Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2006:AZ1058

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
27-10-2006
Zaaknummer
49113 / HA ZA 04-840
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft gesloten overeenkomsten tussen een in Duitsland gevestigde verkoper en een in Nederland gevestigde koper. Als aan de koper voorlopige surseance van betaling wordt verleend, vraagt de verkoper de door haar geleverde goederen terug, wegens onbetaalde facturen en met een beroep op het overeengekomen zijn van eigendomsvoorbehoud. Daar wordt -met een beroep op de afkoelingsperiode- geen gehoor aan gegeven. Een deel van de goederen was op dat moment reeds in machines verwerkt en een deel zou nog worden verwerkt. De koper wordt vervolgens failliet verklaard. In het kader van een activa-transactie, verkoopt de curator onder andere de door de verkoper geleverde goederen aan een derde. Deze betaalt de koopsom volledig aan de boedel.

Vraagpunten:

1. Het toepasselijk recht bij voormelde internationale koop (dus: tussen een in Duitsland gevestigde verkoper en een in Nederland gevestigde koper) in geval van een verleende voorlopige surseance van betaling en het daarop volgend faillissement van de koper.

2. Het verlengde eigendomsvoorbehoud naar Duits recht en de vraag naar ongerechtvaardigde verrijking in geval van faillissement van de Nederlandse koper.

3. Onrechtmatig handelen bewindvoerder/curator q.q. en pro se.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 49113 / HA ZA 04-840

Vonnis in hoofdzaak van 11 oktober 2006

in de zaak van

de vennootschap naar Duits recht

[EISERES] (KEB),

gevestigd en kantoorhoudende te [woonplaats], Bondsrepubliek Duitsland,

eiseres,

procureur mr. H.J. de Ruijter,

advocaat mr. B.R. de Boer-Kühn te Amsterdam,

tegen

1. [GEDAAGDE] handelende in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van LOGTECH B.V.,

kantoorhoudende te [woonplaats],

2. [GEDAAGDE] PRO SÉ,

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. S.M. Faber,

advocaat mr. E.A.L. van Emden te 's-Gravenhage.

de tussenkomende partij:

de besloten vennootschap

BERANSTA B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Leeuwarden, Hidalgoweg 1,

intervenient,

procureur mr. J.J. Reiziger,

advocaten mr. F.B. Falkema en mr. M.F.J. Haak te Amsterdam,

Eiseres zal hierna worden aangeduid als KEB, gedaagde [gedaagde] zal, waar nodig en nuttig, als [gedaagde] q.q. respectievelijk [gedaagde] pro sé worden aangeduid, terwijl de tussenkomende partij zal worden aangeduid als Beransta.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 augustus 2005, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd;

- de akte overlegging productie ten behoeve van de comparitie van partijen aan de zijde van KEB van 27 oktober 2006;

- het proces-verbaal van comparitie van 27 oktober 2006,

- de conclusie van repliek tevens akte overlegging producties tevens aanbod getuigenverhoor aan de zijde van KEB van 1 maart 2006;

- de conclusie van dupliek aan de zijde van [gedaagde] q.q. van 24 mei 2006;

- de conclusie van dupliek aan de zijde van [gedaagde] pro sé van 24 mei 2006;

- de conclusie van dupliek aan de zijde van Beransta van 24 mei 2006;

- de bij de stukken gevoegde producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd betwist en/of op grond van de niet of onvoldoende weersproken inhoud van overgelegde producties, staat in dit geding het volgende vast:

2.1. KEB heeft goederen (o.a. frequentieregelaars voor de machinebouw) aan Logtech BV (verder: Logtech) verkocht en geleverd. In 2003 voor een totaalbedrag groot EUR 137.935,22 en in 2004 voor EUR 29.961,95.

2.2. KEB heeft geleverd onder algemene voorwaarden (AV). Daarin is onder meer zekerheid bedongen in de vorm van eigendomsvoorbehoud op de geleverde producten, inclusief een verlengd eigendomsvoorbehoud, alsmede een cessie van de vordering tot betaling aan haar door een derde-koper van de koopprijs als de onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken aan een derde worden (door)verkocht. Verder is in die AV bedongen dat bij doorverkoop aan derden als aan KEB te betalen koopprijs geldt het bedrag van de factuur vermeerderd met 10 procent.

2.3. Op de koop/verkoopovereenkomst met Logtech is Duits recht van toepassing.

2.4. Logtech heeft een aantal facturen van KEB onbetaald gelaten. Vanaf februari 2004 werden door KEB daarom uitsluitend nog goederen aan Logtech geleverd die op voorhand werden betaald. Dat beliep een bedrag van circa EUR 5.000,00.

2.5. Aan Logtech is op 25 maart 2004 voorlopige surseance van betaling verleend, waarna een afkoelingsperiode is opgelegd. [gedaagde] is benoemd tot bewindvoerder.

2.6. Bij brief van 14 april 2004 heeft KEB:

- haar vordering ter zake van de onbetaalde facturen bij [gedaagde] ingediend

- een beroep gedaan op het eigendomvoorbehoud

- aangegeven dat zij haar eigendommen wenste op te halen.

[gedaagde] heeft dit laatste geweigerd met een beroep op de afkoelingsperiode. Op 29 april 2004 zijn medewerkers van KEB bij het bedrijfspand van Logtech geweest om de goederen die door KEB waren geleverd te inventariseren en terug te halen. Dat heeft [gedaagde] nog steeds niet toegestaan bij monde van een medewerker van Logtech. Hij heeft voor deze weigering een verklaring gegeven bij brief van 29 april 2004. [gedaagde] heeft in die brief aan KEB gesteld dat door KEB geleverde schakelingen waren verwerkt in de bij Logtech gereed staande machines en dat uitlevering van de machines essentieel is voor de kansen van de surseance. Aan KEB is verzocht haar medewerking te verlenen.

Gegarandeerd is dat de koopprijs van de zaken van KEB die na de surseance zijn verwerkt, als boedelschulden zullen worden beschouwd en door hem, bewindvoerder, zullen worden betaald.

2.7. Medewerkers van KEB zijn op 3 mei 2004 weer bij het bedrijfspand van Logtech geweest. Met hen is toen een gesprek gevoerd door derden die zeiden namens [gedaagde] te spreken. [gedaagde] is niet bij dit gesprek geweest. Die derden hebben toen in zijn naam inventarisatie en het meenemen van door KEB geleverde goederen geweigerd.

2.8. Logtech is kort daarna, op 10 mei 2004, failliet verklaard. [gedaagde] is benoemd tot curator.

2.9. De dag na het faillissement heeft de raadsvrouw van KEB met [gedaagde] gesproken over onder meer het eigendomsvoorbehoud waar KEB zich op had beroepen en bleef beroepen.

[gedaagde] deelde toen mee dat op 11 mei 2004 (wederom) een afkoelingsperiode van 1 maand was gelast.

De dag daarna, 12 mei 2004, heeft de raadsvrouw van KEB bij brief wederom meegedeeld dat KEB uitdrukkelijk aanspraak maakt op haar rechten. Daarbij is gesteld dat de goederen van KEB gemakkelijk te identificeren zijn en dat het eigendomsvoorbehoud zich ook uitstrekt over goederen die reeds in machines zijn verwerkt. [gedaagde] heeft hier niet op gereageerd.

2.10. Op 13 mei 2004 hebben [gedaagde] en Beransta een overeenkomst gesloten houdende de verkoop en overdracht van de materiële vaste activa, immateriële activa, de vorderingen op de handelsdebiteuren en het onderhanden werk, alsmede de overname van 8 arbeidskrachten van Logtech.

De van die verkoop opgemaakte akte vermeldt in artikel 3 dat Beransta er door [gedaagde] op is gewezen

- dat diverse leveranciers een eigendomsvoorbehoud hebben ingeroepen met betrekking tot onverwerkte en reeds verwerkte materialen,

- dat Beransta zich verplicht eventuele rechten van die derden te respecteren, en

- dat Beransta aan die derden hun eigendom moet teruggeven, dan wel daarvoor een vergoeding moet betalen.

[gedaagde] heeft Beransta daarbij niet woordelijk specifiek op de hoogte gesteld van de claim van KEB. Wel heeft hij een afschrift van de brief van 12 mei 2004 van KEB aan Beransta overhandigd.

Beransta heeft de koopsom aan [gedaagde] voldaan.

2.11. Op 26 mei 2004 heeft de raadsvrouw van KEB telefonisch contact met [gedaagde] opgenomen in verband met het uitblijven van een reactie op haar brief van 12 mei 2004. Zij vernam toen dat intussen een activa-transactie had plaatsgevonden waarbij onder meer de goederen van KEB waren verkocht aan Machinefabriek [dochterbv van Beransta] (verder: [dochterbv van Beransta]). [gedaagde] heeft toen onder meer gesteld dat de goederen nog niet waren geleverd.

Bij brief van diezelfde dag heeft de raadsvrouw van KEB dat gesprek aan [gedaagde] bevestigd, gesteld dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld en dat hij de goederen van KEB niet aan [dochterbv van Beransta] mag leveren Ook [dochterbv van Beransta] is door haar diezelfde dag aangeschreven. [dochterbv van Beransta] heeft daarop bericht dat de machines al op 12 mei 2004 waren gekocht en de dag daarna al aan haar waren geleverd.

Dit was voor de raadsvrouw van KEB reden om [gedaagde] bij brief van 1 juni 2004 aan te schrijven. Daarbij is gevraagd waarom een reactie op de brief van 26 mei 2004 uitbleef.

2.12. [dochterbv van Beransta] is een dochter van Beransta.

2.13. Op 3 juni 2004 heeft KEB beslag gelegd op rekeningen van [dochterbv van Beransta].

2.14. Bij brief van 3 juni 2004 heeft [gedaagde] aan KEB medegedeeld dat er sprake is geweest van een activa-transactie met Beransta op 13 mei 2004, dat het in het belang van de boedel was om de activa in zijn geheel te verkopen en dat Beransta is gewezen op het ingeroepen eigendomsvoorbehoud en zich heeft verplicht gerechtvaardigde eigendomsrechten te respecteren.

Voorts heeft [gedaagde] aangegeven dat hij de rechtsgeldigheid van de claim van KEB nog niet had beoordeeld en dat Logtech zich op het standpunt stelt dat de bij haar aanwezige goederen van KEB op voorhand waren betaald.

2.15. Op 7 juni 2004 hebben medewerkers van KEB nogmaals getracht een inventarisatie te maken van de geleverde goederen. Hun werd de toegang tot het bedrijfspand van Logtech wederom ontzegd.

2.16. Op 10 juni 2004 hebben [dochterbv van Beransta] en Beransta tegenover de voorzieningenrechter opheffing van het door KEB gelegde beslag gevorderd. In reconventie heeft KEB teruggave gevorderd van haar eigendom dat nog niet was verwerkt. Ook heeft zij gevorderd dat opgave zou worden gedaan van de goederen van KEB die al in de verkochte machines waren ingebouwd. [dochterbv van Beransta] en Beransta zijn in het kort geding hoofdelijk veroordeeld tot teruggave aan KEB van de niet verwerkte goederen, alsmede tot het verstrekken van lijsten houdende een opgave van de producten van KEB die zijn ingebouwd in een drietal verkochte en zich onder hen bevindende machines. Aan deze veroordeling is voldaan. De factuurwaarde van de in de machines ingebouwde ‘KEB-producten’ bedraagt EUR 61.358,32. De aan KEB geretourneerde losse voorraad goederen heeft een totale waarde van EUR 12.798,50 en betreft voor een bedrag groot EUR 8.134,30 goederen die op de openstaande facturen zijn vermeld en dus niet waren betaald.

Het gelegde beslag is door de voorzieningenrechter opgeheven. KEB is veroordeeld in de proceskosten voor een bedrag van EUR 1.016,40.

2.17. Beransta heeft zich op het standpunt gesteld dat zij niets verschuldigd is aan KEB omdat zij al heeft betaald voor de goederen die door [gedaagde] aan haar waren geleverd. Van de, uit de overeenkomst tussen Logtech en KEB voortvloeiende, cessie aan KEB van de door haar te betalen koopsom was geen mededeling aan haar gedaan door [gedaagde]. KEB zal zich volgens haar tot [gedaagde] moeten wenden.

1. De vordering

1.1. KEB vordert bij dagvaarding en akte vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

primair:

1. voor recht zal verklaren dat aan KEB rechthebbende is op het bedrag ad EUR 61.358,32, zijnde het bedrag waarmee de boedel ongerechtvaardigd is verrijkt;

2. voor recht zal verklaren dat betaling aan KEB van het bedrag ad EUR 61.358,32 tot een bij voorrang te voldoene boedelvordering leidt met voorbijgaan aan de aanspraken van andere boedelcrediteuren en deze vordering zonder de afwikkeling van de boedel af te wachten moet worden uitbetaald;

3. zal verklaren dat [gedaagde] q.q. onrechtmatig heeft gehandeld;

4. zal verklaren dat [gedaagde] pro sé onrechtmatig heeft gehandeld;

en

[gedaagde] q.q. en [gedaagde] pro sé hoofdelijk zal veroordelen tot betaling aan KEB binnen tien dagen na betekening van dit vonnis:

5. de hoofdsom ad EUR 61.358,32;

6. de opslag van 10% over de hoofdsom;

7. de wettelijke rente over de hoofdsom plus opslag van 10% vanaf dag der dagvaarding tot en met de dag der algehele voldoening, met als berekeningsgrondslag hoofdsom plus jaarlijks samengestelde interest;

8. de buitengerechtelijke kosten ad EUR 4.275,72 plus wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding tot aan die der algehele voldoening;

9. een voorschot op schadevergoeding ad EUR 12.853,00 nader op te maken bij staat;

10. de kosten van dit geding, waaronder begrepen de noodzakelijke verschotten en het salaris van de procureur;

11. de handelsrente ingevolge artikel 6:119a BW over de hoofdsom vanaf de dag der dagvaarding tot en met de dag der algehele voldoening;

en voorts

- [gedaagde] q.q. en [gedaagde] pro sé hoofdelijk zal veroordelen en zal bepalen, des dat de één presterende de ander zal zijn bevrijdt;

- [gedaagde] q.q. en [gedaagde] pro sé zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

1.2. KEB baseert haar vorderingen op de volgende verkort weergegeven stellingen.

[gedaagde] heeft verzuimd Beransta een rechtsgeldige mededeling te doen van de cessie van de koopsom met als gevolg dat Beransta bevrijdend heeft betaald aan de boedel; hetgeen ook voor de voorzieningrechter uitgangpunt is geweest.

Daardoor is een ongerechtvaardigde verrijking van de boedel opgetreden. Dat levert op een onrechtmatig handelen door [gedaagde] q.q. en pro sé als gevolg waarvan zij schade heeft geleden, doordat de aan Logtech geleverde goederen niet alle waren betaald, terwijl het de taak van [gedaagde] als bewindvoerder en als curator was om het eigendomsrecht van KEB te beschermen

Op de goederen rustte immers een eigendomsvoorbehoud en omdat het Duits recht het zogenaamde verlengde eigendomsrecht kent, was sprake van mede-eigendom van de aan Beransta verkochte machines waarin ‘KEB-onderdelen’ waren ingebouwd.

Door [gedaagde] is nalatig, lichtvaardig en onzorgvuldig gehandeld.

4. Het verweer

Door [gedaagde] is gesteld dat:

I. op de verwerkte goederen geen eigendomsvoorbehoud meer rustte, gelet op:

a. artikel 3:92a BW en het feit dat de levering in Nederland plaatsvond;

b. het feit dat KEB niet heeft aangetoond dat het goederen betreft die onbetaald zijn gebleven.

II. geen sprake is van onrechtmatig handelen: hij heeft, gelet op het Maclou-arrest, gehandeld conform de normen die voor een bewindvoerder en curator gelden.

Daarnaast kan KEB op de ten tijde van de surseance reeds verwerkte goederen geen rechten doen gelden en van tijdens de surseance verwerkte goederen is toegezegd dat betaling als boedelschuld zal plaatsvinden. Voor de verkochte losse goederen is bedongen dat Beransta de rechten van KEB dient te respecteren.

Beransta heeft als gevoegde partij gesteld dat:

- het eigendomsvoorbehoud na de inbouw is vervallen door de werking van artikel 3:92a BW,

- geen sprake is van een voltooide cessie, en

- geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking omdat de curator bevoegd was tot inning van de vordering.

5. Beoordeling van het geschil

Toepasselijk recht

5.1. Nu partijen in verschillende EU-staten gevestigd, c.q. woonachtig zijn zal de rechtbank vaststellen welk nationaal recht, met toepassing van het EG-recht, zal moeten worden toegepast.

De rechtbank is van oordeel -en tussen partijen is dat ook niet in geschil- dat de beoordeling van de vraag of sprake is van ongerechtvaardigde verrijking en/of onrechtmatig handelen dient te geschieden naar Nederlands recht, nu de vermeende gedragingen hebben plaatsgevonden in Nederland, ook al strekken de gevolgen zich uit naar Duitsland.

5.2. Voor de beoordeling van die gedragingen is het beroep van KEB op het eigendomsvoorbehoud van belang.

Doordat:

- de AV van KEB onderdeel uitmaken van de tussen Logtech en KEB gesloten overeenkomst,

- op die overeenkomst Duits recht van toepassing is,

- in de AV een eigendomsvoorbehoud is opgenomen, en

- het Duitse recht het eigendomsvoorbehoud kent,

impliceert het tussen partijen overeengekomene dat er een eigendomsvoorbehoud naar Duits recht ten gunste van KEB gold voor de door KEB geleverde en later in de door [gedaagde] doorverkochte machines ingebouwde goederen, zolang niet voor die goederen was betaald. Het Duits recht kent een zogenaamd ‘verlengd eigendomsvoorbehoud’, inhoudende dat bij verwerking van zaken waarop eigendomsvoorbehoud rust, mede-eigendom ontstaat van het nieuwe product.

5.3. Het is vervolgens de vraag of deze Duitse rechtsfiguur tot gevolg kan hebben dat de in de machines verwerkte en door KEB geleverde niet-betaalde goederen, buiten de boedel vallen waarvoor [gedaagde] als bewindvoerder en later curator de verantwoordelijkheid droeg.

Bepalend hiervoor is hetgeen in de Europese Insolventieverordening (Verordening nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000, PbEG L 160, verder te noemen: EIV) is voorgeschreven.

Ingevolge het bepaalde in artikel 4 van die verordening bepaalt het recht van de lidstaat waar een insolventieprocedure wordt geopend -onder meer- welk deel van het vermogen van de schuldenaar tot de boedel behoort, of de na de opening van die procedure verkregen goederen tot die boedel behoren, alsmede de gevolgen van de insolventieprocedure voor lopende overeenkomsten waarbij de schuldenaar partij is. Gelet daarop bepaalt het Nederlandse recht of de goederen van KEB tot de boedel behoren, met andere woorden of het eigendomsvoorbehoud door KEB dan nog uitgeoefend kan worden.

Daarbij komt dat ook volgens de in EU-verband algemeen geaccepteerde hoofdregel van de lex rei sitae het Nederlandse recht van toepassing is ten tijde van de door KEB nagestreefde effectuering van het voorbehoud, nu de goederen zich toen in Nederland bevonden (zo onder meer Asser 3 III goederenrecht, onder nr. 417a, mr. J.A. van der Weide, onder meer in WPNR 2002/pagina 411 en Hoge Raad 7 januari 2000 LJN AA 4123, JOR 2000,46).

Het voorgaande leidt er toe dat zowel het Nederlandse verbintenissen- als zakenrecht van toepassing is en dat het Duitse recht wijkt voor zover het Nederlandse afwijkt en hetzelfde onderwerp regelt.

Ongerechtvaardigde verrijking

Betreffende de voorafgaand aan de verleende voorlopige surseance ingebouwde goederen

5.4. Gesteld is dat de boedel ongerechtvaardigd is verrijkt door het inbouwen van de door KEB geleverde en niet betaalde goederen. In dit verband is door partijen uitgebreid gediscussieerd over de strekking van artikel 3:92a BW.

Aan die bepaling van conflictenrecht komt in het onderhavige geval geen betekenis toe nu in de EIV een speciale regeling is getroffen voor situaties als de onderhavige, op grond waarvan in het onderhavige geval het Nederlandse recht bepaalt wat tot de boedel behoort.

5.5. Van ongerechtvaardigde verrijking is sprake indien de boedel ten koste van KEB een voordeel heeft verkregen, waarvoor geen redelijke grond bestaat.

Voor zover de vordering van KEB betrekking heeft op goederen die reeds vóór de verleende voorlopige surseance van betaling ingebouwd waren, kan daarvan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn. Op grond van de EIV bepaalt immers het Nederlandse recht wat tot de boedel behoort. Het Nederlands recht kent geen verlengd eigendomsvoorbehoud, noch het ontstaan van mede-eigendom bij verwerking van een zaak als uitvloeisel van een eigendomsvoorbehoud. Op grond van het Nederlandse recht zijn de goederen door de inbouw bestanddeel gaan uitmaken van de desbetreffende machines en daarmee was de eigenaar van de machines (zijnde Logtech), al eigenaar van die goederen geworden (zie de artikelen 5:14 en 5:16 BW) vóórdat van een boedel sprake was.

5.6. Omdat geen eigendomsvoorbehoud voor deze ingebouwde goederen geëffectueerd kan worden, kan het cessiebeding voor deze goederen evenmin worden ingeroepen om tot een veroordeling van [gedaagde] te komen die met voorrang moet worden voldaan, voorbijgaand aan aanspraken van andere boedelcrediteuren. Immers, dat zou langs een omweg via het verbintenissenrecht het uit de keuze van de wetgever voortvloeiende zakenrechtelijke gevolg, ongedaan maken, waar de verkoop heeft plaatsgevonden tijdens het verleende faillissement, en derhalve op een moment waarop het eigendomsvoorbehoud niet meer geldend gemaakt kon worden. Een dergelijke werking van het verbintenissenrecht verdraagt zich niet met het gesloten systeem van het Nederlandse zakenrecht.

Betreffende de na de verleende voorlopige surseance ingebouwde goederen

1.1. Voor zover de vordering van KEB betrekking heeft op goederen die na de verleende voorlopige surseance van betaling ingebouwd zijn, is de rechtbank van oordeel dat wel sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van de boedel aangezien [gedaagde] de goederen heeft doen inbouwen en daarmee tot onderdeel van de boedel heeft gemaakt zonder een rechtsgeldige cessie van de koopsom, hoewel dat niet gerechtvaardigd was nu hij wist dat de goederen nog niet betaald waren en dat er een eigendomsvoorbehoud op rustte.

5.8. Zoals hiervoor onder ro. 5.2 reeds is overwogen en beslist, dient de geldigheid en omvang van het eigendomsvoorbehoud te worden beoordeeld aan de hand van het Duitse recht. Gelet daarop, alsmede het bepaalde in de tussen Logtech en KEB gesloten overeenkomsten is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een geldig eigendomsvoorbehoud op alle losse goederen die er op het moment van de verleende voorlopige surseance nog waren, voor zover de facturen van KEB nog niet voldaan waren. Anders dan [gedaagde], is de rechtbank van oordeel dat het in artikel IX van de overeenkomsten opgenomen eigendomsvoorbehoud ertoe strekt dat er een eigendomsvoorbehoud rust op alle geleverde goederen voor zolang er nog facturen openstaan. Expliciet is aangegeven dat daar sprake van is tot volledige voldoening van alle tegenwoordige en toekomstige aanspraken tegen de besteller uit de zakenrelatie. Anders dan [gedaagde] meent, behoeft KEB dan ook niet aan te geven welke (losse) goederen er nog niet betaald waren.

5.9. Voorts is de rechtbank van oordeel dat door [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd is betwist dat de door KEB gestelde nog openstaande facturen nog niet betaald waren. Daarbij betrekt de rechtbank dat door [gedaagde] enkel is gesteld dat hij betwist dat KEB een vordering heeft van EUR 77.393,00 en dat KEB geen stukken heeft overgelegd waaruit dat zou blijken. Nu KEB echter een compleet overzicht heeft overgelegd van de gestelde, nog openstaande facturen, de onderliggende facturen zich in de administratie van Logtech bevinden en vaststaat dat KEB vanaf februari 2004 alleen nog tegen vooruitbetaling is gaan leveren omdat haar facturen niet meer betaald werden, ligt het op de weg van [gedaagde] ligt om, indien een en ander wel betaald zou zijn, dan wel vermelde bedragen bij de door KEB opgegeven facturen niet juist zouden zijn, dat concreet aan te geven.

5.10. Bij dupliek is door [gedaagde] voorts nog aangevoerd dat ‘inmiddels’ is vastgesteld dat er gedurende de periode na de verleende voorlopige surseance in het geheel geen ‘KEB-goederen’ meer verbruikt/verwerkt zouden zijn (onder 23). Daarbij is tevens aangegeven dat medewerkers van Logtech zulks zouden kunnen verklaren.

De rechtbank passeert die stelling om reden dat [gedaagde] tardief met die stelling komt én niet consistent is in zijn beweringen op dit punt. Deze nieuwe stelling is namelijk niet te rijmen met hetgeen overigens in die conclusie is gesteld.

Zo is onder meer gesteld dat niet eerder onderkend kon worden of sprake was van verbruikte ‘KEB-goederen’ waarop het eigendomsvoorbehoud rustte, omdat KEB haar stelling onvoldoende zou hebben gepreciseerd. Voor nadere precisiering zou naar het oordeel van de rechtbank echter toch geen enkele noodzaak hebben bestaan als in het geheel geen ‘KEB-goederen’ meer verbruikt zouden zijn.

Tevens staat deze nieuwe stelling haaks op het feit dat onder meer op de comparitie (zie onder 9 van de aantekeningen) door [gedaagde] expliciet is gemeld dat er gedurende de surseance maar een paar goederen van KEB zijn ingebouwd.

Daarbij is van belang dat [gedaagde] (onder meer bij antwoord expliciet) heeft aangegeven zelf geen inventarisatie te hebben gemaakt, doch te hebben vertrouwd op mededelingen van medewerkers van Logtech. Op dat moment zijn er kennelijk medewerkers van Logtech geweest die hem hebben medegedeeld dat maar een paar ‘KEB-goederen’ zouden zijn ingebouwd.

De rechtbank wijst er voorts op dat [gedaagde] (bij antwoord en in zijn brief van 3 juni 2004) ook heeft gesteld dat er volgens de medewerkers van Logtech op het moment van de verleende voorlopige surseance uitsluitend nog goederen waren die reeds waren (vooruit)betaald, terwijl vaststaat dat KEB voor circa EUR 5.000,00 goederen tegen vooruitbetaling heeft geleverd, alsmede dat Beransta losse goederen met een waarde groot circa EUR 12.000,00 aan KEB heeft teruggegeven, waarvan een gedeelte voor een bedrag groot EUR 8.134,30 goederen betreft die op de openstaande facturen zijn vermeld en dus niet waren betaald. Bij dupliek heeft [gedaagde] in het geheel geen verklaring gegeven voor deze inconsistenties. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] zijn eerst bij dupliek ingenomen stelling, dat er na de voorlopige surseancedatum in het geheel geen goederen van KEB meer zouden zijn verbruikt, onvoldoende adequaat heeft onderbouwd.

Voor zover door [gedaagde] ter staving van die stelling is verwezen naar de projectadministratie, overweegt de rechtbank nog dat daaruit in het geheel niet valt af te leiden welk onderdeel wanneer uit de voorraad is gehaald en feitelijk in de machines is ingebouwd.

5.11. De vraag die voorligt is thans hoeveel ‘KEB-goederen’ er vanaf de verleende voorlopige surseance zijn ingebouwd. De rechtbank is van oordeel dat vaststaat dat [gedaagde] zich in het geheel niet op de hoogte heeft gesteld van de omvang van gebruikte ‘KEB-goederen’ in die periode én kennelijk zelfs niet heeft aangegeven aan de medewerkers van Logtech dat zij dat dienden bij te houden. Dit, terwijl dat naar het oordeel van de rechtbank op zijn weg lag, nu -zoals hij zelf ook heeft geschreven aan KEB- bij een geldig eigendomsvoorbehoud, door het verbruik een boedelschuld ontstaat. Door [gedaagde] is weliswaar gesteld dat KEB zal moeten aantonen welke goederen zijn verbruikt, de rechtbank volgt [gedaagde] daarin echter niet. De goederen bevonden zich onder Logtech en KEB werd zelfs niet in de gelegenheid gesteld een inventarisatie van haar goederen te maken.

Uit hetgeen ter zake door [gedaagde] is gesteld (zie hiervoor onder ro. 5.10) volgt naar het oordeel van de rechtbank voorts dat kennelijk niet meer is te achterhalen welke en hoeveel ‘KEB-goederen’ exact zijn gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat dat voor rekening en risico van [gedaagde] komt, omdat het op zijn weg lag een en ander bij te (laten) houden. Gelet daarop zal de rechtbank een schatting moeten maken. Het enige aanknopingspunt dat voorligt, is dat de drie machines tijdens de surseance afgebouwd werden en derhalve reeds in een bepaalde mate waren gebouwd. Gelet daarop zal de rechtbank het er, bij gebreke van overige reële aanknopingspunten, voor houden dat de helft van de ingebouwde KEB-goederen na de voorlopige surseance zijn ingebouwd. Dat betekent dat het ervoor wordt gehouden dat de boedel voor een bedrag groot EUR 30.679,16 (1/2 van EUR 61.358,32) ongerechtvaardigd is verrijkt.

Preferentie

5.12. Door KEB is gevorderd te verklaren voor recht dat betaling van gemeld bedrag onder ro. 5.11 tot een bij voorrang te voldoene boedelvordering leidt met voorbijgaan aan de aanspraken van andere boedelcrediteuren.

De rechtbank overweegt dat uitgangspunt in het Nederlandse rechtstelsel de gelijkheid van schuldeisers is, behoudens de door de wet erkende redenen van voorrang. Het stelsel van wettelijke preferenties heeft een gesloten karakter. Het is echter desondanks mogelijk dat feitelijk voorrang plaatsvindt. Dat kan uit de wet voortvloeien, zoals door verrekening, doch ook geschieden op grond van bijzondere feitelijke omstandigheden, zo is door de Hoge Raad aanvaard. Een vordering als de onderhavige is in beginsel een concurrente boedelschuld. De vraag die voorligt is derhalve of sprake is van feiten en omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat zulks het geval is. Dit gelet op het feit dat KEB had aangegeven haar eigendommen te willen terughalen, zij door [gedaagde] niet in staat is gesteld haar eigendommen terug te halen en [gedaagde] deze zonder vooroverleg of gevraagde toestemming heeft laten verbruiken.

Onrechtmatige daad

5.13. Heeft [gedaagde] als bewindvoerder en/of curator q.q. en/of pro sé niet gehandeld zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende bewindvoerder/curator, die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht. De zogenaamde Maclou-norm, uit het arrest van de Hoge Raad van 19 april 1996 (JOR 1996/48). De rechtbank is van oordeel dat die norm, gelet op de taak die door een bewindvoerder moet worden uitgeoefend, ook voor een bewindvoerder kan worden aangehouden.

5.14. KEB meent dat [gedaagde] daar niet aan heeft voldaan. Hij zou nalatig, lichtvaardig en onzorgvuldig hebben gehandeld. Hij heeft:

- willens en wetens en zonder toestemming van KEB, goederen verkocht waarop een voor hem kenbaar eigendomsvoorbehoud van KEB rustte, nu KEB haar vordering met een overzichtslijst met alle factuurnummers en de algemene voorwaarden bij [gedaagde] had ingediend en alle facturen zich in de administratie van Logtech bevonden;

- KEB, ondanks haar verzoeken, niet in de gelegenheid gesteld de geleverde zaken aan te wijzen/te inventariseren;

- geen nader onderzoek ingesteld n.a.v. de correspondentie, noch zich feitelijk en juridisch verdiept in de zaak;

- zelf geen idee opgedaan van de precieze omvang van de (van KEB afkomstige) activa, ook niet van die, die tijdens de surseance zijn ingebouwd; betaling van die goederen heeft ook nimmer plaatsgevonden;

- het vertrouwen van KEB geschonden, door informatie achter te houden nu op 12 mei 2004 niet is gerept van de verkoop;

- gelogen, door een onjuiste naam van de koper ([dochterbv van Beransta] in plaats van Beransta) op te geven;

- gehandeld in strijd met zijn informatieplicht;

- de afkoelingsperiode misbruikt, nu dat een ordemaatregel is om de bewindvoerder/curator de gelegenheid te geven zijn standpunt te bepalen én niet is bedoeld om een wijziging in de rechten van crediteuren te brengen, wat hier wel is gebeurd;

- in de koopovereenkomst met Beransta onvoldoende de belangen van KEB gewaarborgd; KEB mocht op 7 juni 2004 niet van Beransta bij haar goederen komen om deze te inventariseren en ze werden ook niet vrijwillig afgegeven, KEB moest daarvoor een kort geding voeren en dus kosten maken.

5.15. [gedaagde] heeft aangevoerd:

- dat een behoorlijk handelend bewindvoerder de door KEB tijdens de surseance gedane verzoeken niet kon honoreren, nu beoogd werd drie machines af te bouwen omdat na afbouw en levering daarvan een deel van de koopsom voor die machines ontvangen zou worden waarmee de liquiditeitspositie van Logtech dan zodanig werd versterkt dat aan lopende verplichtingen voldaan zou kunnen worden en op langere termijn de crediteuren bevredigd zouden kunnen worden;

- dat een bewindvoerder er, in geval van lopende onderhandelingen met potentiële kopers van de onderneming, niet verstandig aan doet melding te maken van een dreigend faillissement, omdat dat een doorstart zou kunnen doorkruisen;

- dat hij navraag naar de eigendomsrechten bij medewerkers van Logtech heeft gedaan na ontvangst van de claim van KEB en toen te horen heeft gekregen dat de op surseancedatum aanwezige goederen reeds betaalde goederen waren; een bewindvoerder mag daarop afgaan; KEB heeft eerst bij brief van 12 mei 2004 dat standpunt bij gebrek aan wetenschap betwist;

- dat met het opnemen van de voorziening onder artikel 3, lid 3, in de koopovereenkomst met Beransta en het melden van de aanspraken die KEB claimde aan Beransta, voldoende rekening is gehouden met de belangen van KEB, mede gelet op het feit dat Beransta een solide bedrijf met een goede reputatie is; Beransta wilde alleen een overeenkomst sluiten als alle goederen aan haar werden verkocht, het niet teruggeven daarvan was dus nodig voor het afbouwen van de machines, dan wel de verdere voortzetting van de onderneming en daarmee in het belang van de gezamenlijke crediteuren.

Voorts betwist [gedaagde] de omvang van de gestelde schade en heeft hij gesteld

dat sprake is van eigen schuld, nu KEB in januari/februari 2004 de niet betaalde goederen terug had kunnen halen.

5.16. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat door [gedaagde] in de afkoelingsperiode van de voorlopig verleende surseance de losse ‘KEB-goederen’ niet werden teruggegeven, op zich zelf niet onrechtmatig is. Dit gelet op doel en strekking van (de afkoelingsperiode in) een surseance in samenhang met de taak van een bewindvoerder en het feit dat [gedaagde] heeft aangegeven dat uitlevering van de machines essentieel is voor de kansen van de surseance, alsmede dat goederen die voor inbouw gebruikt zouden worden als boedelschuld betaald zouden worden.

5.17. Gelet op de feitelijke gang van zaken is de rechtbank echter van oordeel dat door [gedaagde] toch niet is gehandeld zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende bewindvoerder en curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht.

Vaststaat immers dat [gedaagde] zich in het geheel niet op de hoogte heeft gesteld van de omvang van gebruikte ‘KEB-goederen’ vanaf de surseancedatum én zelfs niet heeft aangegeven aan de medewerkers van Logtech dat zij dat dienden bij te houden. Dit, terwijl het zijn taak is om daar inzicht in te hebben, nu hij (tezamen met Logtech het beheer voerende) KEB er van heeft afgehouden haar eigendommen terug te halen onder de ‘garantie’ dat gebruikte goederen als boedelschuld betaald zullen worden. KEB had geen enkel zicht op wat er met haar goederen gebeurde. In het onderhavige geval geldt dat des te meer nu KEB zelfs er van is afgehouden een inventarisatie te maken van de door haar geleverde goederen.

Ook tijdens het faillissement was dat het geval.

Voorts kan -nu [gedaagde] zulks niet heeft betwist- als vaststaand worden aangenomen dat [gedaagde] zich in het geheel niet heeft verdiept in de vraag of het beroep op het eigendomsvoorbehoud al dan niet terecht is geschied. Hij heeft de goederen verkocht en vervolgens KEB verwezen naar Beransta, de koper, onder vermelding dat hij met Beransta is overeengekomen dat deze de rechten van derden zal respecteren.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] daarmee niet heeft gehandeld zoals van een zorgvuldig handelend curator mag worden verwacht. Te meer, nu KEB haar vordering met een overzichtslijst met alle factuurnummers en de algemene voorwaarden bij [gedaagde] had ingediend. Van hem had verlangd mogen worden dat hij een nader onderzoek zou instellen om elke redelijke twijfel over het al dan niet gerechtvaardigd zijn van het inroepen van het eigendomsvoorbehoud, weg te nemen. Door hem is weliswaar gesteld dat Beransta alleen tot koop wenste over te gaan indien alle voorraden zouden worden verkocht, echter van een eigendomsoverdracht aan Beransta kon nimmer sprake zijn indien en voor zover sprake was van een geldend te maken eigendomsvoorbehoud door KEB. Dat was, gelet op de ter zake opgenomen clausule, ook voor Beransta duidelijk. Het gaat niet aan om indien voldoende aanknopingspunten zijn verstrekt, zonder enig onderzoek naar de geldigheid van de claim van eigendomsvoorbehoud, goederen, zonder enig overleg, te verkopen en de leverancier vervolgens voor zijn claim te verwijzen naar de koper. Te meer nu de boedel voor de verkochte zaken een bedrag geacht moet worden te hebben ontvangen, ligt het dan -dat wil zeggen als juist is dat de verkoop alleen door zou kunnen gaan indien alle voorraden daar deel van uitmaken- veeleer meer voor de hand dat een curator voldoende zekerheid geeft dat hij de waarde van de goederen waarop een eigendomsvoorbehoud rust (als boedelschuld) kan vergoeden.

Door KEB is terecht gesteld dat een afkoelingsperiode niet bedoeld is om een wijziging aan te brengen in de rechten van de crediteuren, alsmede dat [gedaagde] juist in die perioden zich (mede) had dienen te verdiepen in de onderhavige kwestie en niet had kunnen volstaan met het voeren van verkooponderhandelingen. Al hetgeen de curator heeft aangevoerd over spoedeisendheid en belang van de boedel kan daar niet aan afdoen.

Evenmin is juist dat hij mag afgaan op de mededeling van de medewerkers van Logtech, dat de op surseancedatum aanwezige goederen reeds betaalde goederen waren. Immers, daaruit volgt niet zonder meer dat daar geen eigendomsvoorbehoud op rust. Indien een crediteur een beroep op het eigendomsvoorbehoud doet, dient een curator zich daar in te verdiepen en er voor zorg te dragen dat op inzichtelijke wijze wordt omgesprongen met de goederen waarover diens claim zich uitstrekt. Dit juist in de periode waarin het, zoals de curator stelt, hectisch is.

5.18. Nu [gedaagde] zich in het geheel niet heeft bezig gehouden met de aanspraak die KEB claimde, KEB heeft afgehouden van het maken van een inventarisatie van haar goederen én de ‘KEB-goederen’ heeft verkocht zonder overleg, dan wel daarvan een inventarisatie heeft laten maken en evenmin heeft laten bijhouden hoeveel ‘KEB-goederen’ tijdens de voorlopige surseance en/of het faillissement zijn ingebouwd, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] door de boedel ten koste van KEB ongerechtvaardigd te verrijken (en KEB tot concurrent schuldeiser te doen vervallen) niet alleen q.q. doch tevens pro sé onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de dientengevolge door KEB geleden schade.

Het beroep op eigen schuld

5.19. De rechtbank verwerpt het beroep op eigen schuld dat door [gedaagde] is gedaan. Het is de wereld op zijn kop om daar waar KEB kenbaar had gemaakt haar goederen terug te willen halen, doch haar dat niet werd toegestaan en de goederen vervolgens werden verbruikt, als gevolg waarvan de gestelde schade is geleden, KEB thans het verwijt te maken dat zij haar goederen maar reeds in februari 2004 had moeten terughalen en dat zij door dat toen niet te doen, nu zelf heeft bijgedragen tot haar schade.

Omvang schade

5.20. Door [gedaagde] is gesteld dat KEB ten onrechte aanspraak maakt op:

a. de factuurwaarde en een opslag van 10%; het gaat volgens [gedaagde] om de marktwaarde van de goederen ten tijde van de surseance,

b. de proceskosten waarin zij bij het kort geding is veroordeeld, nu [dochterbv van Beransta] bij brief van 4 juni 2004 kenbaar had gemaakt de goederen terug te zullen geven.

c. de werkelijke kosten van de raadsvrouwe van KEB; deze kunnen alleen in geval van bijzondere omstandigheden, zoals misbruik van recht, als schade worden gezien; daarvan is geen sprake.

d. de gestelde buitengerechtelijke incassokosten; deze omvatten deels gerechtelijke kosten.

e. de handelsrente ex artikel 6:119a BW; dat artikel is in deze niet van toepassing.

De rechtbank zal de door KEB gevorderde schadevergoeding postgewijs bespreken en daarbij voormelde verweren van [gedaagde] betrekken.

De factuurwaarde met 10% opslag

De rechtbank is van oordeel dat KEB terecht aanspraak maakt op de factuurwaarde als zijnde de door haar geleden schade. [gedaagde] heeft de geleverde goederen immers gebruikt en de schade bestaat daaruit dat [gedaagde] deze niet heeft betaald, ondanks zijn toezegging dat verbruikte goederen betaald zouden worden. Ook wordt gelet daarop terecht aanspraak gemaakt op de contractuele opslag van 10%. Anders dan [gedaagde] meent is het niet zo dat hij gelet op artikel 37 Fw niet gebonden zou zijn aan die bepaling. In deze was immers door KEB reeds volledig voldaan aan de op haar rustende verplichtingen, te weten de levering van de bestelde goederen. Artikel 37 Fw is gelet daarop in deze niet van toepassing.

Hieruit volgt dat de rechtbank als schade aanmerkt een bedrag groot 110% van EUR 30.679,16 is EUR 33.747,07.

Wettelijke rente

Tegen de door KEB gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom plus opslag van 10% is geen verweer gevoerd. De rechtbank acht deze ook toewijsbaar.

De wettelijk handelsrente ex artikel 6:119a BW

De rechtbank is -met [gedaagde]- van oordeel dat geen vergoeding van rente op grond van artikel 6:119a BW kan worden toegekend. Die bepaling ziet specifiek op schadevergoeding verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom in geval van een handelsovereenkomst.

In de onderhavige procedure wordt geen nakoming gevraagd, doch schadevergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking en onrechtmatig handelen. De vordering van KEB is in zoverre niet toewijsbaar. De rechtbank kan overigens ook niet inzien hoe KEB kan menen aanspraak te kunnen maken op zowel vergoeding van wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW, als op grond van artikel 6:119a BW. Zij heeft dat ook niet gemotiveerd.

Buitengerechtelijke kosten

KEB vordert ter zake een bedrag groot EUR 4.275,72 plus de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding. Zij heeft ter onderbouwing een specificatie overgelegd. In die specificatie is 21,6 uren à EUR 185,00 (exclusief BTW en 7% kantoorkosten) verantwoord, omvattende 15 uren voor het opstellen van processtukken, 5 uren voor jurisprudentieonderzoek rechtspositie cliënt en 2,6 uren voor telefoon/correspondentie deurwaarder, procureur, rechtbank, wederpartij en cliënt.

De rechtbank is van oordeel dat de 15 uren voor het opstellen van processtukken niet kunnen worden aangemerkt als buitengerechtelijke incassowerkzaamheden. Van het jurisprudentieonderzoek en de post tel/correspondentie kan worden gezegd dat deze deels betrekking hebben op, dan wel tevens van nut zijn geweest voor de onderhavige procedure als gevolg waarvan ze deels onder de proceskosten vallen (artikel 6:96 BW). De rechtbank begroot gelet daarop de voor vergoeding in aanmerking komende kosten op EUR 703,00 (3,8 uren à EUR 185,00). Tegen de gevorderde vergoeding van wettelijke rente is geen verweer gevoerd. De rechtbank acht deze ook toewijsbaar.

Het voorschot op schadevergoeding nader op te maken bij staat

KEB vordert een voorschot op schadevergoeding nader op te maken bij staat groot EUR 12.853,00. Dat bedrag heeft zij als volgt gespecificeerd:

a. de proceskostenveroordeling in het kort geding ad EUR 1.016,40,

b. kosten beslaglegging EUR 865,41

c. procureurskosten en griffierecht EUR 716,99

d. kosten rechtsbijstand EUR 10.253,81.

De rechtbank overweegt het volgende. Vaststaat dat KEB niet in de gelegenheid werd gesteld haar goederen terug te halen, dan wel daarvan een inventarisatie te maken. Eveneens staat vast dat KEB eerst geruime tijd na de verkoop en levering van haar goederen door [gedaagde] aan Beransta, daarvan op de hoogte raakte, waarbij als naam van de koper niet Beransta maar [dochterbv van Beransta] werd opgegeven, en dat [gedaagde] KEB voor haar claim naar [dochterbv van Beransta] verwees. Tenslotte staat vast dat (ook) [dochterbv van Beransta] niet (direct) tot teruggave, dan wel gelegenheid geven tot inventarisatie bereid was. Evenmin heeft zij direct aan KEB aangegeven dat niet zij, maar Beransta de koper was. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de voormelde posten kunnen worden aangemerkt als schadeposten ontstaan door de handelwijze van [gedaagde]. Nu KEB van alles werd afgehouden en onvolledig en laat werd geïnformeerd, is de rechtbank van oordeel dat de met voormelde kosten samenhangende handelwijze van KEB redelijk is te noemen. Zij heeft gepoogd haar schade te beperken. Deze kosten kunnen derhalve als voorschot op de toe te kennen schadevergoeding nader op te maken bij staat worden toegekend.

Proceskosten

5.21. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden verwezen in de proceskosten aan de zijde van KEB gevallen. De kosten aan de zijde van KEB worden begroot op:

- dagvaarding EUR 83,78

- overige explootkosten 317,42

- vast recht 1.725,00

- overige kosten 11,34

- salaris procureur 3.576,00 (4,0 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 5.713,54

5.22. De rechtbank heeft bij haar vonnis van 1 juni 2005 in het incident betreffende de toelating van Beransta als gevoegde partij, de beslissing over de proceskosten aangehouden. Bij dat vonnis is Beransta als gevoegde partij toegelaten, ondanks het daartegen door KEB gevoerde verweer. Nu KEB in de hoofdzaak (wel) grotendeels in het gelijk wordt gesteld, is de rechtbank van oordeel dat Beransta haar eigen kosten dient te dragen.

BESLISSING

De rechtbank

1. Verklaart voor recht dat:

- KEB rechthebbende is op een bedrag ad EUR 30.679,16 en dat de aanspraak van KEB op dat bedrag een bij voorrang te voldoene boedelvordering is die met voorbijgaan aan de aanspraken van andere boedelcrediteuren en zonder de afwikkeling van de boedel af te wachten, aan KEB moet worden uitbetaald;

- [gedaagde] q.q., in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Logtech BV onrechtmatig jegens KEB heeft gehandeld;

- [gedaagde] pro sé onrechtmatig jegens KEB heeft gehandeld.

2. veroordeelt [gedaagde] q.q. en [gedaagde] pro sé hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan KEB binnen tien dagen na betekening van dit vonnis van een bedrag groot:

- EUR 33.747,07 (drieëndertig duizend zevenhonderd zevenenveertig euro en zeven eurocent) aan hoofdsom en opslag, vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf 27 oktober 2004 tot de dag van volledige betaling,

- EUR 703,00 (zevenhonderd drie euro), voor buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf 27 oktober 2004 tot de dag van volledige betaling;

- EUR 12.853,00 als voorschot op schadevergoeding nader op te maken bij staat.

3. veroordeelt [gedaagde] q.q. en [gedaagde] pro sé hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, die van het gelegde beslag daaronder begrepen, aan de zijde van KEB tot op heden begroot op EUR 5.713,54,

4. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 2 en 3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

5. bepaalt dat Beransta haar eigen kosten draagt,

6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.A.M. Kager, mr. A.H.J. Lennaerts en mr. W. Jonkers en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2006.?