Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2006:AZ5589

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
29-12-2006
Datum publicatie
04-01-2007
Zaaknummer
19/810185-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Al deze elementen zijn op zichzelf beschouwd niet voldoende om de deelneming van de verdachte aan de criminele organisatie bewezen te achten. De schiere omvang van de kwekerij en het feit dat er mensen van ver werkten, zoals de officier van justitie in zijn requisitoir heeft gesteld, maakt dit niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

STRAFVONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 1967,

wonende te [adres verdachte].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 15 december 2006.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen.

De officier van justitie mr. J. Hoekman acht hetgeen onder 1. en 2. is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

gevangenisstraf voor de tijd van achttien maanden.

TENLASTELEGGING

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij in of omstreeks de periode 01 augustus 2005 tot en met 5 september 2006 te Erica, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen verdachte en/of [naam medeverdachte] en/of [naam medeverdachte] en/of [naam betrokkene] en/of [naam betrokkene] en/of [naam betrokkene] en/of [naam betrokkene] en/of [naam betrokkene] en/of een of meer anderen en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het op beroeps- en/of bedrijfsmatige wijze van telen en/of bereiden en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren van een grote hoeveelheid hennep, althans middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet bedoelde lijsten I en/of II,

- het voorhanden hebben van wapens en/of munitie als bedoeld in de in artikel

2 van de Wet wapens en munitie opgenomen categoriën II en/of III;

2.

hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode 01 augustus 2005 tot en met 5 september 2006 te Erica, gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of een bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres pand]) (een) hoeveelheid/hoeveelheden van (in totaal tenminste) ongeveer 27.360 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

VRIJSPRAAK

De verdachte dient van het onder 1. en 2. tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende:

[naam getuige] verklaart omtrent de rol van verdachte dat laatstgenoemde in 2005 met zijn busje afval heeft opgehaald en afgevoerd. Volgens [naam getuige] ging het daarbij niet om hennepafval. [naam andere getuige] verklaart verdachte één keer in de kas te hebben gezien. Hij sloot toen een schakelkast aan.

[naam medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte hem een vuurwapen heeft geleverd. Verdachte heeft dit een- en andermaal ontkend. De verklaring van [naam medeverdachte] op dit punt wordt niet ondersteund door nader bewijs. [naam medeverdachte] verklaart voorts dat verdachte tot de harde kern behoort. Hij zou "in het complot" zitten. Hoe [naam medeverdachte] aan die wetenschap is gekomen, blijft, ook in de visie van de officier van justitie, onduidelijk. Dit maakt [naam medeverdachte] verklaring dat verdachte hem het vuurwapen heeft geleverd, niet aannemelijker.

De relatie tussen verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte] tenslotte bestaat hierin dat verdachte een auto van [naam medeverdachte] huurt, in een pand woont van de Vlaardingse Beleggingsmaatschappij en dat zijn contact bij die maatschappij een zwager van [naam medeverdachte] is.

Al deze elementen zijn op zichzelf beschouwd niet voldoende om de deelneming van de verdachte aan de criminele organisatie bewezen te achten. De schiere omvang van de kwekerij en het feit dat er mensen van ver werkten, zoals de officier van justitie in zijn requisitoir heeft gesteld, maakt dit niet anders.

Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.

BESLISSING VAN DE RECHTBANK

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1. en 2. is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Schoemaker, voorzitter, en mr. J.M.M. van Woensel en mr. G. Kaaij, rechters, in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 29 december 2006, zijnde mr. Kaaij buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.