Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2006:AY9648

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
11-10-2006
Zaaknummer
52438 - HA ZA 05-471
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen twisten erover of aan gedaagde sub 1 een opdracht is gegeven tot het doen van een aankoopkeuring, danwel tot het doen van een verzekeringskeuring, met betrekking tot het door eiseres in 1996 aan te kopen motorvrachtschip. In het geval dat opdracht is gegeven tot het verrichten van een aankoopkeuring en deze aankoopkeuring niet dan wel niet zorgvuldig is uitgevoerd, is gedaagde sub 1 als rechtsopvolgster van de opdrachtgeefster aansprakelijk voor de daardoor voor eiseres ontstane schade, voor zover die schade niet mede een gevolg is van eigen schuld van eiseres. Een aankoopkeuring beoogt de aspirant-koper immers te informeren over de staat van het te kopen schip zodat de koper aldus volledig geïnformeerd een beslissing over die aankoop kan nemen. Eiseres zal in dat geval haar beslissing tot aankoop van het schip (mede) hebben gebaseerd op de resultaten van de opgedragen aankoopkeuring.

Indien sprake is van een opdracht tot het doen van een verzekeringskeuring en eiseres deze verzekeringskeuring heeft gebruikt ten behoeve van haar beslissing over de aankoop van dit schip, geldt dat eiseres deze verzekeringskeuring heeft gebruikt voor een ander doel dan waarop deze ziet. Een verzekeringskeuring beoogt immers bij te dragen aan het bevorderen van de veiligheid in algemene zin van het scheepvaartverkeer en is niet bedoeld om op basis daarvan een beslissing te nemen over de aanschaf van het schip, zoals eiseres stelt te hebben gedaan.

Volgt de opdracht aan eiseres te bewijzen dat sprake is geweest van een opdracht tot het doen van een aankoopkeuring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 52438 / HA ZA 05-471

Vonnis van 11 oktober 2006

in de zaak van

de vennootschap onder firma

[EISERES],

gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. H.J. de Ruijter,

advocaat mr. G.F. Strietman te Rotterdam,

tegen

1. de onderlinge waarborgmaatschappij u.a.

[EFM ONDERLINGE SCHEPENVERZEKERINGEN U.A.],

gevestigd en kantoorhoudende te [woonplaats],

2. [GEDAAGDE SUB 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. J.J. Reiziger,

advocaat mr. B.W.A.M. Maasen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] respectievelijk [EFM] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 september 2005, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd;

- het proces-verbaal comparitie na antwoord van 4 januari 2006;

- de akte overlegging producties aan de zijde van [eiseres] van 4 januari 2006;

- de conclusie na gehouden comparitie tevens conclusie van repliek van 22 maart 2006;

- de conclusie van dupliek van 3 mei 2006;

- het pleidooi en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitnotities van 15 augustus 2006;

- de bij de stukken gevoegde en overigens ingebrachte producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] is een vennootschap onder firma. De huidige vennoten zijn [vennoot 1] en zijn echtgenote [vennoot 2].

2.2. [eiseres] was tot 1996 eigenaar van een motorvrachtschip voor de binnenvaart genaamd “[eiseres]”, hierna ook aan te duiden als “[het oude schip]”.

2.3. In 1996 waren de [vennoot 1] en zijn broer [broer van vennoot 1] de enige vennoten van [eiseres].

2.4. Ten aanzien van [het oude schip] is in 1989 een verzekeringsovereenkomst gesloten tussen [eiseres] en de Eerste Drentse Onderlinge Scheepvaartmaatschappij van Binnenvaartschepen W.A., hierna te noemen: EDOS. [eiseres] was deelgenoot van EDOS.

2.5. In 1990 is EDOS gefuseerd met een andere onderlinge schepenverzekeraar, waarop de statuten en reglementen van EDOS zijn aangepast.

2.6. In 1996 was [het oude schip] verzekerd bij de Friesche Maatschappij tot onderlinge verzekeringen van schepen u.a., hierna te noemen: FMH.

2.7. In het voorjaar van 1996 wil [eiseres] het binnenvaartmotorschip genaamd [naam schip], hierna te noemen: “[het schip]”, aankopen van de toenmalige eigenaar [vorige eigenaar].

2.8. [het schip] was, net als [het oude schip], verzekerd bij FMH.

2.9. In de in 1996 geldende FMH-voorwaarden is onder meer het volgende bepaald:

“6 Aanvang, duur en einde van de verzekering

11 De verzekering eindigt zodra de verzekerde ophoudt eigenaar of in het scheepsregister ingeschreven gebruiker te zijn van het bij de maatschappij ingeschreven vaartuig. De verzekerde is verplicht van dat feit ten spoedigste schriftelijk kennis te geven aan de directie.

7 Keuring vaartuigen

1 Een vaartuig dat bij de maatschappij verzekerd is, moet volgens de geldende voorschriften zijn uitgerust en zich in goede staat bevinden.

(...)

3 Een vaartuig waarvoor een verzekering is aangevraagd, moet door of vanwege de maatschappij worden gekeurd.

4 De verzekerde vaartuigen zullen om de vijf jaar worden gekeurd.

Onverminderd het recht van de directie een afwijkende termijn te stellen of een tussentijdse keuring te verlangen.

(...)

7 Aan de keuring wordt geacht te zijn voldaan, indien voor het betreffende

vaartuig een geldig certificaat van deugdelijkheid afgegeven door een door de maatschappij erkend bureau, aanwezig is, onverminderd het recht van de directie een tussentijdse keuring te verlangen.

8 De minimumdikte van de vlak-en kimplaten is als voorgeschreven door de Internationale Vereniging “Het Rijnschepenregister” te Rotterdam.

(...)

10 De expert en de maatschappij zijn niet aansprakelijk voor verkeerde beoordelingen, fouten of nalatigheden.

2.10. Wettelijk vereist voor het in Nederland kunnen en mogen varen als binnenschip is het Scheepvaartinspectie (SI)-certificaat van onderzoek.

2.11. De Internationale Vereniging het Rijnschepenregister (IVR) heeft de bevoegdheid een certificaat van deugdelijkheid aan een schip te verstrekken. Dit certificaat is niet wettelijk vereist.

2.12. Het IVR-certificaat van deugdelijkheid van [het schip] is verlopen op 1 november 1992. Het SI-certificaat van onderzoek was nog geldig tot 1 mei 1997.

2.13. [eiseres] en [vorige eigenaar] hebben op 20 mei 1996 een “koopkontrakt” ondertekend waarin onder meer het volgende is bepaald:

“De ondergetekende [vorige eigenaar] (...), verklaart hiermede te hebben verkocht en te zullen leveren aan de mede ondergetekenden namens [eiseres] [vennoot 1] en [broer van vennoot 1] hierna te noemen: koper, te dezer zake domicilie kiezende te [woonplaats] die hiermede verklaart te hebben gekocht en te zullen aanvaarden van de voormelde verkoper, het aan de verkoper in volle eigendom toebehorende stalen motorvrachtschip genaamd [naam schip] meetbrief [nummer] hebbende een verplaatsing van 1441 ton, waarvan het achterschip is gebouwd in het jaar 1926 te Maartenshoek bij scheepswerf BODEWES en het midden en voorschip in het jaar 1958 te Bodenwerden bij de Armenius schiffswerft, voortbewogen door een 6 cil. 600 pk scheepsdiesel M.A.K. bouwjaar 1967 type GM4 451 motor nr 24265, het schip is gemerkt met[nummer], met bijbehorende inventaris o.a. roeiboot, alles in de staat waarin het d.d. 29-04-1996 te Amsterdam door de koper is bevonden, dit onder de voorwaarden:

1. De voormelde verkoop en koop is geschied voor de koopsom van ƒ 600.000,-- zegge zeshonderdduizend gulden. (KK) (eventueel verschuldigde BTW).

(...)

5. Het onderwatergedeelte, alsmede schroefas en schroef, alsmede het bovenwatergedeelte zullen t.z.t. worden gekeurd door een expert van “Friese Maatschappij Heerenveen” het vaartuig moet dan ook aan de eisen gesteld door deze maatschappij voldoen. Echter de dikte van het vlak, de kimmen en de zijden dienen ½ mm boven de verzekeringsnorm zijn.

(...)

8. De verkoper dient toe te staan dat 1 vak van de buikdenning eruit wordt gehaald.

(...)

12. Koper heeft het recht om van de koop af te zien indien financiering niet is te realiseren bij I.N.G. bank fil. Papendrecht.”

2.14. Op 6 juni 1996 heeft een deskundige van B.V. Expertise- en Taxatiebureau v/h Van Pelt & Co zich aan boord van [het schip], toen liggende in de vluchthaven te ’s-Gravendeel, begeven om dit schip te taxeren. In zijn taxatierapport, ondertekend op 26 juni 1996, wordt onder meer het volgende vermeld:

“De kosten, die gemaakt moeten worden om het schip geschikt te maken voor het verkrijgen van een nieuwe Certificaat van Onderzoek, worden door ondergetekende geschat op ca. ƒ 30.000,--.

Al het vorenstaande overwegende wordt de totale tegenwoordige waarde van het samengestelde motorvrachtschip [naam schip] voor zover het boven de ledige waterlijn was te inspekteren, mits het vlak, de kimmen en de verbanddelen onder de buikdenning, de hoofd- en hulpwerktuigen in goede staat verkeren en de reparaties nodig voor het verkrijgen van een nieuw Certificaat van Onderzoek zijn uitgevoerd, door ondergetekende getaxeerd op een bedrag van ƒ 650.000,--.”

2.15. Op 27 juni 1996 is [het schip] drooggezet op de helling van de scheepswerf “De Merwede” te Hardinxveld-Giessendam.

2.16. [gedaagde sub 2] was op dat moment in dienst van FMH en daarnaast op persoonlijke titel als deskundige werkzaam voor de IVR- en SI-keuringen.

2.17. [gedaagde sub 2] is op 27 juni 1996 als expert ter plaatse geweest en heeft bij die gelegenheid een “bodemrapport” opgemaakt en aan [eiseres] verstrekt, waarin het volgende is bepaald:

“Buikdenning: Uit

Schoon/droog: ja

Bereikbaarheid: goed

(...)

Herstellingen

A Dubb. 5800 x 1400 x 8 mm

B Kimdubb 16000 x 1000 x 8 mm

C Kimdubb 11000 x 1000 x 8 mm

D Kimdubb. 4000 x 1000 x 8 mm

E Berghoutstrook 10.000 x 300 x 8 mm

- Twee pompkokers bijplaatsen

- ± 53 m vlakland overstrippen 53000 x 250 x 8 mm.

- Tunnel BB en SB elk ca. 5000 x 900 x 6 mm dubbelen.

- Herften W. Dicht maken.

- Diverse ruimspanten en trimvullingen repareren.

- Schroef repareren.

- Tunnelbanden vernieuwen c.q. oplassen.

- Diverse aangegeven scheuren lassen.

- Denneboomflens ged. overstrippen ca. 10.000 x 500 x 6 mm.

- Buikdenning in beide ruimen repareren c.q. vernieuwen.

- Diverse profielen vernieuwen.

Opmerkingen:

Reeds vele vlaklanden overstript.”

2.18. [gedaagde sub 2] heeft een plank van de buikdenning opgetild teneinde daaronder te kunnen kijken. De buikdenning is tijdens het onderzoek van [gedaagde sub 2] op 27 juni 1996 voor het overige niet verwijderd.

2.19. [gedaagde sub 2] heeft van zijn onderzoek een “rapport van onderzoek” opgemaakt, dat - tot aan dit geding - niet aan [eiseres] is verstrekt, en dat alleen door hem is ondertekend. In dit rapport is onder meer het volgende bepaald:

“Ondergetekende [gedaagde sub 2], Expert van de Internationale Vereniging het Rijnschepenregister (IVR), heeft het hierna genoemde vaartuig als volgt bezichtigd:

21. ONDERZOEK CASCO

Datum: 27 juni ’96

Plaats: Hardinxveld

Reden: aankoop

Onderzocht door: R. [gedaagde sub 2]

24 REPARATIELIJST

(...)

(2) Nieuwe reparaties zie bodemrapport

De ondergetekende verricht deze expertise op basis van de Voorschriften voor het verstrekken van het IVR-Certificaat van Deugdelijkheid van de Internationale Vereniging het Rijnschepenregister (IVR) in de op dat moment geldende voorschriften, waarin in art. 1.6.0.0 zijn aansprakelijkheid voor verkeerde beoordelingen, fouten en nalatigheden uitdrukkelijk is uitgesloten. Hij stelt vast, dat bovengenoemd schip voldoet aan de begripsbepaling van het Certificaat RA//RC/BC/SP* en geschikt is voor de vaart op alle binnenwateren, inclusief/exclusief *Zeeland, IJsselmeer en daarmee gelijk te stellen wateren.

Het Certificaat dient zijns inziens tot 1 jan 1998 geldig te zijn

Het volgende onderzoek op helling moet zijns inziens voor 1 juli 2001 plaatsvinden.”

2.20. Bovenaan zijn rapport van onderzoek heeft [gedaagde sub 2] de volgende aantekeningen gemaakt: “Zodra nieuwe meetbriefgegevens bekend zijn worden deze door heren [vennoot 1 en broer van vennoot 1] doorgegeven. Dan IVR aanvragen.”

2.21. Op 18 juli 1996 hebben [eiseres] en [vorige eigenaar] wederom een “koopkontrakt” ondertekend met betrekking tot [het schip], waarbij de koopsom is verminderd tot een bedrag van

ƒ 500.000,00. Het onder 5. en 8. van het koopkontrakt van 20 mei 1996 bepaalde is niet weer opgenomen in het contract van 18 juli 1996.

Verder is in het koopkontrakt van 18 juli 1996 nog het volgende bepaald:

“3. De verkoper houdt voor zijn rekening alle preferente schulden zoals hypotheken, reperatieschulden of rechten welke op het voormelde schip, thans verkocht, nog verhaald zouden kunnen worden voor zover deze thans mochten bestaan of tot aan de levering nog mochten ontstaan, uitgezonderd de werkzaamheden uitgevoert bij reperatiewerf “De Merwede” zoals overeen gekomen in offerte van 28-06-1996 met uitzondering van de post “stuwschroef” en de posten “herften waterdicht maken” en “twee pompkokers bij plaatsen”.

2.22. De koopkontracten van 20 mei 1996 en van 18 juli 1996 zijn opgesteld door één van de vennoten van [eiseres].

2.23. Op 17 januari 1999 is een Certificaat van Deugdelijkheid RA verstrekt voor [het schip] dat geldig is tot 1 januari 1999. Daarbij is bepaald dat het volgende onderzoek ter water voor 1 januari 1999 dient plaats te vinden en het volgende onderzoek op helling voor 1 juli 2001. Uit dit Certificaat van Deugdelijkheid blijkt tevens dat een Certificaat van Onderzoek is afgegeven op 3 juli 1996, met een expiratiedatum van 27 juni 2003, alsmede dat een meetbrief met nummer 05852 is afgegeven op 23 september 1996.

2.24. Op de achterzijde van het Certificaat van Deugdelijkheid RA is onder meer het volgende bepaald:

“OMSCHRIJVING VAN HET CERTIFICAAT

RA Het Certificaat RA wordt verstrekt aan schepen die gebouwd zijn volgens de regel van de scheepsbouwkunde en die in alle opzichten voldoen aan de IVR-Voorschriften en zodoende een garantie bieden voor een veilig en droog transport van alle soorten goederen, voorzover deze binnen de geldigheid van het Certificaat van Deugdelijkheid vallen.”

2.25. FMH heeft op 21 januari 1997 aan [eiseres] een factuur gezonden, waarin het volgende is bepaald:

“Bijgaand zenden wij u het IVR-Certifcaat van Deugdelijkheid

IVR keuring op de helling d.d. 27-06-96 F 736,00”

Dit bedrag is op 6 februari 1997 door [eiseres] voldaan.

2.26. In maart/april 1997 is de buikdenningvloer van [het schip] vervangen bij het schepenreparatiebedrijf Sok te Meppel, hierna te noemen: Sok.

2.27. [gedaagde sub 2] heeft [het schip], toen dit schip voor reparatie bij Sok lag, geïnspecteerd en een aantal reparaties geadviseerd.

2.28. Op het moment dat [gedaagde sub 2] een bezoek bracht aan [het schip] voor een eindcontrole was het schip reeds in het vet gezet, zodat de inspectie minder goed mogelijk was.

2.29. Op 17 augustus 1998 is [het schip] drooggezet voor de reparatie van lekkage.

2.30. Op 7 juni 2000 werd [het schip] droog gezet bij Scheepswerf H. Poppen te Zwartsluis voor het plaatsen van een nieuw achterschip. Expert Geertman heeft op 7 juni 2000 een voorlopig bodemrapport opgesteld en een lijst van uit te voeren reparaties. Op de lijst van reparaties zijn de volgende uit te voeren reparaties vermeld:

“1 Bergplaat BB achter repareren.

2 BB achter slijtplek op kimdubbelplaat oplassen.

3 BB achter kimdubbelplaat aanbrengen, afm 4750x1250x8mm

4 BB midden dubbelplaat aanbrengen op bovenste deel van de kim, afm 7000x350x8 mm.

5 BB voor/middenkimdubbelplaat aanbrengen, afm. 7000x1000x8 mm.

6 BB voor dubbelplaat aanbrengen op bovenste deel van de kim, afm 2250x320x8 mm.

7 BB voor slijtstrip op huid aanbrengen, afm 1000x100x10 mm.

8 Landstrip aanbrengen, afm 5250x200x8 mm.

9 Landstrip aanbrengen, afm 2500x200x8 mm.

10 Landstrip aanbrengen, afm 1000x200x8 mm.

11 Landstrip aanbrengen, afm 2250x200x8 mm.

12 SB voor dubbelplaat aanbrengen naast de kim, afm 1700x350x8 mm.

13 SB voor kimdubbelplaat vernieuwen, afm 2000x550x10mm

14 SB voor slijtstrip op huid vernieuwen, afm 2500x150x10 mm

15 Klinknagel in kimbovenland oplassen.

16 SB midden kimdubbelplaat aanbrengen, afm 4400x1000x8 mm

17 SB achter kimdubbelplaat aanbrengen, afm 2800x1000x8mm

18 Ster in vlakbeplating, Spoor controleren.

19 Vlakbeplatingen vernieuwen over een lengte van 43100 mm.

20 Rommel uit boegschroef verwijderen.

Er wordt een nieuw voorruimschot geplaatst.”

2.31. Vervolgens heeft [eiseres] D. Touw Expertise- en Ingenieursbureau B.V. ingeschakeld. Deze heeft op 29 november 2000 een rapport van expertise uitgebracht.

Daarin zijn de volgende conclusies getrokken:

“CONCLUSIE

Overwegende dat,

- vermoeiing en het als gevolg daarvan scheuren van staal een langzaam

voortschrijdend proces is;

- de vermoeiingsbreuken over de gehele lengte van de bodem, ook in de nabijheid van het machinekamerschot worden aangetroffen;

- de vermoeiingsbreuken eveneens onder enkele vier jaar geleden aangebrachte strippen worden aangetroffen;

- de staat van de voorroef zodanig slecht is dat deze reeds geruime tijd in verval is;

- de staat van de wrangen zeer slecht te noemen is, waarbij sprake is van ernstige corrosie van de topstalen, scheurvorming en plooiing van de wrangen vanuit de aangetaste topstalen.

is ondergetekende van mening dat de tekenen van ernstige verzwakking van het schip als gevolg van corrosie van de constructiedelen en vervolgens vermoeiing van de scheepsconstructie en bodem ten tijde van de in 1996 uitgevoerde aankoop/SI/IVR keuring zichtbaar moeten zijn geweest.”

2.32. [eiseres] heeft [het schip] laten repareren door Scheepswerf Geertman B.V. voor een bedrag van ƒ 267.308,44. In de kopierekening van 20 oktober 2000 is de volgende specificatie van het berekende bedrag opgenomen:

“Betreft: reparatiewerkzaamheden m/s [eiseres]

Vlak 58.000 x 8500 x 10 153.816,00

Raamspant losbranden en dichtlassen 1.750,00

Schoonmaken 26.019,98

Afval nog niet bekend

Kim ± 33.000 x 1000 x 8 14.258,00

62 Sporen 8500 x 340 x 100 x 8 53.216,46

U-balk en T-staal herplaatsen: 6.750,00

UNP 100x50x90.000

8x T-staal 100x50x9000

Sporenreparatie 11.500,00

Totaal kopierekening 267.308,44

2.33. [EFM] is de rechtsopvolgster van FMH en is in 1999 FMH opgevolgd.

3. De vordering

[eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [EFM] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, althans [EFM] en [gedaagde sub 2] afzonderlijk, althans degene van de gedaagden die aansprakelijk wordt bevonden zal veroordelen tegen behoorlijke bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen het bedrag van EUR 211.130,46, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 mei 2005, althans wettelijke rente vanaf de datum deze dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vaststellen als verschuldigd te zijn, des dat één der gedaagden betaald hebbende de andere gedaagde is gekweten tot het betaalde bedrag en dit alles met veroordeling van [EFM] en [gedaagde sub 2] in de kosten van deze procedure.

4. Het verweer

[EFM] en [gedaagde sub 2] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

5. De beoordeling

De stellingen van [eiseres]

5.1. [eiseres] stelt dat zij aan FMH, de rechtsvoorgangster van [EFM], opdracht heeft gegeven tot het verrichten van een aankoopkeuring in het kader van de aankoop van [het schip]. Deze aankoopkeuring is volgens [eiseres] niet naar behoren verricht en daarmee heeft FMH wanprestatie en/of een onrechtmatige daad jegens haar gepleegd. [EFM] is als rechtsopvolgster van FMH aansprakelijk voor de daardoor voor [eiseres] ontstane schade.

5.2. [gedaagde sub 2] is volgens [eiseres], als de door FMH ingeschakelde expert, tekort geschoten in de nakoming van de op FMH rustende contractuele en/of buitencontractuele verplichtingen, waarvan de uitvoering aan hem was opgedragen. [gedaagde sub 2] heeft de aankoopkeuring onzorgvuldig en niet vakbekwaam verricht en pleegt daarmee in ieder geval een onrechtmatige daad jegens [eiseres].

5.3. [EFM] is als opdrachtneemster van [eiseres] dan wel als werkgeefster aansprakelijk voor deze onrechtmatige daad van [gedaagde sub 2] (primair op grond van artikel 6:76 BW en subsidiair op grond van artikel 6:170 BW)). Als blijkt dat [gedaagde sub 2] ten tijde van het verrichten van de keuring op 27 juni 1996 niet in dienst was als werknemer van FMH, althans dat [gedaagde sub 2] niet in die hoedanigheid de aankoopkeuring heeft verricht, dan blijft [EFM] volgens [eiseres] aansprakelijk voor het foutief handelen van [gedaagde sub 2], omdat bij de uitvoering van de verbintenis tot het verrichten van een aankoopkeuring [gedaagde sub 2] als hulppersoon c.q. niet-ondergeschikte is ingeschakeld (artikel 6:76 BW jo. artikel 6:171 BW). Op grond van artikel 6:74 BW dan wel artikel 6:162 BW jo. artikel 6:85 BW heeft [eiseres] recht op vergoeding van de schade door gedaagden nu de nakoming blijvend onmogelijk is en op vergoeding van aanvullende schade (voor de gevolgschade, zoals tijdverletschade).

Het verweer van [EFM] en [gedaagde sub 2]

5.4. [EFM] en [gedaagde sub 2] verweren zich aldus dat [EFM] niet aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden schade. [gedaagde sub 2] heeft geen aankoopkeuring, maar een IVR-/SI-/aannamekeuring verricht en dat is volstrekt conform de bedoeling van partijen. Deze keuringen zijn zorgvuldig uitgevoerd. Zij strekken niet tot bescherming van het individuele vermogensbelang van de eigenaar van het schip of een derde die schade lijdt als gevolg van onvoldoende zorgvuldig uitgevoerde keuringen. Hierdoor ontbreekt tevens de vereiste relativiteit.

5.5. Voor zover de rechtbank tot het oordeel zou komen dat de keuringen niet zorgvuldig zijn uitgevoerd beroept [EFM] zich op de exoneratie in haar algemene voorwaarden en stelt zij dat het causale verband ontbreekt tussen de haar verweten gedraging en de schade. Tenslotte is de omvang van de schade niet juist en is er sprake van eigen schuld aan de zijde van [eiseres].

5.6. [gedaagde sub 2] kan niet wanpresteren jegens [eiseres], omdat tussen [eiseres] en [gedaagde sub 2] geen overeenkomst bestond. Hij handelde immers uitsluitend in opdracht van FMH.

Aankoopkeuring of verzekeringskeuring

5.7. Tussen partijen is niet in discussie dat, indien de op 27 juni 1996 verrichte keuring wanprestatie of een onrechtmatige daad van FMH oplevert jegens [eiseres], [EFM] als rechtsopvolgster van FMH aansprakelijk is voor de daardoor voor [eiseres] ontstane schade, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan.

5.8. In het geval dat [eiseres] aan FMH opdracht heeft gegeven tot het verrichten van een aankoopkeuring en deze aankoopkeuring niet dan wel niet zorgvuldig is uitgevoerd door de door FMH ingeschakelde [gedaagde sub 2], is de rechtbank van oordeel dat FMH is tekort geschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenis, zodat [EFM], als haar rechtsopvolgster aansprakelijk is voor de daardoor voor [eiseres] ontstane schade, voor zover die schade niet mede een gevolg is van eigen schuld van [eiseres]. Een aankoopkeuring beoogt de aspirant-koper immers te informeren over de staat van het te kopen schip zodat de koper aldus volledig geïnformeerd een beslissing over die aankoop kan nemen. [eiseres] zal in dat geval haar beslissing tot aankoop van [het schip] (mede) hebben gebaseerd op de resultaten van de aan FMH opgedragen aankoopkeuring.

5.9. Mocht [eiseres] opdracht hebben gegeven tot het verrichten van een aankoopkeuring is geen exoneratieclausule aan de zijde van [EFM] aanwezig, nu uit de stellingen van [EFM] volgt dat daarvan alleen sprake is in geval van verzekeringskeuringen.

5.10. Indien [eiseres] aan FMH heeft opgedragen een verzekeringskeuring te verrichten en [eiseres] deze verzekeringskeuring heeft gebruikt ten behoeve van haar beslissing over de aankoop van [het schip], geldt dat [eiseres] deze verzekeringskeuring heeft gebruikt voor een ander doel dan waarop deze ziet. Een verzekeringskeuring beoogt immers bij te dragen aan het bevorderen van de veiligheid in algemene zin van het scheepvaartverkeer en is niet bedoeld om op basis daarvan een beslissing te nemen over de aanschaf van [het schip], zoals [eiseres] stelt te hebben gedaan. Het Gerechtshof Leeuwarden heeft dit in het door [EFM] bedoelde arrest van 12 januari 2005 ook overwogen in het kader van het gebruik van een verzekeringskeuring voor het nemen van investeringsbeslissingen, hetgeen de rechtbank evenzeer van toepassing acht op de onderhavige beslissing over de aanschaf van [het schip]. In dat geval zal de vordering van [eiseres] dan ook worden afgewezen.

5.11. Gezien het vorenstaande dient allereerst te komen vast te staan of [eiseres] een opdracht tot het doen van een aankoopkeuring heeft gegeven aan [EFM], zoals zij heeft gesteld.

5.12. [eiseres] stelt in dat verband dat zij opdracht heeft gegeven aan FMH, de rechtsvoorgangster van [EFM], tot het doen uitvoeren van een aankoopkeuring. Deze aankoopkeuring strekte ertoe aan [eiseres] inzicht te geven in welke staat [het schip] zich bevond teneinde nare verrassingen in de toekomst te voorkomen. Na de keuring heeft [eiseres] nader overleg gehad met [vorige eigenaar] over de koopprijs, die vervolgens met ƒ 100.000,00 is verlaagd.

5.13. Volgens [eiseres] was het aanvragen van een verzekeringskeuring in juni 1996 nog niet aan de orde, omdat nog omtrent de daadwerkelijke aanschaf van [het schip] moest worden beslist. Het contract van 20 mei 1996 bevat de nodige voorbehouden die er onder ander op neer kwamen dat, indien de keuringen slecht zouden zijn, er zonder verdere verplichtingen van de koop kon worden afgezien. Dat het een aankoopkeuring betrof en geen verzekeringskeuring bleek volgens [eiseres] ook uit voorwaarde 5 uit het in r.o. 2.13 weergegeven contract van 20 mei 1996. Het was volgens [eiseres] algemeen bekend dat FMH aankoopkeuringen deed, daarbij gebruikmakend van eigen experts. De keuring betrof het hele casco, waarbij uiteraard bijzondere aandacht uitging naar het onderwatergedeelte, maar ook het bovenwatergedeelte moest worden beoordeeld. Bij een IVR-keuring is de beoordeling van het bovenwatergedeelte geenszins noodzakelijk. [gedaagde sub 2] heeft bij zijn inspectie op 27 juni 1996 wel de woning onderzocht, hetgeen in het kader van een IVR-keuring niet noodzakelijk was. De aanpassing van de koopprijs als gevolg van de bevindingen van [gedaagde sub 2] is volgens [eiseres] een ondersteuning van de stelling dat het een aankoopkeuring betrof. De late afgifte van het IVR-certificaat op 17 januari 1997, zo’n zesenhalve maand na de keuring en vierenhalve maand na de eigendomsoverdracht is volgens [eiseres] een aanwijzing te meer dat die keuring geen IVR-keuring was. Of [EFM] [gedaagde sub 2] heeft geïnstrueerd om naast (of in plaats van) die aankoopkeuring (tevens) een IVR-keuring en/of verzekeringskeuring te doen kan [eiseres] niet beoordelen. Haar instructie aan [EFM] luidde: het doen van een aankoopkeuring, waarbij de technische staat van het casco in beeld zou worden gebracht.

5.14. Door [EFM] wordt betwist dat [eiseres] aan haar heeft opgedragen een aankoopkeuring uit te voeren. Volgens [EFM] heeft [eiseres] een verzekeringskeuring bij haar aangevraagd. Dat [eiseres] daarom heeft gevraagd is volgens [EFM] ook te verklaren. Ingevolge artikel 7 lid 3 van het ten tijde van de keuring op 27 juni 1996 geldende verzekeringsreglement moest het schip namelijk gekeurd worden wanneer een nieuwe verzekering werd aangevraagd en eindigde de oude verzekering zodra het schip werd verkocht. De door [gedaagde sub 2] verrichte keuring is volgens [EFM] een IVR-/SI-/aannamekeuring geweest. [EFM] verricht voor de beroepsvaart geen aankoopkeuringen en heeft dat in het verleden ook nimmer gedaan. Uit het koopcontract van 20 mei 1996 volgt allerminst dat een expert van FMH een aankoopkeuring zou verrichten. Deze bepaling ziet volgens [EFM] op een verzekeringskeuring. De prijsaanpassing in het koopkontract van 18 juli 1996 kan het gevolg zijn van vele omstandigheden. Indien er daadwerkelijk een aankoopkeuring zou zijn verricht zou er een rapport zijn opgemaakt, met daarin een zeer gedetailleerde omschrijving van het totale schip met daarbij een kwaliteitsoordeel en een aankoopadvies, en zou een nota zijn verzonden. Voorts wordt bij een aankoopkeuring een indicatie gegeven van de waarde van het vaartuig in het handelsverkeer.

5.15. De rechtbank kan uit het vorengaande niet afleiden of [eiseres] daadwerkelijk aan FMH opdracht heeft gegeven tot het doen van een aankoopkeuring. [eiseres] heeft ter onderbouwing van de stelling dat zij een aankoopkeuring aan FMH heeft opgedragen verwezen naar de bewoordingen van voorwaarde 5 in het voormelde contract van 20 mei 1996. De rechtbank acht niet uitgesloten dat de in het contract vervatte voorwaarde betrekking heeft op een aankoopkeuring door FMH, waarbij zij in aanmerking neemt dat dit contract is opgesteld door een vennoot van [eiseres] en niet door een terzake deskundige partij. In het door [gedaagde sub 2] opgemaakte Rapport van Onderzoek wordt daarentegen vermeld dat de op 27 juni 1996 verrichte keuring werd uitgevoerd aan de hand van de IVR-keuringscriteria.

5.16. Ingevolge artikel 150 Rv. rust op [eiseres] het bewijs van haar stelling dat zij opdracht heeft aangegeven aan FMH tot het doen van een aankoopkeuring op [het schip]. [eiseres] heeft dit bewijs ook aangeboden. [eiseres] zal daarom worden toegelaten tot het leveren van dit bewijs.

5.17. Volledigheidshalve overweegt de rechtbank dat de woordkeus van partijen niet alleen bepalend is voor de inhoud van de door [eiseres] aan FMH gegeven opdracht. Het komt aan op hetgeen beide partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid (HR 13 december 1981, NJ 1981, 625 (Haviltex)). Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. De rechtbank verwijst naar de stelling van [EFM] in 3.4 van haar conclusie van dupliek dat de voor verzekeringskeuring in de beroepsvaart, die bij gelegenheid van de aankoop van een schip wordt verricht, in de volksmond wel het woord “aankoopkeuring”, “aannamekeuring”of “verkoopkeuring” werd gebruikt en dat voor alle partijen steeds duidelijk was dat deze “aankoopkeuring”, “aannamekeuring”of “verkoopkeuring” uitsluitend was bedoeld om eventuele risico’s voor de maatschappij als verzekeraar te duiden, waarop [eiseres] nog niet heeft kunnen reageren.

Latere keuringen

5.18. Nu [eiseres] haar vorderingen stoelt op het niet zorgvuldig uitvoeren van de opdracht tot het doen van een aankoopkeuring ziet de rechtbank zonder adequate onderbouwing, welke, ook na vragen daaromtrent ter comparitie, achterwege is gebleven, niet in hoe de keuringen door [gedaagde sub 2] op 24 februari 1997 en 25 maart 1997 tot aansprakelijkheid van [EFM] zouden kunnen leiden op grond van de in dit geding betrokken stellingen. Deze keuringen zijn immers verricht nadat het koopcontract van 18 juli 1996 is ondertekend en het schip in eigendom is overgedragen en hebben derhalve geen rol kunnen spelen inzake de beslissing over de aankoop van [het schip].

Positie [gedaagde sub 2]

5.19. Tussen [eiseres] en [gedaagde sub 2] bestaat geen contractuele relatie, zodat van wanprestatie van [gedaagde sub 2] jegens [eiseres] geen sprake kan zijn.

5.20. Voor zover [eiseres] heeft aangevoerd dat [gedaagde sub 2] een onrechtmatige daad heeft begaan jegens haar, heeft zij dat onvoldoende onderbouwd. Dat [gedaagde sub 2] niet een aankoopkeuring heeft uitgevoerd, maar een verzekeringskeuring, kan, nu uit de stellingname van gedaagden blijkt dat [gedaagde sub 2] in opdracht van FMH een verzekeringskeuring heeft uitgevoerd, niet aan [gedaagde sub 2] worden verweten noch dient dit op grond van de wet of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening te komen. [eiseres] heeft ook geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan [gedaagde sub 2] redelijkerwijze diende te begrijpen dat [eiseres] een aankoopkeuring door FMH - en daarmee door [gedaagde sub 2] - wilde laten uitvoeren en niet de door FMH aan hem opgedragen verzekeringskeuring.

5.21. De vordering van [eiseres] zal derhalve, voor zover zij betrekking heeft op [gedaagde sub 2], worden afgewezen. [eiseres] zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding aan de zijde van [gedaagde sub 2], waarbij rekening zal worden gehouden met de omstandigheid dat [EFM] en [gedaagde sub 2] één en dezelfde raadsman hebben.

Slotsom

5.22. In afwachting van de bewijslevering houdt de rechtbank iedere beslissing aan.

BESLISSING

De rechtbank

1. draagt [eiseres] op te bewijzen, dat [eiseres] aan FMH, zijnde de rechtsvoorganger van [EFM], opdracht heeft gegeven tot het doen van een aankoopkeuring,

2. bepaalt dat daartoe getuigen kunnen worden voorgebracht voor het lid van deze rechtbank mr. M.C.D. Boon-Niks, die zitting zal houden in het gerechtsgebouw aan Brinkstraat 4 te Assen op een nader te bepalen datum en tijdstip,

3. bepaalt dat [eiseres] voor 8 november 2006 opgave zal doen van de door haar voor te brengen getuigen, alsmede de verhinderdata van alle betrokken partijen en van de getuigen (december 2006, januari, februari, maart en april 2007), waarna een datum voor enquête zal worden vastgesteld,

4. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. C. D. Boon-Niks, bijgestaan door mr. F.W. Strijker, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2006.?