Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2007:AZ7128

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
25-01-2007
Datum publicatie
26-01-2007
Zaaknummer
19/810269-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Verdachte is het niet eens met de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van de door de rechtbank gegeven vrijheid om te bepalen waar de voorlopige hechtenis moet worden ondergaan.

In dit verband wijst de rechtbank de verdachte op de bezwaar- en verzoekschriftprocedure in de Penitentiaire beginselenwet bij de plaatsing en overplaatsing van gedetineerden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Assen

Parketnummer: 19/810269-06

BESCHIKKING van de derde meervoudige kamer in de zaak van:

[naam verdachte],

geboren op [geboortedatum verdachte] 1961 te [geboorteplaats verdachte],

wonende te [adres verdachte],

thans verblijvende in het huis van bewaring te Hoogeveen.

1. Gang van zaken.

De raadsman van verdachte heeft op 25 januari 2007 een verzoekschrift ingediend, strekkende tot afwijzing van de overplaatsing van verdachte naar een huis van bewaring te Amsterdam.

Verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, mr. J. Klopstra, advocaat te Stadskanaal, en de officier van justitie zijn gehoord in raadkamer op donderdag 25 januari 2007.

2. Motivering.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van het ingediende verzoekschrift het volgende:

de rechtbank heeft in haar bevel tot gevangenhouding van 28 december 2006 bepaald dat de voorlopige hechtenis van verdachte zal worden ondergaan in, samengevat, het huis van bewaring te Hoogeveen dan wel elders in een huis van bewaring.

Deze formulering is zo ruim dat de tenuitvoerlegging, behalve in het huis van bewaring te Hoogeveen, ook in elk ander huis van bewaring mogelijk is.

Van de mogelijkheid van artikel 78, vierde lid, Sv heeft de rechtbank geen gebruik gemaakt.

Onder deze omstandigheden is het niet aan de rechtbank om te treden in de bevoegdheden van de executerende instanties.

Verdachte is het niet eens met de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van de door de rechtbank gegeven vrijheid om te bepalen waar de voorlopige hechtenis moet worden ondergaan.

In dit verband wijst de rechtbank de verdachte op de bezwaar- en verzoekschrift-procedure in de Penitentiaire beginselenwet bij de plaatsing en overplaatsing van gedetineerden.

Het vorenstaande dient ertoe te leiden dat verdachte niet kan worden ontvangen in zijn verzoekschrift.

3. Beslissing.

De rechtbank verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het ingediende verzoekschrift.

Gegeven door mr. M.C. Fuhler, voorzitter, mr. A. Rombouts-Nieuwstraten en mr. N.R. Boonstra, rechters, in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, op 25 januari 2007.