Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2006:AY8269

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
14-09-2006
Datum publicatie
15-09-2006
Zaaknummer
174005 CV EXPL 06-208
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid werkgever bij schending zorgplicht van art. 7:658 B.W. Een 38-jarige werknemer is vanaf 1983 als magazijnmedewerker werkzaam in klein chemisch bedrijf en daar langdurig blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke stoffen. Werknemer heeft gezondheidsklachten die leiden tot volledige arbeidsongeschiktheid. Stelplicht werknemer en bewijslastverdeling inzake het causale verband tussen de gezondheidsklachten en de blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Bij vaststelling causaliteit dient de werkgever het voldoen aan de zorgplicht aan te tonen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2006/140 met annotatie van K. Aantjes

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector kanton

Locatie Meppel

zaaknummer 174005 \ CV EXPL 06-208

uitspraak van 14 september 2006

in de zaak van

[eiser],

wonende te [adres],

eisende partij,

gemachtigde Wout van Veen Advocaten,

tegen

de besloten vennootschap [naam B.V.].

gevestigd te [adres],

gedaagde partij,

gemachtigde Houthoff Buruma.

Partijen worden hierna eiser en gedaagde genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 5 januari 2006 met producties;

de conclusie van antwoord met producties;

de nadere toelichtingen van partijen.

De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist en/of blijken uit de in zoverre onweersproken gelaten inhoud van de overgelegde producties.

Eiser, thans 38 jaar oud, is sedert 1 oktober 1983 bij gedaagde in loondienst in de functie van magazijnmedewerker tegen een loon van € 2.120,06 bruto per maand (april 2001).

Eiser is in augustus 1999 arbeidsongeschikt geraakt. Eiser is momenteel afhankelijk van een uitkering uit hoofde van de WAO (en een invaliditeitspensioen) gebaseerd op volledige arbeidsongeschiktheid.

Eiser heeft tot zijn arbeidsongeschiktheid zijn werkzaamheden overwegend uitgevoerd in de vestiging van gedaagde aan [adres]. In die vestiging vinden thans niet meer dezelfde activiteiten plaats als daar tot in 1999 zijn uitgevoerd. In de onderneming van gedaagde werken thans nog slechts zeer weinig personen, terwijl in de periode dat eiser nog actief was daar omstreeks 10 personen werkten.

Eiser is bij het werken in het perceel aan [adres] blootgesteld aan verschillende chemische stoffen.

Eiser heeft gedaagde op 10 april 2002 aansprakelijk gesteld voor de schade die hij stelt te lijden als gevolg van de langdurige blootstelling tijdens het werk aan gevaarlijke chemische stoffen.

Gedaagde is tegen dergelijke aansprakelijkheid verzekerd.

De vordering en het verweer

Eiser vordert betaling van alle schade die hij lijdt en zal lijden, materieel en immaterieel, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, een en ander nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, als gevolg van het werken met gevaarlijke chemische stoffen. Eiser vordert vooruitlopend daarop betaling van een voorschot ad € 15.000,00 terzake van die schade.

Eiser is van oordeel dat hij afdoende en onweersproken heeft gesteld dat hij gedurende zijn werkzaamheden bij gedaagde is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke stoffen, terwijl hij bovendien heeft gesteld en aannemelijk gemaakt dat hij lijdt aan een ziekte of aan gezondheidsklachten die door die blootstelling kunnen zijn veroorzaakt.

Eiser concludeert dan ook dat het op de weg van gedaagde ligt om niet alleen aan te tonen dat zijn gezondheidsproblemen een andere oorzaak of oorzaken hebben dan voornoemde blootstelling aan gevaarlijke chemische stoffen, maar bovendien dat zij haar verplichtingen is nagekomen inzake het treffen van zodanige maatregelen en het geven van zodanige aanwijzingen die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat werknemers als eiser schade zouden lijden bij de uitoefening van het werk. Eiser wijst er in dat verband op dat de situatie destijds bij gedaagde op dat punt erg slecht was: onvoldoende afzuiging, onvoldoende beschermingsmaatregelen, geen specifieke aanwijzingen, geen risico-inventarisatie, slechte administratie en dat alles bij het vaststaande gebruik van diverse met name genoemde toxische stoffen, die werden gemengd en overgegoten.

Gedaagde heeft de stellingen van eiser weersproken en zij heeft aangevoerd dat eiser dient aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk aan de door hem gestelde klachten lijdt. Vervolgens zal eiser in de visie van gedaagde dienen aan te tonen dat hij in zodanige mate aan schadelijke stoffen is blootgesteld bij zijn werk dat die klachten daardoor zijn veroorzaakt. Naar de overtuiging van gedaagde is niet komen vast te staan dat sprake is van een chronische toxische encephalopathie (CTE of OPS). Niet alleen is niet komen vast te staan dat eiser lijdt aan de door hem gestelde klachten, maar evenmin blijkt dat sprake is van klachten die als CTE/OPS aangeduid kunnen worden, aldus gedaagde. De klachten van eiser zouden allerlei verschillende oorzaken kunnen hebben, juist omdat eiser al vanaf het begin van de arbeidsrelatie met klachten en arbeidsongeschiktheid te maken heeft gehad, zoals in het kader van een alcoholverslaving, zo stelt gedaagde. In dat opzicht moet het volgens gedaagde ten nadele van eiser worden uitgelegd dat hij tot dusverre niet zijn gehele medische dossier ter beschikking heeft gesteld.

Gedaagde betwist voorts dat zij niet aan haar zorgverplichtingen zou hebben voldaan, zeker naar de toen geldende maatstaven. In de jaren 80 van de vorige eeuw waren inzichten en verplichtingen omtrent het werken met gevaarlijke stoffen niet dezelfde als thans, aldus gedaagde.

Gedaagde weerspreekt dat eiser mede aan zijn vordering de algemene norm van goed werkgeverschap ten grondslag kan leggen. Hier gaat het uitsluitend om de specifieke zorgplicht terzake van de inrichting en het onderhoud van de werkplek als bedoeld in art. 7:658 B.W.

Gedaagde verzet zich tenslotte tegen de gevorderde schadestaatprocedure. De hoogte van de schade kan zeer wel in de onderhavige procedure worden vastgesteld, zo voert gedaagde aan.

De beoordeling

1. Op dit moment worden partijen nog vooral verdeeld gehouden over vragen inzake de aanwezigheid van ziekte of gezondheidsklachten bij eiser, welke kunnen zijn veroorzaakt door de blootstelling aan voor de gezondheid gevaarlijke stoffen. Ook de daarna aan de orde komende vraag of sprake is van schending van de zorgplicht van gedaagde verdeelt partijen. Deze voor de aansprakelijkheid van gedaagde van groot belang zijnde vragen zullen eerst dienen te worden beantwoord alvorens (de hoogte van) de schade aan de orde kan komen. Dat er sprake zal zijn van enige relevante (inkomens)schade ten laste van gedaagde, wanneer de aansprakelijkheid van gedaagde eenmaal is komen vast te staan, lijdt geen twijfel. Of daarvoor in die situatie een schadestaatprocedure nodig zal zijn, waarbij eerst nog een voorschot zal dienen te worden betaald, zal later worden beslist.

2. Partijen verschillen van inzicht over de vraag of en zo ja door wie van hen bewijs zal moeten worden geleverd omtrent het bestaan van de ziekte en het causaal verband daarvan met de blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Eiser zal in beginsel dienen te bewijzen dat hij de schade waarvan hij vergoeding vordert heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Vast moet komen te staan aan de hand van de stellingen c.q bewijsmiddelen van eiser dat hij lijdt aan een ziekte of gezondheidsklachten, waarbij aannemelijk is dat die ziekte of klachten veroorzaakt zijn door de blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Pas wanneer aan die voorwaarden is voldaan, zal gedaagde de gelegenheid krijgen aan te tonen dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht.

3. Als niet afdoende weersproken is komen vast te staan dat eiser in de jaren dat hij werkzaam was voor gedaagde is blootgesteld aan de door hem opgesomde gevaarlijke stoffen. Onder andere uit het bij dagvaarding als productie 7 overgelegde onderzoeksrapport d.d. 2 oktober 2002 van het bureau [naam bureau] aan de verzekeraar van gedaagde blijkt daarvan in voldoende mate. Het werk van eiser bestond voor een groot deel uit het overgieten en mengen van chemische stoffen, zo blijkt uit voormeld niet betwist rapport. Daarbij was sprake van gebrekkige afzuigmogelijkheden, terwijl gewerkt werd met chemische oplos-, reinigings- en impregneermiddelen. Dat eiser langdurig is blootgesteld tijdens zijn werk aan voor de gezondheid gevaarlijke stoffen is daamee voldoende komen vast te staan.

4. Gedaagde betwist dat sprake zou van een ziekte bij eiser. Eiser heeft echter uitvoerig betoogd en toegelicht hoe zijn ziekteverloop vanaf 1999 is geweest. Tegen die achtergrond is de genoemde betwisting dan ook niet goed te begrijpen. Eiser heeft onder overlegging van relevante stukken duidelijk weten te maken dat thans sprake is van blijvende arbeidsongschiktheid. De medische rapportage van verschillende aard, zoals in het geding gebracht door eiser, kan niet tot een andere conclusie aanleiding geven.

5. Weliswaar staat niet vast dat bij eiser gesproken kan worden van de ziekte CTE/OPS, de onmiskenbaar bestaande gezondheidsklachten van eiser kunnen ook niet goed op andere wijze worden verklaard. Van aanwijzingen in de medische stukken die op andere oorzaken dan de blootstelling aan gevaarlijke stoffen kunnen wijzen, is onvoldoende sprake. Eiser wijst in dat verband op de door hem overgelegde medische rapportages uit 2000 en 2003 van de neuroloog [naam neuroloog], verbonden aan het [naam team] Enschede. Deze concludeert dat bij eiser sprake is van een waarschijnlijk organisch bepaald klachtenpatroon, waarschijnlijk in relatie met zijn blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Gedaagde komt weliswaar met verschillende suggesties die op andere oorzaken kunnnen duiden, het mogelijke bestaan daarvan vindt geen steun in de medische rapportages. Het is dan ook in die gegeven omstandigheden aan gedaagde als werkgeefster om aan te tonen dat sprake is van de aanwezigheid van die andere door haar gesuggereerde oorzaken, die aan de gezondheidsklachten van eiser ten grondslag liggen. Immers eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zijn ziekte of gezondheidsklachten kunnen zijn veroorzaakt door de langdurige blootstelling aan gevaarlijke stoffen tijdens het werk bij gedaagde.

6. Ook zal gedaagde dienen te bewijzen dat zij voldaan heeft aan haar zorgplicht. Eiser heeft onder meer wijzend naar het eerder genoemde rapport van [naam bureau] d.d. 2 oktober 2002 in voldoende mate betwist dat gedaagde zich aan haar zorgplicht heeft gehouden, ook afgezet tegen de maatstaven die destijds in dat kader golden.

7. Op grond van vorenstaande overwegingen zal aan gedaagde te bewijzen worden opgedragen dat de ziekte of gezondheidsklachten van eiser naar alle waarschijnlijkheid in overwegende mate zijn veroorzaakt door andere factoren dan het werken met voor de gezondheid gevaarlijke stoffen. Voor zover eiser in dat kader weigerachtig zou zijn zijn volledige medische dossier ter inzage aan de medische adviseur van gedaagde of een door gedaagde in te schakelen medisch deskundige af te geven, voor zover althans zo'n dossier bestaat, zal zulks ten nadele van eiser moeten worden uitgelegd.

8. Een bewijsopdracht inzake het door gedaagde voldoen aan haar zorgplicht zal ik nog niet formuleren: om proceseconomische redenen lijkt het beter eerst de causaliteitsvraag te beantwoorden. Om diezelfde reden zal ook worden bepaald dat tussentijds hoger beroep van dit tussenvonnis mogelijk is: wanneer de kerndiscussie inzake de causaliteit onherroepelijk is afgerond, kan wellicht snel een algehele oplossing worden gevonden. Eventueel zal dan een comparitie van partijen zinvol kunnen zijn.

9. In afwachting van het verdere procesverloop wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

De beslissing

De kantonrechter:

laat gedaagde toe tot het bewijs van feiten of omstandigheden, waaruit kan worden afgeleid, dat

de ziekte of gezondheidsklachten van eiser naar alle waarschijnlijkheid en in overwegende mate worden veroorzaakt door andere factoren dan het langdurig werken door eiser met voor de gezondheid gevaarlijke stoffen;

bepaalt dat gedaagde zich op de rolzitting van [datum] te 10.00 uur schriftelijk kan uitlaten over de vraag hoe zij het bewijs wil leveren;

bepaalt dat, als gedaagde bewijs wil leveren met schriftelijke stukken, zij deze stukken op de hiervoor genoemde rolzitting of een latere rolzitting over moet leggen;

bepaalt dat gedaagde, als zij (tevens) bewijs door getuigen wil leveren, de naam en woonplaats van de te horen getuigen moet opgeven met de verhinderdata van haar, haar gemachtigde en de getuigen en zo mogelijk van de tegenpartij, waar na een dag voor het getuigenverhoor zal worden vastgesteld;

bepaalt dat van dit tussenvonnis ook tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.M.C. Obenhuijsen en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2006.

typ/conc. .2 jo

coll: