Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2006:AY7256

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
30-08-2006
Datum publicatie
31-08-2006
Zaaknummer
58079 / KG ZA 06-160
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Gedaagde heeft executoriaal derdenbeslag gelegd ter tenuitvoerlegging van een verstekvonnis van 6 januari 1986. Na het faillissement van eiseres, dat in 1989 is opgeheven wegens gebrek aan baten, heeft gedaagde jarenlang niets van zich laten horen. Eerst op 22 september 2005 sommeert de deurwaarder eiseres tot betaling. Op grond van artikel 3:324 lid 1 BW is gedaagde gerechtigd tot tenuitvoerlegging voor wat betreft de hoofdsom van de vordering, aangezien de verjaringstermijn van twintig jaar nog niet is verstreken. Voor zover het beslag is gelegd teneinde betaling te krijgen van de wettelijke rente over die hoofdsom wordt het beslag opgeheven, aangezien deze vordering inmiddels op grond van artikel 3:308 BW voor een groot deel is verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 58079 / KG ZA 06-160

Vonnis in kort geding van 30 augustus 2006

in de zaak van

[EISERES],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

toegevoegd procureur mr. J.P. Schrale-Oranje,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IDM FINANCIERINGEN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. D. Renkema.

Partijen zullen hierna [eiseres] en IDM Financieringen B.V. genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 7 augustus 2006;

- de mondelinge behandeling op 16 augustus 2006;

- de pleitnota van [eiseres];

- de pleitnota van IDM Financieringen B.V.;

- de door partijen overgelegde producties.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

[eiseres] is de weduwe van de in 2003 overleden heer [echtgenoot van eieres], hierna ook te noemen: [echtgenoot van eiseres].

In 1984 heeft het echtpaar [achternaam van eiseres en haar echtgenoot] een auto, merk Honda, type Accord met als kenteken [kenteken], aangeschaft.

Ten behoeve van de betaling van de koopsom van de auto zijn [echtgenoot van eiseres] en [eiseres] in oktober 1984 een lening aangegaan bij IDM Voorschotbank N.V. in hoofdsom groot ƒ 8.000,00, tegen een rente van 17,5 %.

Bij verstekvonnis van 6 januari 1986 van het kantongerecht te Assen zijn [eiseres] en [echtgenoot van eiseres] in dat verband hoofdelijk veroordeeld, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd om aan IDM Voorschotbank N.V. te betalen ƒ 5.000,00 met de wettelijke rente over dat bedrag sedert 20 december 1985 tot de dag der voldoening. Tevens zijn zij daarbij veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van IDM Voorschotbank N.V. tot die uitspraak vastgesteld op ƒ 482,05, waaronder ƒ 180,00 salaris van de gemachtigde.

Het voornoemde verstekvonnis is op 16 januari 1986 betekend aan [echtgenoot van eiseres], zowel aan hem in persoon als aan hem in hoedanigheid van echtgenoot/huisgenoot van [eiseres].

Op 28 april 1986 heeft IDM Voorschotbank N.V. executoriaal beslag doen leggen op de auto en een bewaarder doen aanstellen.

Op 13 mei 1986 heeft de verkoop bij executie van de auto plaatsgehad.

De verkoopopbrengst van de auto was ƒ 10,00.

Op 8 maart 1988 heeft onder meer IDM Voorschotbank N.V. diverse in eigendom aan [echtgenoot van eiseres] en [eiseres] toebehorende roerende zaken in executoriaal beslag doen nemen en daarover een bewaarder doen aanstellen.

Op 31 mei 1988 zijn [echtgenoot van eiseres] en [eiseres] failliet verklaard en is mr. J.W. Flipse tot curator benoemd.

IDM Voorschotbank heeft bij brief van 13 juni 1986 een vordering groot ƒ 12.896,92 ingediend bij de curator. Deze vordering heeft voor een deel betrekking op de vordering op grond van het vonnis van 6 januari 1986.

Bij brief van 9 februari 1989 heeft de curator het volgende aan IDM Bank N.V. bericht:

“In opgemeld faillissement kan ik U mededelen aan de Rechter-Commissaris te hebben voorgesteld de Rechtbank tot opheffing te verzoeken.”

Schuman deurwaarders-, incasso en juridisch advieskantoor te Ede heeft bij brief van 22 september 2005 het volgende aan [eiseres] bericht:

“Terzake breng ik u in herinnering de vordering die mijn cliënte de besloten vennootschap IDM FINANCIERINGEN B.V., rechtsopvolgster van de naamloze vennootschap IDM VOORSCHOTBANK N.V., gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam, op u heeft uit hoofde van een door de Kantonrechter te Assen gewezen vonnis d.d. 6 januari 1986, waarvan u bijgaand een fotokopie aantreft.

Uit hoofde van bovengenoemde bent u thans nog aan mijn cliënte verschuldigd de hierna volgende bedragen.

- hoofdsom EUR 2.268,90

- rente berekend t/m 22 september 2005 EUR 3.455,13

- proceskosten EUR 218,74

- kosten betekening vonnis, inclusief BTW EUR 41,14

- informatiekosten, inclusief BTW EUR 26,95

- executiekosten, inclusief BTW EUR 325,21

- meerdere verschuldigde EUR 2.322,36

totaal EUR 6.658,43

waarop in mindering is gebracht EUR 4,54

resteert EUR 8.653,89

onverminderd de vanaf heden lopende rente, gerechts- en executiekosten.”

Op 20 juni 2006 heeft IDM Financieringen B.V. uit kracht van het vonnis van 6 januari 1986 ten laste van [eiseres] executoriaal derdenbeslag doen leggen onder de Sociale Verzekeringsbank “teneinde betaling te krijgen van de op grond van dat vonnis verschuldigde bedragen:

voor hoofdsom conform titel € 2.268,90

rente berekend tot op heden € 3.517,18

Rente vanaf heden tot de dag der voldoening p.m.

geliquideerde proceskosten € 218,74

nasalaris € 0,00

kosten betekening en bevel € 41,14

kosten (eerder) beslag € 0,00

informatiekosten € 0,00

Overige kosten € 325,21

inningskosten p.m.

in mindering voldaan € 4,54

totaal € 6.393,58

kosten van dit derdenbeslag € 126,64

kosten overbetekening van dit beslag € 71,86 totaal te vorderen € 6.592,08

onverminderd overige rente en kosten van executie en die om daartoe te geraken;”

Het geschil

[eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut het door IDM Financieringen B.V. ten laste van [eiseres] gelegde executoriale beslag met onmiddellijke ingang op zal heffen, althans de zijdens IDM Financieringen B.V. ingezette executie van de vermogensbestanddelen van [eiseres] met onmiddellijke ingang te schorsen, zulks met veroordeling van IDM Financieringen B.V. in de kosten van dit geding.

[eiseres] stelt daartoe dat de executie onrechtmatig is en ten onrechte is ingezet, omdat IDM Financieringen B.V. geen vordering heeft op [eiseres]. Verder heeft IDM Financieringen B.V. nu evenmin belang bij deze executie als zij dit gedurende de afgelopen twintig jaren had, aangezien [eiseres] niet in een vermogender toestand is geraakt.

IDM Financieringen B.V. voert verweer. IDM Financieringen B.V. heeft aangevoerd dat zij met het verstekvonnis van 6 januari 1986 een geldige titel heeft op grond waarvan zij mag executeren.

Op de nadere stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

De beslagen vordering

Uit het in r.o. 2.14 weergegevene volgt dat het executoriaal beslag is gelegd teneinde betaling te krijgen van een bedrag van in totaal € 6.592,08.

IDM Financieringen B.V.

Dat IDM Voorschotbank N.V. is omgezet in IDM Financieringen B.V. is voldoende aannemelijk gemaakt door overlegging van het aandeelhoudersbesluit tot omzetting van IDM Voorschotbank N.V. van 21 januari 1994, het daaraan gehechte concept uit 1994 van de akte van die omzetting, alsmede het uittreksel uit het Handelsregister waaruit blijkt dat IDM Voorschotbank N.V. met ingang van 28 april 1994 de handelsnaam IDM Financieringen B.V. is gaan voeren. Derhalve wordt er in dit geding van uitgegaan dat IDM Financieringen daadwerkelijk degene is die gerechtigd is tot de tenuitvoerlegging van het vonnis van 6 januari 1986.

De afboeking van de vordering

[eiseres] heeft aangevoerd dat de vordering op haar in 1989 boekhoudkundig als oninbaar is afgeschreven, dat er geen belang was bij het overnemen van die oninbare vordering en dat een dergelijke overdracht dus niet heeft plaatsgevonden. Dit verweer wordt aldus begrepen dat [eiseres] van mening is dat de vordering op [eiseres] niet is overgedragen aan IDM Financieringen B.V., maar bij IDM Voorschotbank N.V. is achtergebleven. Dit verweer miskent dat IDM Financieringen B.V. dezelfde partij is als -voor de omzetting- IDM Voorschotbank N.V.. Voor zover [eiseres] zich daarmee in die zin bedoelt te verweren dat de vordering op haar door die afboeking teniet is gegaan, geldt dat deze afboeking geen externe werking heeft en derhalve niet tot gevolg heeft dat die vordering jegens haar ook teniet is gegaan.

De betekening aan [echtgenoot van eiseres]

De betekening van het vonnis van 6 januari 1986 aan [echtgenoot van eiseres] - zowel aan hem in persoon als aan hem in hoedanigheid van echtgenoot/huisgenoot van [eiseres] - is een rechtsgeldige betekening, zodat IDM Financieringen B.V. ook wat dat betreft bevoegd is tot tenuitvoerlegging van dit vonnis ten opzichte van [echtgenoot van eiseres].

Rechtsverwerking

Voor zover [eiseres] een beroep doet op rechtsverwerking geldt dat enkel tijdsverloop of enkel stilzitten onvoldoende is voor het aannemen van rechtsverwerking. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij [eiseres] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat IDM Financieringen B.V. haar aanspraak niet meer geldend zou maken, hetzij [eiseres] onredelijk in haar positie zou worden benadeeld in geval IDM Financieringen haar aanspraak alsnog geldend zou maken (HR 29 september 1995, NJ 1996, 89). Dergelijke omstandigheden zijn niet door [eiseres] gesteld noch zijn zij in dit geding gebleken.

De afwikkeling van het faillissement

Ten aanzien van de stelling van [eiseres] dat de vordering waarvoor beslag is gelegd inmiddels is voldaan in het kader van de afwikkeling van het faillissement geldt dat, in overleg met partijen, ambtshalve door de voorzieningenrechter is onderzocht op welke wijze het faillissement van [echtgenoot van eiseres] is geëindigd. Uit dit onderzoek is gebleken dat het faillissement is opgeheven wegens een gebrek aan baten, zodat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vordering in het kader van de afwikkeling van het faillissement reeds is voldaan.

Verjaring

Het executoriale beslag is gelegd in het kader van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 6 januari 1986. Tussen partijen staat wel vast dat voor wat betreft de hoofdsom de verjaringstermijn van twintig jaar geldt uit artikel 3:324 lid 1 BW en dat deze verjaringstermijn nog niet is verstreken. In zoverre is IDM Financieringen derhalve bevoegd tot tenuitvoerlegging.

Voor wat betreft de bijkomende veroordeling in het vonnis van 6 januari 1986 tot betaling van wettelijke rente over het bedrag van ƒ 5.000,00 vanaf 20 december 1985 tot de dag der voldoening, geldt dat dit een vordering is die ingevolge het vonnis periodiek begint te lopen en waarop de verjaringstermijn van 3:308 BW van vijf jaar van toepassing is. In dit geding is voldoende aannemelijk gemaakt dat tussen de brief van Schuman van 22 september 2005 en de laatste actie van IDM Financieringen B.V. richting [eiseres], die als daad van stuiting zou kunnen worden begrepen, meer dan vijf jaar is verstreken. Dit betekent dat de wettelijke rente tot 22 september 2000 op grond van het bepaalde in artikel 3:308 BW is verjaard. IDM Financieringen B.V. heeft daarmee alleen een bevoegdheid tot tenuitvoerlegging ten aanzien van de wettelijke rente over de hoofdsom van ƒ 5.000,00 vanaf 22 september 2000 tot aan de dag der algehele voldoening.

Strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid

Hetgeen in r.o. 4.8 is overwogen over de verjaring van de wettelijke rente over de hoofdsom maakt dat niet meer wordt toegekomen aan de subsidiaire stelling van [eiseres] dat het in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid is dat IDM Financieringen B.V. de door haar berekende wettelijke rente over de bij vonnis van 6 januari 1986 toegewezen hoofdsom van ƒ 5.000,00 vordert, terwijl zij enkel heeft stilgezeten en daardoor deze rente onevenredig hoog heeft laten oplopen.

Gedeeltelijke opheffing van het executoriaal beslag

Op grond van het vorenstaande is IDM Financieringen B.V. weliswaar gerechtigd tot de tenuitvoerlegging van het vonnis van 6 januari 1986, maar heeft zij op grond daarvan aanzienlijk minder te vorderen dan het bedrag waarvoor blijkens r.o. 2.14 beslag is gelegd, zodat in zoverre gebleken is van ondeugdelijkheid van het door IDM Financieringen B.V. ingeroepen recht.

Voor zover IDM Financieringen B.V. op grond van het vonnis van 6 januari 1986 gerechtigd is tot tenuitvoerlegging is door [eiseres] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat IDM Financieringen B.V. geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat, zoals [eiseres] stelt, IDM Financieringen B.V. op dit moment niet meer belang heeft bij die tenuitvoerlegging dan voorheen, aangezien [eiseres] niet in een vermogender toestand is geraakt, is daarvoor onvoldoende.

De voorzieningenrechter zal op grond van het vorengaande het door IDM Financieringen gelegde executoriale beslag gedeeltelijk, voor zover dit beslag betrekking heeft op de inmiddels verjaarde wettelijke rente, opheffen.

Proceskosten

Nu het beslag deels wordt opgeheven en beide partijen daarbij over en weer gedeeltelijk in het gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd als te bepalen in het dictum.

Uitvoerbaarverklaring op de minuut

Dit vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, met dien verstande dat de gevorderde uitvoerbaar verklaring op de minuut zal worden afgewezen, nu [eiseres], voor wie terstond na deze uitspraak een grosse beschikbaar zal zijn, daarbij geen belang heeft.

Het meer of anders gevorderde

Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

De beslissing

De voorzieningenrechter

1. Heft het door IDM Financieringen B.V. ten laste van [eiseres] gelegde executoriale beslag met onmiddellijke ingang op voor zover dit beslag betrekking heeft op de over de periode tot 22 september 2000 berekende wettelijke rente over het ingevolge het vonnis van het kantongerecht van 6 januari 1986 te betalen bedrag van € 2.268,90 (ƒ 5.000,00).

2. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

3. Compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Duinkerken en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. F.W. Strijker op 30 augustus 2006.?