Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2006:AZ0746

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
24-10-2006
Zaaknummer
56272
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herstel van de arbeidsovereenkomst is niet mogelijk in verband met de aard van de overeenkomst en de mate waarin de relatie tussen partijen is verstoord. Hoewel de overeenkomst veel kenmerken vertoont van een arbeidsovereenkomst moet de overeenkomst tussen partijen worden beschouwd als één van opdracht. Omdat de gronden voor ontbinding van de overeenkomst door de opdrachtgever onvoldoende zijn komen vast te staan, wordt een schadevergoeding toegekend overeenkomstig de hoogte van het niet genoten inkomen voor de duur van de overeenkomst.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 400
Burgerlijk Wetboek Boek 7 408
Burgerlijk Wetboek Boek 7 625
Burgerlijk Wetboek Boek 7 626
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2006/279
JAR 2006, 279

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 56272 / HA ZA 06-242

Vonnis van 11 oktober 2006 (zoals hersteld bij vonnis d.d. 13 oktober 2006)

in de zaak van

[EISER],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. J.S. van Burg,

advocaat mr. W. van der Meer van Walcheren te Hilversum,

tegen

1. de stichting

DE STICHTING TELEVISIE DRENTHE,

2. de stichting

STICHTING OMROEP DRENTHE,

beiden gevestigd en kantoorhoudende te 9401 PL Assen, Beilerstraat 30,

gedaagden,

procureur mr. J.H. Hemmes,

advocaat mr. G. Ham te Groningen.

Partijen zullen hierna [eiser] en RTV Drenthe genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 31 mei 2006, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd;

- het proces-verbaal van comparitie van 11 september 2006;

- de ingebrachte producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is sinds 1989 op freelance-basis werkzaam als verslaggever en presentator van sportprogramma’s van RTV Drenthe. Hij werkt ook voor de NOS, waar hij in dienst is.

Tot 2002 werkten partijen op basis van mondelinge overeenkomsten. Sindsdien zijn partijen een aansluitende reeks schriftelijke overeenkomsten voor bepaalde tijd aangegaan.

2.2. Bij RTV Drenthe zijn al jaren interne problemen, in het bijzonder bij de sportredactie, althans tussen de leiding en de sportredactie. Op 22 december 2005 heeft een aantal personeelsleden van RTV Drenthe een bijeenkomst gehouden om over die problemen te praten.

Op 23 december heeft [eiser] [directeur van RTV Drenthe], directeur van RTV Drenthe, een stuk overhandigd, dat hij naar aanleiding van die bijeenkomst heeft opgesteld. Het stuk houdt het volgende in:

? De aanwezigen van de bijeenkomst op donderdag 22 december zijn unaniem van mening dat, gelet op de feiten die zijn vermeld in bijgaand schrijven, de positie van [hoofd nieuws en sport] onhoudbaar is geworden.

? De bijeenkomst werd bijgewoond door leden van zowel de Nieuwsredactie, de Variaredactie- als ook de Sportredactie.

? Tijdens de bijeenkomst is afgesproken dat de directie, de ondernemingsraad en de Raad van Toezicht op de hoogte worden gesteld van de feiten die zijn vastgelegd in bijgaand schrijven. Verder is strikte geheimhouding gewenst.

? De aanwezigen van de bijeenkomst hechten er waarde aan te vermelden dat de rol van [nieuwsredacteur] op zowel woensdag 21 december 2005 als ook donderdag 20 december als zeer intimerend is ervaren. Tegen verschillende aanwezigen is gezegd dat een eventuele deelname aan de bijeenkomst van donderdag een ieder hun/haar baan zou kosten. Het staat volgens ons iedereen vrij om openlijk, waar dan ook, van gedachten te wisselen en onze verontrusting uit te spreken over de gang van zaken binnen RTV Drenthe.

? Gelet op bovenstaand is door de aanwezigen afgesproken geen mededelingen te doen over de namen van de aanwezigen op de bijeenkomst van donderdag 22 december.

Bij het stuk zit een brief van de hand van [eiser] over het functioneren van de chef nieuws en sport, [hoofd nieuws en sport]. Daarin wordt onder meer gewag gemaakt van seksistische opmerkingen die [hoofd nieuws en sport] zou hebben gemaakt tegenover vrouwelijk personeel.

2.3. Bij brief van 23 december 2005 heeft RTV Drenthe [eiser] een nieuwe overeenkomst aangeboden voor de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 juni 2007. Bij brief van 2 januari 2006 heeft RTV Drenthe [eiser], kort gezegd, meegedeeld dat RTV Drenthe geen gebruik meer zal maken van de diensten van [eiser] omdat hij de op 23 december 2005 aangeboden overeenkomst niet voor 29 december 2005 ondertekend had geretourneerd.

2.4. Bij brief van 5 januari 2006 heeft RTV Drenthe [eiser] de toegang tot de werkplek ontzegd. Ter onderbouwing van die maatregel houdt de brief het volgende in:

“U heeft op diverse manieren en tegen meerdere functionarissen van RTV Drenthe uw ongenoegen geuit over het functioneren van de organisatie en de aansturing van de sportredactie in het bijzonder. Volgens uw eigen zeggen deed u dat ook namens een aantal medewerkers die anoniem wensen te blijven. Op 23 december 2005 ’s ochtends om 09.00 uur heeft daarover een gesprek plaatsgevonden tussen ons, in het bijzijn van mr. G. Ham en [derde]. Tijdens dat gesprek is door u de anonieme notitie overhandigd.

Eén en ander heeft geleid tot het verschijnen van een artikel in het Dagblad van het Noorden op 24 december 2005 onder de kop ‘Opstand bij RTV Drenthe’. Zowel de directie, de Ondernemingsraad als de Raad van Toezicht hebben inmiddels kenbaar gemaakt dat ze weinig tot niets kunnen met een anonieme brief.

RTV Drenthe vindt het onaanvaardbaar dat u medewerkers oproept tot een besloten vergadering óf (zoals uzelf beweert) u laat gebruiken als woordvoerder van één of meerdere anonieme, ontevreden medewerkers. U hebt daarbij alle gebruikelijke, formele interne communicatielijnen gepasseerd. Bovendien getuigt dit m.i. niet van goed werknemerschap.

Volledigheidshalve informeren wij u over het gegeven dat RTV Drenthe onderzoek zal (laten) verrichten naar de door u geuite ernstige beschuldigingen en verwijten.”

Bij brief van 6 januari 2006 heeft de advocaat van [eiser] RTV Drenthe medegedeeld dat [eiser] beschikbaar is voor zijn gebruikelijke werkzaamheden en aanspraak gemaakt op salaris. RTV Drenthe heeft hem echter niet meer op het werk toegelaten en geen salaris meer betaald.

2.5. In opdracht van de raad van toezicht van RTV Drenthe heeft drs. H.R. Verploeg een onderzoek verricht naar de problematiek bij RTV Drenthe en daarover op 1 mei 2006 een rapport uitgebracht. Een van diens bevindingen is dat de sportredacteuren en de directie van RTV Drenthe onwrikbaar tegenover elkaar zijn komen te staan. Naar aanleiding van het rapport is het hoofd van de afdeling nieuws en sport, [hoofd nieuws en sport], met onmiddellijke ingang op non-actief gesteld c.q. ontslagen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert – samengevat -:

- primair: nakoming van de overeenkomst, in die zin dat RTV Drenthe wordt veroordeeld om hem gedurende ten minste een tijdvak van zes maanden toe te laten tot zijn gebruikelijke werkzaamheden voor RTV Drenthe, zonder enige beperking en tegen het overeengekomen honorarium;

- subsidiair: doorbetaling van loon/honorarium, vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke vertragingsrenten;

- RTV Drenthe te veroordelen tot betaling van EUR 904,00, ter zake van buitengerechtelijke kosten;

- RTV Drenthe te veroordelen in de proceskosten.

3.2. RTV Drenthe heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen omdat de overeenkomst tussen partijen op 12 januari 2006 is geëindigd doordat RTV Drenthe schriftelijk de ontbinding van de overeenkomst heeft ingeroepen op grond van onrechtmatig en toerekenbaar tekortschietend handelen van [eiser].

4. De beoordeling

4.1. Beide partijen gaan ervan uit dat we hier te maken hebben met een overeenkomst van opdracht en niet met een arbeidsovereenkomst. Wat tussen partijen heeft te gelden wordt primair bepaald door hetgeen hun bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.

Nu beide partijen uitgaan van een overeenkomst van opdracht en hetgeen de rechtbank gebleken is over de uitvoering van de overeenkomst die kwalificatie niet uitsluit, zal ook de rechtbank ervan uitgaan de rechtsverhouding tussen partijen beheerst wordt door artikelen 7:400 e.v. BW.

4.2. Een overeenkomst van opdracht kan op grond van het bepaalde in de artikelen 6:265 en 267 BW door een schriftelijke verklaring ontbonden worden, op grond van een tekortkoming in de nakoming die een ontbinding rechtvaardigt.

De rechtbank heeft de brief van 12 januari 2006 waarop RTV Drenthe zich in dit verband heeft beroepen niet bij de stukken aangetroffen. [eiser] heeft echter niet betwist dat RTV Drenthe op 12 januari 2006 schriftelijke de ontbinding van hun overeenkomst heeft ingeroepen. De rechtbank zal daar derhalve vanuit gaan.

Overigens is duidelijk dat RTV Drenthe aan [eiser] te kennen heeft gegeven dat zij niet verder met hem wilde. Opzegging door de opdrachtgever kan bij een overeenkomst van opdracht te allen tijde (art. 7:408 BW), zij het dat de opdrachtgever schadeplichtig is ingeval opzegging voortijdig of om ondeugdelijke gronden geschiedt.

4.3. Thans ligt de vraag voor of de redenen die RTV Drenthe daarvoor heeft aangedragen, alle omstandigheden in aanmerking genomen, ontbinding/opzegging van de overeenkomst kunnen rechtvaardigen.

4.4. RTV Drenthe heeft als eerste reden aangevoerd dat [eiser] de bijeenkomst van 22 december 2005 heeft geïnitieerd, met als doel het vertrek van de directeur [directeur van RTV Drenthe] en het hoofd van de afdeling nieuws en sport [hoofd nieuws en sport]. Het naar aanleiding daarvan door [eiser] opgestelde stuk, dat [eiser] de volgende dag aan directeur [directeur van RTV Drenthe] overhandigde staat volgens RTV Drenthe bol van de onjuiste beschuldigingen.

RTV Drenthe heeft verder aangevoerd dat op basis van eerder bedoelde verklaring op 24 december 2006 een voor RTV Drenthe bijzonder beschadigend artikel is verschenen in het Dagblad van het Noorden. Zij acht het aannemelijk dat [eiser] die informatie aan de krant heeft doorgespeeld.

Tenslotte verwijt RTV Drenthe [eiser] dat op zijn initiatief twee vrouwelijke medewerkers op 10 januari 2006 hebben gepoogd om bij de politie aangifte te doen tegen de heer [hoofd nieuws en sport] wegens ongewenst seksueel getint gedrag. Hoewel er uiteindelijke geen is aangifte opgenomen, omdat er volgens de politie geen sprake was van strafbare feiten, stonden de beschuldigingen van seksuele intimidatie de volgende dag wel in de Meppeler Courant. Volgens RTV Drenthe zat [eiser] daar achter.

4.5. [eiser] heeft ontkend dat hem een verwijt kan worden gemaakt. Hij wijst erop dat er al jaren grote problemen zijn bij RTV Drenthe. Volgens hem gaat de leiding daar volstrekt verkeerd mee om. Als een medewerker een probleem had, of signaleerde, dan werd volgens [eiser] met ontslag gedreigd en in een enkel geval ook verleend. Volgens [eiser] deelt de hele sportredactie deze visie. Hij verwijst daarbij ook naar het rapport van Verploeg.

[eiser] betwist dat de bijeenkomst van 22 november 2006 op zijn initiatief is gehouden. Gelet op de grote problemen had het personeel van RTV Drenthe er volgens hem behoefte aan gezamenlijk de situatie te inventariseren. Met het overhandigen van de naar aanleiding daarvan gemaakte brief zou hij slechts als boodschapper hebben gefungeerd.

[eiser] ontkent dat hij twee vrouwelijke medewerksters heeft aangezet om aangifte tegen [hoofd nieuws en sport] te doen. Hij zegt als begeleider te zijn meegegaan naar de politie. Tenslotte ontkent [eiser] ten stelligste naar de pers te hebben gelekt over de situatie bij RTV Drenthe.

4.6. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat dit conflict niet op zichzelf staat. Het kan niet los worden bezien van de veel bredere problematiek bij RTV Drenthe waarbij, blijkens het rapport van Verploeg, er jarenlang sprake is geweest van een gebrekkige aansturing van de sportredactie en spanning tussen de leden van die redactie en de leiding van RTV Drenthe.

Dat leden van die redactie bij elkaar komen om over de situatie te spreken is op zichzelf genomen niet in strijd met goed werknemerschap. Daarom kan in het midden blijven of [eiser] een dergelijke bijeenkomst heeft geïnitieerd.

Dat [eiser] de directie van RTV Drenthe schriftelijk verslag heeft gedaan van het gevoelen van de deelnemers aan de bijeenkomst is evenmin verwijtbaar. Integendeel, als er gevoelens van grote onvrede leven bij de medewerkers van de sportredactie is het in het belang van RTV Drenthe dat de directie daar kennis van krijgt. Alleen dan immers is de leiding in de positie om iets aan die situatie te doen en aldus de rust op de werkvloer te herstellen. Blijkens het rapport van Verhoef mocht RTV Drenthe het verslag van [eiser] ook niet afdoen als slechts stemmingmakerij. Er was wel degelijk het nodige aan de hand. (Saillant is in dit verband dat Verhoef concludeerde dat het management niet adequaat heeft gereageerd op de bestaande en bekende onvrede.)

Terecht stelt RTV Drenthe dat het door [eiser] aan [directeur van RTV Drenthe] uitgereikte schrijven belastend is voor de toenmalige chef nieuws en sport. Voor de stelling van RTV Drenthe dat het om valse beschuldigingen zou gaan, heeft RTV Drenthe echter geen bewijs bijgebracht, noch aangeboden. Daarom kan ook daarin geen rechtvaardiging worden gevonden voor de ontbinding. Hetzelfde geldt voor het gestelde lekken naar de pers, hetgeen [eiser] gemotiveerd heeft betwist en waarvan RTV Drenthe geen bewijs heeft aangeboden.

Tenslotte valt niet in te zien dat [eiser] onjuist zou handelen tegenover RTV Drenthe als hij twee collega’s zou begeleiden bij het doen van aangifte tegenover de politie.

4.7. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de daartoe door RTV Drenthe aangevoerde redenen de ontbinding van de overeenkomst tussen partijen niet kunnen rechtvaardigen. Als gezegd kan er op basis van art. 7:408 BW wel vanuit worden gegaan dat de overeenkomst is geëindigd door opzegging. Omdat die opzegging voortijdig is geschied, zonder dat deugdelijke redenen daarvoor zijn komen vast te staan, is RTV Drenthe jegens [eiser] gehouden tot schadevergoeding overeenkomstig het volle loon over de resterende periode.

4.8. De rechtbank begrijpt de primaire vordering van [eiser] aldus, dat hij wil dat de rechtbank de overeenkomst tussen partijen wijzigt, zodanig dat [eiser] alsnog gedurende een half jaar in de gelegenheid wordt gesteld zijn werkzaamheden voor RTV Drenthe te verrichten.

Nog los van een gebrek aan wettelijke ruimte, acht de rechtbank dit onderdeel van de vordering niet toewijsbaar omdat duidelijk is dat de verhouding tussen [eiser] en de leiding van RTV Drenthe zodanig is verstoord dat een vruchtbare samenwerking op korte termijn niet valt te verwachten. Dat belang van RTV Drenthe moet zwaarder wegen dan het belang van [eiser] om zich als presentator te kunnen blijven presenteren. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat RTV Drenthe [eiser] wel het salaris over de desbetreffende periode dient te betalen en dat [eiser] ook over een ander, zelfs breder, forum beschikt (bij de NOS) om zich aan het publiek te presenteren.

4.9. Partijen verschillen van mening over de hoogte van het salaris dat voor vergoeding in aanmerking komt. Het door [eiser] gevorderde bedrag is erop gebaseerd dat [eiser] twee uitzendingen per week verzorgt. Gebleken is echter dat tussen partijen is overeengekomen dat [eiser] wekelijks één uitzending voor rekening van RTV Drenthe zou verzorgen. Voor de andere uitzending werd [eiser] kennelijk niet door RTV Drenthe betaald, maar door derden/sponsoren. In zoverre vallen die uitzendingen niet onder de tussen partijen gesloten overeenkomst en is RTV Drenthe derhalve niet gehouden hem daarvoor een vergoeding te betalen.

4.10. Reeds omdat het toe te wijzen bedrag ziet op schadevergoeding (en niet -rechtstreeks- op loon) moet de stelling van RTV Drenthe dat de vordering moet worden afgewezen omdat [eiser] nog geen Varverklaring (verklaring arbeidsrelatie) heeft overgelegd, worden gepasseerd.

4.11. De stelling van RTV Drenthe dat [eiser] pas had kunnen worden ingeroosterd vanaf de datum waarop hij de verlengingsovereenkomst retourneerde, 5 februari 2006, zodat salaris over een eerdere periode niet verschuldigd zou zijn wordt eveneens gepasseerd. Vast staat dat vanaf 1 januari 2006 tussen partijen een overeenkomst gold. Voor zover gedurende die periode het feit dat de schriftelijke bevestiging daarvan nog niet bij RTV Drenthe binnen was al aan inroostering van [eiser] in de weg had kunnen staan, is die omstandigheid hier niet van belang geweest omdat RTV Drenthe [eiser] om andere redenen niet heeft willen inroosteren.

4.12. RTV Drenthe heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de bepaling van de hoogte van het salaris aansluiting gezocht moet worden bij de aan [eiser] gedane betalingen in 2005. Omdat [eiser] zich tegen dat uitgangspunt niet heeft verzet, zal de rechtbank dat overnemen.

Aldus is aan salaris over de periode van 1 januari tot en met 30 juni 2006 een bedrag van EUR 853,00 per maand toewijsbaar, derhalve EUR 5.118,00.

4.13. Voor zover de vordering ziet op een verhoging van het loon wegens vertraging, is die niet op de wet gebaseerd aangezien het bepaalde in artikel 7:625 BW niet op de rechtsverhouding tussen partijen van toepassing is.

4.14. De vergoeding van buitengerechtelijke kosten van EUR 904,00 , waartegen geen verweer is gevoerd, is toewijsbaar.

4.15. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

BESLISSING

De rechtbank

1. veroordeelt RTV Drenthe om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 6.022,00 (zesduizend twee en twintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van EUR 5.118,00 vanaf 21 maart 2006 tot de dag van volledige betaling,

2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,

4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Duinkerken en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2006.?