Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2007:BA1323

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
07-02-2007
Datum publicatie
22-03-2007
Zaaknummer
58606
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet limitering Alimentatie (WLA)

artikel 1:157 lid 4 jo lid 5 BW

afwijzing van verzoek tot verlenging

vrouw moet worden geacht eigen inkomen te verwerven en heeft zich kunnen aanpassen aan de nieuwe financiele situatie

huwelijksgerelateerde welstand kan naarmate de tijd verstrijkt minder aan het huwelijk worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2007, 46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 7 februari 2007

Zaaknummer 58606 / FA RK 06-1598

RECHTBANK ASSEN

Beschikking van de tweede enkelvoudige kamer in de zaak van:

[verzoekster]

wonende te [adres],

verzoekster, hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. I.G.H. Aarts-Mulder,

procureur W.M. Bierens,

-- en --

[verweerder]

wonende te [adres],

gerekwestreerde, hierna te noemen de man,

advocaat R.M.H.H. Tuinstra,

procureur mr. H.J. de Ruijter.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De vrouw heeft bij de rechtbank op 12 september 2006 een verzoekschrift ingediend, waarin zij verzoekt de alimentatietermijn met ingang van 15 september 2006 te verlengen met een termijn van 10 jaren, althans met een termijn zoals de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren en te bepalen dat de verlenging van de termijn na ommekomst daarvan mogelijk is.

De man heeft een verweerschrift ingediend strekkende tot afwijzing van het verzoek van de vrouw.

De rechtbank heeft brieven met bijlagen ontvangen van:

- mr. W.M. Bierens van 28 november 2006 en

- mr. R.M.H.H. Tuinstra van 30 november 2006.

De zaak is op 13 december 2006 mondeling behandeld. Verschenen zijn partijen en hun raadslieden respectievelijk mr. I.G.H. Aarts-Mulder en mr. R.M. H.H. Tuinstra.

Bij akte houdende vermindering van het inleidend verzoek heeft de vrouw nader geadstrueerd maar voormeld verzoek niet gewijzigd. Ter zitting had de man reeds aangegeven hierop niet te willen reageren.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Maastricht van 21 juli 1994 is de echtscheiding uitgesproken. Op 15 september 1994 is door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Groningen het huwelijk ontbonden.

Bij beschikking van de rechtbank Maastricht van 8 december 1993 in het kader van voorlopige voorzieningen is de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van f. 8.500,- per maand, alsmede het blijven voldoen van de eigenaarslasten van de echtelijke woning en de hypothecaire lasten.

Op 23 juli 1998 is een definitieve beslissing gegeven door de rechtbank Maastricht en is de alimentatie vastgesteld op f. 10.647,50 (€ 4.831,62) per maand, welke beslissing is bekrachtig door het Hof Den Bosch op 9 april 1999.

De vrouw heeft verlenging van de termijn verzocht omdat zij van mening is dat beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de termijn van zo ingrijpende aard is, dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd.

Zij stelt daartoe dat zij gelet op haar leeftijd ten tijde van de echtscheiding, zij niet meer in staat was een inkomen te verwerven zodanig dat zij in haar behoefte kon voorzien. De vrouw werpt op dat zij gezien haar leeftijd, opleiding en achtergrond, niet in staat was in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Zij heeft vrijwilligerswerk verricht, in de veronderstelling dat uit de werkzaamheden daarvan een betaalde baan zou gerealiseerd kunnen worden. Dat laatste is niet van de grond gekomen.

De man heeft zich gemotiveerd verweerd. Hij stelt onder meer dat uit de parlementaire geschiedenis van de Wet Limitering Alimentatie volgt dat er terughoudend dient te worden omgegaan met verlenging van verplichting tot de betaling door onderhoudsplichtigen.

Daarnaast voert de man aan dat het Hof heeft overwogen dat de vrouw een inspanningsverplichting heeft om in haar eigen onderhoud te voorzien en voorts in staat moet worden geacht een financiële regeling met betrekking tot haar oude dag te treffen.

De man stelt dat de vrouw dit heeft nagelaten, terwijl zij daartoe voldoende financiële middelen, gelegenheid en (intellectuele) capaciteiten had. Voorts voert de man aan dat hij met ingang van 1 februari 2007 pensioengerechtigd zal zijn waardoor zijn financiële situatie zal wijzigen.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van de stukken en hetgeen ter zitting besproken wordt het volgende.

Op 1 juli 1994 is de Wet Limitering Alimentatie in werking getreden. In artikel 1:157 lid 4 BW is bepaald dat indien een uitkering tot levensonderhoud is vastgesteld (na 1 juli 1994 hetwelk in dit geval aan de orde is) en de rechter geen termijn heeft vastgesteld, eindigt de verplichting van rechtswege na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren.

Vastgesteld moet dan ook worden dat de op de man rustende verplichting tot betaling van de alimentatie op 15 september 2006 is beëindigd.

Volgens het bepaalde in lid 5 van voormeld artikel kan de rechter, indien de beëindiging van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de alimentatiegerechtigde niet kan worden gevergd op diens verzoek alsnog een termijn stellen.

Voor het aannemen van onaanvaardbaarheid (van de beëindiging) gelden echter zware eisen. De gevolgen van beëindiging van de alimentatie moeten van ingrijpende aard zijn. Niet alleen de financiële gevolgen maar ook overige omstandigheden moeten hierbij worden betrokken. De mogelijkheden van de alimentatiegerechtigde vrouw, om zich in twaalf jaren, gelet op haar leeftijd, gezondheidstoestand, arbeidsverleden en achtergrond een eigen inkomen te verwerven, en of dit van haar kan worden gevergd, zijn in dit kader onder meer van belang. Ook het belang van de man om na meer dan twaalf jaar in het levensonderhoud van de vrouw te hebben voorzien uitzicht te hebben op beëindiging van de alimentatieverplichting is van betekenis.

In dit licht bezien overweegt de rechtbank als volgt.

Het Hof heeft het in haar arrest van 9 april 1999 redelijk geacht dat de vrouw na de echtscheiding in staat gesteld moest worden om aanvullende voorzieningen te treffen. Omdat de vrouw aanvullende oudedagsvoorzieningen wenste te treffen werd uitgegaan van een hogere behoefte. De rechtbank overweegt dat de overwegingen van het hof en het aanzienlijke tijdsverloop ten spijt de vrouw vorenbedoelde voorzieningen niet heeft getroffen.

Verder is van gewicht dat de vrouw in redelijkheid in staat moet worden geacht, gelet op haar intellectuele vermogen (zij behaalde voor het huwelijk het kandidaatsexamen in de geneeskunde), een eigen inkomen te verwerven (zelfs indien omscholing daarvoor vereist was). Het door de vrouw verrichte vrijwilligerswerk kan niet geduid worden als een deugdelijke poging om inkomsten te verwerven of de kansen daarop te vergroten.

De leeftijd van de vrouw ten tijde van de scheiding (51 jaar) en de mogelijk traditionele rolverdeling ten tijde van het 26 jaren durende huwelijk, waaruit een drietal kinderen is geboren, wegen bij de beoordeling mee, doch doen aan voornoemde omstandigheden niet (voldoende) af.

De rechtbank overweegt verder, hoewel niet te miskennen valt dat in geval van beëindiging van de onderhoudsplicht sprake is van een ingrijpende inkomensdaling, dat in het licht van de huidige tijdsgeest alsook de gedachte die bij de wetgever in het kader van de Wet Limitering Alimentatie heeft voorgezeten. Daarnaast heeft aan de zijde van de vrouw jarenlang de gelegenheid bestaan om zich aan te passen aan de nieuwe financiële situatie. Het vorenstaande in acht nemend, kan van de vrouw worden gevergd dat zij deze gelegenheid te baat heeft genomen dan wel bij ontstentenis daarvan dat inadequate aanpassing voor haar rekening moet komen. Het moet de vrouw duidelijk zijn geweest dat de partneralimentatie in beginsel eindig is. Zij kan dan ook niet met succes staande houden dat de beëindiging van de alimentatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid te ingrijpend is. Hierbij weegt verder mee dat de vrouw, zo is onweersproken komen vast te staan, het volgende inkomen en vermogen ter beschikking heeft:

- met ingang van 1 februari 2007 een deel van het pensioen van de man. Volgens de overgelegde onbetwiste stukken zou het pensioendeel van de vrouw neerkomen op € 16.484,- en indien de indexering hierop van toepassing is gaat het om een bedrag van € 18.000,- per jaar;

- per 17 april 2008 zal de vrouw een AOW-uitkering ontvangen;

- de helft van een uit te keren levensverzekering bij AXA ad € 88.621,=;

- inkomsten uit aandelen met een waarde van € 35.000,-;

- in het kader van de verdeling van de huwelijks gemeenschap zal de vrouw een bedrag van € 140.000,-ontvangen. In dit bedrag zit de waarde van het huis in Bunde;

- reeds ontvangen voorschotten in het kader van de vermogensverdeling ad ongeveer € 70.000,=;

- de overwaarde van het huis in Groningen is verdeeld; € 26.705.

Voldoende is komen vast te staan dat haar totale vermogen minstgenomen kan worden geschat op € 350.000,-.

In ogenschouw moet ook worden genomen dat de huwelijksgerelateerde welstand van de vrouw naarmate de tijd verstrijkt minder aan het huwelijk kan worden toegerekend.

De rechtbank overweegt ten slotte nog dat de man er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de vrouw zich er alles aan gelegen zou laten liggen om na ommekomst van de termijn van twaalf jaren in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Daarvan is, zoals hiervoor overwogen, niet gebleken. De omstandigheid dat de man (mogelijk) voldoende draagkracht zou hebben is overigens evenmin aanleiding om de inkomensachteruitgang als te ingrijpend in de zin van artikel 1:157 BW lid 4 te kwalificeren.

De rechtbank zal derhalve het verzoek van de vrouw de verplichting van de man tot alimentatiebetaling te verlengen afwijzen.

Proceskosten

In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn vindt de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren, dat wil zeggen te bepalen dat ieder zijn eigen kosten draagt

BESLISSING

De rechtbank

Wijst het verzoek van de vrouw af

Compenseert de proceskosten zodanig dat ieder zijn eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.J.R. de Locht, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 februari 2007 in tegenwoordigheid van C.G. Krouwel, griffier en door de rechter en de griffier voornoemd ondertekend.

N.B. De griffier deelt mede dat u tegen deze beschikking in hoger beroep kunt gaan bij het gerechtshof te Leeuwarden.

U kunt dit hoger beroep instellen binnen drie maanden na de dag van de uitspraak. Deze datum staat in de beschikking vermeld. Het beroep moet namens u worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor de rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daaromtrent nader informeren.