te staan dat [verzoeker] weer volledig arbeidsgeschikt was ná 21 september 2006. Er is de kantonrechter niet gebleken van een verklaring van een bedrijfsarts of een andere arts waaruit kan worden afgeleid dat [verzoeker] weer hersteld moest worden geacht. NLT heeft nog wel een ongetekende verklaring Bijstelling Probleemanalyse WIA overgelegd d.d. 15 januari 2007, waaruit zou blijken dat er van arbeidsongeschiktheid geen sprake meer was. Deze verklaring is [verzoeker] echter onbekend en hij heeft ten stelligste betwist dat een dergelijke bijstelling op zijn verzoek zou zijn gedaan. Deze verklaring zal dan ook buiten beschouwing worden gelaten. NLT heeft vervolgens naar het oordeel van de kantonrechter veel druk op [verzoeker] gelegd om de overeengekomen arbeid weer te verrichten. Het onder druk zetten van [verzoeker] om zijn werkzaamheden te hervatten gedurende zijn arbeidsongeschiktheidssituatie heeft naar mag worden aangenomen niet bijgedragen aan herstel, integendeel. Zulks kan aan NLT worden verweten. Daarbij komt dat NLT pas na lang aandringen van [verzoeker] heeft ingestemd met het advies van de bedrijfsarts om een mediationtraject te starten. Ook verder is niet gebleken van een daadwerkelijke positieve instelling van NLT ten aanzien van de re-integratie van [verzoeker]. Daar staat tegenover dat de spanningen tussen partijen voor een groot deel zijn terug te voeren op de privé-situatie van [verzoeker] en op het feit dat [verzoeker] door zijn privé-situatie in een burn-out is terecht gekomen. Deze oorzaak kan niet aan NLT worden verweten. De kantonrechter zal gelet op voornoemde omstandigheden de correctiefactor van de toe te kennen ontbindingsvergoeding vaststellen op 0,75.

6. Ten aanzien van het aantal gewogen dienstjaren die zullen worden meegerekend bij de vaststelling van de vergoeding, overweegt de kantonrechter als volgt. [verzoeker] is al vanaf 1 maart 1987 werkzaam als vestigingsdirecteur van het kantoor te Roden, waarna diverse overnames hebben plaatsgevonden. Ten tijde van de overname door NLT was er sprake van overgang van onderneming in de zin van art. 7:662 e.v. BW. Nu [verzoeker] niet op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam was bij [F], gaan de rechten en verplichtingen van [verzoeker], zoals de anciënniteit, niet over op rechtsopvolger NLT, ingevolge art. 7:663 BW. Maar gelet op de feitelijke arbeidshistorie van [verzoeker] bij het kantoor te Roden, dat verschillende eigenaren heeft gekend, is het naar het oordeel van de kantonrechter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de arbeidshistorie bij de vaststelling van de vergoeding onder deze omstandigheden geheel buiten beschouwing wordt gelaten. In dat kader merkt de kantonrechter op dat de positie van [verzoeker] als kantoordirecteur tijdens zijn werkzaamheden voor [F] feitelijk niet anders was dan in de periode daarvoor of daarna, maar dat zijn honorering wel anders was geregeld. [verzoeker] is gedurende die periode als certificaathouder van de aandelen [F] medebelanghebbende geweest in de resultaten van de gehele onderneming van [F], met welke constructie hij zelf heeft ingestemd. In die omstandigheden is het niet reëel het gehele arbeidsverleden van [verzoeker] bij het kantoor in Roden mee te doen tellen in de vaststelling van het aantal (gewogen) dienstjaren. Daar speelt in mee dat [verzoeker] klaarblijkelijk zelf heeft ingestemd met een andere constructie voor zijn honorering van kantoordirecteur van de vestiging Roden tijdens de periode [F] en daarmee zijn anciënniteit als werknemer heeft prijsgegeven.

Niettemin vindt de kantonrechter het geheel overziende aanleiding een deel van zijn werkzaam verleden mee te tellen voor de bepaling van de hoogte van de ontbindingsvergoeding. Daarbij in aanmerking nemend dat er sprake is van een reeks rechtsopvolgers, die voor de in de vestiging Roden werkzame medewerkers (waaronder [verzoeker]) telkens de verplichtingen jegens die medewerkers hebben overgenomen en gecontinueerd. Naar het oordeel van de kantonrechter is het gelet op alle feiten en omstandigheden dan ook billijk om het aantal gewogen dienstjaren van [verzoeker] vast te stellen op 15.

7. De vergoeding zal aldus worden vastgesteld op een bedrag ad € [bedrag vergoeding] bruto, inclusief vakantietoeslag.

8. Gezien het vorenstaande dient aan [verzoeker] een termijn te worden gegund om het verzoek in te trekken. De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden met ingang van [datum ontbinding] onder toekenning van voornoemde vergoeding, tenzij [verzoeker] het verzoek uiterlijk op [datum eventuele intrekking] intrekt.

9. Nu beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd.

Beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per [datum ontbinding], tenzij [verzoeker] het verzoek uiterlijk op [datum eventuele intrekking] intrekt;

kent aan [verzoeker] ten laste van NLT ter gelegenheid van voornoemde ontbinding een vergoeding toe ten bedrage van bruto € [bedrag vergoeding];

compenseert de proceskosten zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven te Assen en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2007 door mr. A. van der Meer, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

typ/conc. 167 SJSK

coll:

Beschikking verzonden op: