Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2006:AY5644

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
04-08-2006
Zaaknummer
53317 - HA ZA 05-603
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Baiingsleer van overeenkomstige toepassing bij detachering.

Na een met de uitlener geregelde ontbinding kan niet nogmaals op dezelfde grondslag gevorderd worden van de inlener.

Betrokkene was in dienst van X en gedetacheerd bij de kliniek X waarvan de Staat der Nederlanden eigenaresse en exploitant is.

Overeengekomen was dat de arbeidsovereenkomst onlosmakelijk deel uitmaakt van de detachering en dat de Staat de uitlener vrijwaart voor alle gevolgen in verband met de detachering (financiële en arbeidsrechtelijke) en dat de detachering eindigt in geval de arbeidsovereenkomst eindigt.

Er ontstaat een arbeidsconflict waarbij een van de directeuren van de kliniek een leidende rol speelt als leider van een op betrokkene gericht onderzoek.

Tussen de uitlener en betrokkene wordt een ‘geregelde ontbinding’ overeengekomen.

De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst wegens ‘verandering van omstandigheden’, onder toekenning aan betrokkene van een vergoeding ten laste van uitlener.

Betrokkene start een civiele procedure tegen de directeur en de Staat. Hij eist een hoofdelijke veroordeling tot betaling van een schadevergoeding en een openbare rehabilitatie wegens onrechtmatig handelen.

Het onrechtmatig handelen heeft volgens betrokkene onder meer als voorzienbaar gevolg gehad dat zijn positie als coördinerend hoofdbehandelaar onhoudbaar werd. Volgens betrokkene was dit gevolg beoogd bij de aanvang van het onderzoek.

De rechtbank oordeelt als volgt.

De directeur heeft gehandeld als orgaan van de Staat. Zijn handelen kan hem niet persoonlijk worden toegerekend nu dit bleef binnen de grenzen van zijn taak en de daaraan verbonden bevoegdheden, terwijl dit niet met een kennelijk vooropgezette oneigenlijke bedoeling werd verricht dan wel anderszins getuigde van een niet te goeder trouw mogen menen dat er voldoende feitelijke en juridische grondslag voor het handelen aanwezig was.

Voor de aansprakelijkheid van de staat geldt het volgende.

Toekenning van een ontbindingsvergoeding berust op een billijkheidsoordeel van de rechter. De rechter moet alle voor dit oordeel relevante omstandigheden meewegen bij de beslissing of een dergelijke vergoeding wordt toegekend en bij de beslissing hoe hoog een toe te kennen vergoeding moet zijn. Partijen kunnen daartoe alle omstandigheden die zij relevant achten tegenover de rechter naar voren brengen.

Als de rechter in het vonnis waarin de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden niet aangeeft dat hij bepaalde aangevoerde omstandigheden niet heeft meegewogen, dan moet er vanuit worden gegaan dat die rechter alle voor de ontbindingsvergoeding aangevoerde relevante omstandigheden heeft meegewogen, ook al is dit feitelijk niet het geval door buiten de rechter om gemaakte keuze van partijen om juist niet alle omstandigheden aan die rechter voor te leggen; hetgeen kenmerkend is voor geregelde ontbindingen.

Als mee te wegen relevante omstandigheden gelden zonder twijfel de door betrokkene verweten handelingen. Betrokkene geeft zelf al aan dat deze rechtstreeks in verband staan met de beëindiging.

Onder de omstandigheden van het geval, een onlosmakelijk verbonden arbeids- en detacheringsovereenkomst, is er geen goede grond om de Baijingsleer (o.a. HR 24 oktober 1997, NJ 1998/257, en HR 1 maart 2002, NJ 2003/210) niet van overeenkomstige toepassing te achten.

Dat heeft tot gevolg dat in de door de kantonrechter toegekende vergoeding reeds alle omstandigheden geacht worden te zijn verdisconteerd, ook waar deze gelden in de verhouding tussen betrokkene en de Staat, zodat er geen ruimte is voor toewijzing van de onderhavige vordering tegen de Staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 443
Prg. 2006, 145
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 53317 / HA ZA 05-603

Vonnis van 12 juli 2006

in de zaak van

[EISER],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. H.J. de Ruijter,

advocaat mr. G.W. Brouwer te [woonplaats],

tegen

1. [GEDAAGDE SUB 1]

wonende te [woonplaats], [adres],

2. STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE, [KLINIEK]),

zetelend te Den Haag,

gedaagden,

procureur mr. R.A.A. Geene,

advocaat mr. W. Heemskerk.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 1 augustus 2005;

- de conclusie van antwoord van 16 november 2005;

- de conclusie van repliek van 11 januari 2006;

- de conclusie van dupliek van 22 mart 2006;

- de akte houdende uitlating producties zijdens eiser van 3 mei 2006;

- de akte uitlating productie zijdens gedaagden van 17 mei 2006;

- de bij de stukken gevoegde producties.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

a. Eiser heeft medio oktober 2000 gesolliciteerd naar de functie van coördinerend hoofdbehandelaar in de [kliniek] te [woonplaats].

Dit heeft geleid tot de afspraak dat hij per 1 januari 2001 in dienstverband komt te staan tot de Stichting GGz [woonplaats] en dat de GGZ [woonplaats] hem per die datum detacheert bij de [kliniek].

De [kliniek] is onderdeel van het Ministerie van Justitie. De [kliniek] kon eiser zelf om verschillende redenen niet in dienst nemen (al dan niet als ambtenaar).

b. Het dienstverband bij de GGz [woonplaats] en de plaatsing bij de [kliniek] vielen beide onder de bevoegdheid van de Raad van Bestuur van de GGz [woonplaats]. Die Raad van Bestuur fungeerde tevens als bestuur van de [kliniek].

c. De van het dienstverband bij de GGz [woonplaats] opgemaakte akte is ondertekend door eiser en door [lid Raad van Bestuur] in zijn hoedanigheid van lid van de Raad van Bestuur van de GGz [woonplaats].

De van de detachering opgemaakte akte is ondertekend door eiser en door [lid Raad van Bestuur] in zowel zijn hoedanigheid van lid van de Raad van Bestuur van de GGz [woonplaats] als bestuurder van de [kliniek].

In die akte is vermeld: ‘de arbeidsovereenkomst die is aangevangen op 1 januari 2001, gesloten tussen de werkgever en de werknemer, maakt onlosmakelijk deel uit van de detachering.’

Verder is onder meer een vrijwaring opgenomen die door de [kliniek] is verleend aan de GGz [woonplaats] voor alle gevolgen in verband met de detachering (financiële en arbeidsrechtelijke).

Vastgelegd is dat de detachering niet eenzijdig kan worden opgezegd door de inlener en dat de detachering eindigt in geval de arbeidsovereenkomst eindigt.

d. [Gedaagde sub 1] was werkzaam als directeur Algemene Zaken van de [kliniek].

Begin 2004 heeft hij in die hoedanigheid bekend gemaakt dat een onderzoek werd ingesteld naar eiser. Aanleiding zouden zijn meldingen van grensoverschrijdend gedrag met een seksueel karakter door eiser.

In het kader van dat onderzoek zijn onder meer medewerkers van eisers afdeling gehoord en twee medewerkers van andere afdelingen. Het horen vond plaats in februari en maart 2004. Van het horen zijn verslagen gemaakt.

Eiser is gehoord op 8 april 2004 nadat hem de verslagen ter beschikking waren gesteld. Hij heeft zich doen bijstaan door mr. G. Brouwer die namens hem het woord heeft gevoerd, onder andere met -schriftelijk uitgewerkte- fundamentele kritiek op de gevolgde procedure.

e. Op 26 april 2004 is een vertrouwelijk memo tot eiser gericht waarin onder meer is gesteld dat de Raad van Bestuur van de GGz [woonplaats] tot het oordeel is gekomen dat eiser onprofessioneel, niet integer en grensoverschrijdend gedrag heeft getoond en dat een formele waarschuwing op zijn plaats is, met daarnaast psychotherapie en niet vrijblijvende supervisie gekoppeld aan een beoordelingstraject.

f. Dit besluit is door onder meer [gedaagde sub 1] en door [lid van bestuur] als lid van het bestuur op 28 april 2004 bekend gemaakt aan de medewerkers van eisers afdeling. Eiser was daarbij niet aanwezig.

Op 6 mei 2004 zijn de medewerkers en voornoemde personen weer bijeengekomen, nu in aanwezigheid van eiser. De medewerkers hadden zich voorbereid op die bijeenkomst en gaven aan dat zij geen vertrouwen meer hadden in eiser. Zij volhardden in dit standpunt. Daarop is namens het bestuur meegedeeld dat er een besluit zal worden genomen.

g. Bij brief van 13 mei 2004 heeft mr. Brouwer zich gewend tot de [kliniek], onder meer met kritiek op ‘het standpunt van de directie’ en met een reactie op de besluiten die staan vermeld in het memo van 28 april 2004.

h. Bij brief van 17 mei 2004 heeft het bestuur van de [kliniek] eiser meegedeeld dat hij moet worden ontslagen.

Op 26 mei 2004 is er een gesprek geweest van het bestuur en de directie van de [kliniek] met eiser waarin hem is meegedeeld dat tot de conclusie is gekomen dat hij niet te handhaven is in zijn functie en dat hem ook geen andere functie zal worden aangeboden. Eiser zal worden ontslagen.

i. Eiser heeft kenbaar gemaakt het met dit besluit niet eens te zijn maar open te staan voor een verder traject. Vervolgens is op initiatief van eiser een intermediair tussengekomen.

Uiteindelijk is in september 2004 overeenstemming bereikt. Overeengekomen is een zogeheten geregelde ontbinding: GGz [woonplaats] vraagt de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst tussen haar en eiser te ontbinden met ingang van 1 oktober 2004, eiser conformeert zich aan dit verzoek en krijgt -daarvoor- een vergoeding van EUR 75.000,00.

j. Bij beschikking van 30 september 2004 heeft de kantonrechter conform de wens van eiser en GGz [woonplaats] de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2004 ontbonden wegens ‘verandering van omstandigheden’, onder toekenning aan eiser ten laste van de GGz [woonplaats] van ‘een vergoeding van EUR 75.000,00 bruto, als aanvulling op een sociale verzekeringsuitkering dan wel op een elders te verdienen lager loon danwel teneinde een adequate pensioenvoorziening te treffen’.

De vordering

Eiser heeft bij dagvaarding gevorderd dat de rechtbank:

1. gedaagden bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk veroordeelt tot betaling van EUR 50.000,00 netto;

2. de Staat veroordeelt om in het informatiebulletin van de [kliniek] binnen drie weken na betekening van het vonnis van de rechtbank de volgende tekst te plaatsen: ‘In juli 2005 heeft de heer [eiser] een procedure aanhangig gemaakt. In de uitspraak in die procedure is de Staat/de [kliniek] veroordeeld om door middel van dit personeelsbulletin de medewerkers van de [kliniek] ervan in kennis te stellen dat door toedoen van de directie van de [kliniek] ten onrechte de indruk is gewekt dat de heer[eiser] zich schuldig zou hebben gemaakt aan seksuele intimidaties.

Waar door de Directeur Algemene Zaken van de [kliniek] in dit verband is gesproken over de slachtoffers van de heer [eiser], is ook dat onjuist.

De rechtbank heeft geoordeeld dat door toedoen van de directie van de [kliniek] de eer en goede naam van de heer [eiser] ten onrechte in diskrediet zijn gebracht.’

Op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 100,00 voor iedere keer en iedere dag dat de Staat daarmee in gebreke blijft;;

3. met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding.

Op de aan deze vorderingen ten grondslag gelegde stellingen zal, voor zoveel nodig, worden ingegaan bij de beoordeling van het geschil.

Het verweer

Gedaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop zal, voorzover van belang, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

Beoordeling van het geschil

Eiser grondt zijn vorderingen tegen [gedaagde sub 1] op de rechtsgrondslag dat [gedaagde sub 1], in zijn hoedanigheid van directeur van de [kliniek], ten opzichte van hem onrechtmatig heeft gehandeld. Omdat dit onrechtmatig handelen aan de Staat moet worden toegerekend en omdat de Staat daarnaast op grondslag van artikel 6:170 BW aansprakelijk is, heeft eiser ook de Staat gedagvaard, waarbij hij van de Staat -naast schadevergoeding- vordert dat deze door een publicatie zijn eer en goede naam herstelt.

Het onrechtmatig handelen heeft er volgens eiser in bestaan dat [gedaagde sub 1] begin 2004 zonder voldoende reden een onderzoek naar hem heeft ingesteld, het onderzoek onzorgvuldig heeft gedaan en de uitkomsten op zodanig onzorgvuldige wijze heeft gepresenteerd dat de positie van eiser, zijn aanzien en zijn goede naam zowel binnen als buiten de [kliniek] nodeloos zijn geschaad met ondermeer als voorzienbaar gevolg dat de positie van eiser als coördinerend hoofdbehandelaar onhoudbaar werd; welk gevolg vooropgezet was bij de aanvang van het onderzoek. Over dit laatste is gesteld:

‘De feitelijke gang van zaken maakt aannemelijk dat het onderzoek met dit doel is ingesteld om vervolgens de detacheringsovereenkomst te kunnen verbreken met als voorzienbaar gevolg dat GGZ [eiser] zou ontslaan.‘

[gedaagde sub 1] heeft als verweer gevoerd dat hij orgaan is van de Staat en dat er geen feiten zijn gesteld die mee kunnen brengen dat hem persoonlijk (ernstige) verwijten kunnen worden gemaakt op grond waarvan hij, naast de Staat, aansprakelijk is.

De rechtbank onderschrijft deze opvatting.

[gedaagde sub 1] heeft gehandeld als orgaan van de Staat en de vorderingen tegen hem zijn gegrond op de stelling dat deze handelingen ten opzichte van eiser het plegen van een onrechtmatige daad inhielden. Om tot toerekening aan [gedaagde sub 1] te komen is vereist dat het verrichten van deze handelingen aan hem persoonlijk kan worden toegerekend omdat dit aan zijn schuld te wijten is; dat wil zeggen: wanneer, gelet op de omstandigheden van het geval hem persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt. Voor een toerekening aan hem op de grond dat deze gedraging krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt, is geen plaats (HR 11 oktober 1991, NJ 1993/165).

De gestelde feiten houden, indien deze zouden komen vast te staan, niet een dergelijk aan [gedaagde sub 1] te maken verwijt in. Het handelen bleef binnen de grenzen van zijn taak en de daaraan verbonden bevoegdheden, terwijl dit niet met een kennelijk vooropgezette oneigenlijke bedoeling werd verricht dan wel anderszins getuigde van een niet te goeder trouw mogen menen dat er voldoende feitelijke en juridische grondslag voor het handelen aanwezig was.

Gedaagden hebben als verweer gevoerd dat de ontbindingsvergoeding van EUR 75.000,00 die door de GGz [woonplaats] aan eiser is betaald als uitvloeisel van de tussen eiser en GGZ [woonplaats] gesloten overeenkomst met betrekking tot de (wijze van) beëindiging van het dienstverband, reeds een vergoeding omvat voor de schade die eiser thans claimt omdat in dit bedrag alle omstandigheden zijn verdisconteerd die betrekking hebben op (de wijze van) de beëindiging van dit dienstverband. Voor een toetsing van die beëindiging en de gevolgen daarvan bestaat naar de mening van gedaagden thans geen ruimte meer.

Gedaagden doen deze opvatting berusten op de zogeheten ‘Baijings-leer’ die in verschillende arresten van de Hoge Raad is uitgewerkt (o.a. HR 24 oktober 1997, NJ 1998/257, en HR 1 maart 2002, NJ 2003/210).

Gedaagden hebben die leer als volgt verwoord: ‘ziet [eiser] evenwel over het hoofd dat de Hoge Raad in de zogeheten Baijingsleer heeft bepaald dat bij een ontbinding van een arbeidsovereenkomst wegens veranderde omstandigheden het resultaat van de rechterlijke toetsing aan de eisen van redelijkheid en billijkheid in beginsel ten volle tot uitdrukking dient te komen in de hoogte van de vergoeding die de rechter op grond van artikel 7:685 lid 8 BWW met het oog op de omstandigheden van het geval naar billijkheid aan één der partijen ten laste van de wederpartij toekent, zodat er daarnaast voor zodanige toetsing geen plaats is.‘

De door de kantonrechter aan eiser ten laste van de GGz [woonplaats] toegekende vergoeding berust op het achtste lid van artikel 7:685 BW. Eiser heeft daartoe zelf ingestemd met ontbinding wegens ‘veranderingen in de omstandigheden’ met als tegenprestatie voor die instemming toekenning van de EUR 75.000,00 (‘geregelde ontbinding’), zijnde een vergoeding die de rechter ‘met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomt’.

Toekenning van een dergelijke ontbindingsvergoeding berust op een billijkheidsoordeel van de rechter. De rechter moet alle voor dit oordeel relevante omstandigheden meewegen bij de beslissing of een dergelijke vergoeding wordt toegekend en bij de beslissing hoe hoog een toe te kennen vergoeding moet zijn. Partijen kunnen daartoe alle omstandigheden die zij relevant achten tegenover de rechter naar voren brengen.

Als de rechter in de beschikking waarin de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden niet aangeeft dat hij bepaalde omstandigheden niet heeft meegewogen, dan moet er vanuit worden gegaan dat alle relevante omstandigheden zijn meegewogen bij de bepaling van de ontbindingsvergoeding, ook al hebben partijen feitelijk niet alle omstandigheden aan de rechter voorgelegd, hetgeen kenmerkend is voor geregelde ontbindingen.

Als mee te wegen relevante omstandigheden gelden zonder twijfel de door eiser aan [gedaagde sub 1] verweten handelingen en de aan de Staat verweten (wijze van) aantasting van het aanzien en de goede naam van eiser. Eiser geeft zelf al aan dat deze rechtstreeks in verband staan met de beëindiging (door ontbinding) van het dienstverband: zie rechtsoverweging 5.1.

Gedaagden geven terecht aan dat dit ingevolge de Baijingsleer betekent dat er in de verhouding tussen eiser en de GGz [woonplaats] geen ruimte meer is om nogmaals, in een afzonderlijke procedure, het handelen van de werkgever, in de persoon van de directeur of (voorzitter) van de Raad van Bestuur, te toetsen met het oog op de vraag of er een vergoeding moet worden toegekend voor de gevolgen die eiser stelt te hebben ondervonden van dit handelen.

Anders gezegd: voor een onrechtmatige daadsactie bestaat geen ruimte meer nu er geen sprake is van ander handelen waaruit de onrechtmatigheid zou bestaan dan het handelen dat met de ontbinding in verband staat. Het stellen van onrechtmatig handelen als rechtsgrondslag biedt geen ontsnappingsroute (vgl. HR 21 april 2006, NJ 2006/272).

Partijen verschillen van mening over de vraag of het ontbreken van deze mogelijkheid ten opzichte van de GGz [woonplaats] ook geldt in de verhouding tussen eiser enerzijds en anderzijds [gedaagde sub 1] en de Staat. Hierbij geldt dat er geen verschil is in de feitelijke grondslag voor de aansprakelijkstelling.

Eiser had niet alleen met de GGz [woonplaats] een contractuele band maar óók met de Staat der Nederlanden; welke banden onlosmakelijk waren verknoopt (rubriek feiten onderdeel c over de detachering).

In de verhouding tussen enerzijds eiser en anderzijds GGz [woonplaats] en de Staat, had eiser als werknemer te maken met werkgeversgezag dat over hem werd uitgeoefend. Die werkgever was de Stichting GGz [woonplaats] (‘formele werkgever’) doch het gezag werd deels ook uitgeoefend binnen de [kliniek] door de Staat (‘materiële werkgever’), vergelijkbaar met de wijze waarop dit geschiedt in uitzendverhoudingen: het aan de werkgever toekomende toezicht en de leiding bij het verrichten van de arbeid komt als gevolg van de uitlening toe aan de inlener, doch blijft voor het overige bij de werkgever (artikel 7:690 BW). Dat toezicht en die leiding waren de verantwoordelijkheid van onder meer [gedaagde sub 1] in diens hoedanigheid van directeur van de [kliniek]. Slechts door die hoedanigheid kon hij handelen ten opzichte van eiser zoals hij heeft gedaan (opstarten en houden van onderzoeken, bekendmaken van resultaten etc.). Eiser had met andere woorden te maken met handelen als uitoefening van verdeeld werkgeversgezag binnen een en dezelfde arbeidsverhouding, welk handelen het volgens hem vooropgezette doel had: ‘om vervolgens de detacheringsovereenkomst te kunnen verbreken met als voorzienbaar gevolg dat GGZ [eiser] zou ontslaan.’

Onder deze omstandigheden is er geen goede grond om de Baijingsleer niet van toepassing te achten.

Voor wat betreft de gevorderde publicatie geldt hierbij dat het achterwege zijn gebleven van een dergelijke publicatie geldt als een van de omstandigheden als bedoeld in rechtsoverweging 5.4 en derhalve moeten worden geacht te zijn meegewogen bij de beslissing of naar billijkheid een vergoeding moet worden toegekend en bij de beslissing hoe hoog een dergelijke vergoeding moet zijn.

Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Daarbij wordt het liquidatietarief toegepast met toekenning van 2 punten en indeling in tariefgroep IV. De kosten aan de zijde van gedaagden worden begroot op:

- vast recht EUR 1.100,00

- overige kosten 9,08

- salaris procureur 1.788,00 (2,0 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 2.897,08

BESLISSING

De rechtbank

1. wijst de vorderingen af,

2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden tot op heden begroot op EUR 2.897,08,

2. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.J. Lennaerts, mr. B. van den Bosch en mr. P.J. Duinkerken en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2006.?