Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2006:AY3880

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
28-06-2006
Datum publicatie
13-07-2006
Zaaknummer
55698/HA ZA 06-129
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Werkneemster van een besloten vennootschap heeft geldbedrag opgenomen van de privé-rekening van de directeur van deze vennootschap. De directeur had de bank daartoe telefonisch opdracht gegeven aan werkneemster dit geldbedrag mee te geven. Werkneemster stelt geldbedrag nog diezelfde dag aan directeur te hebben overhandigd. Directeur ontkent dat.

Rechtbank: werkneemster heeft (overeenkomstig HR 26 september 1980, NJ 1981, 154 : indien een gevolmachtigde voor een volmachtgever gelden heeft ontvangen en van de zijde van de volmachtgever wordt ontkend dat deze gelden aan hem zijn afgedragen)) de bewijslast dat deze afdracht wel is geschied. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 22 januari 1993 NJ 1993, 665 en 09 januari 1998 NJ 1998, 440 weliswaar een uitzondering aanvaard op de in zijn hiervoor vermeld arrest van 26 september 1980 geformuleerde regel, in een geval dat daardoor wordt gekenmerkt dat wanneer een werknemer wordt belast met het in ontvangst nemen van gelden voor de werkgever, op deze werkgever die afgifte verlangt, de bewijslast rust, doch vanwege bijzondere omstandigheden leent de onderhavige zaak zich niet voor afwijking van de hoofdregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 55698 / HA ZA 06-129

Vonnis in verzet van 28 juni 2006

in de zaak van

[EISER],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gedaagde in het verzet,

procureur mr. G.J. Sikken,

tegen

[GEDAAGDE],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

eiseres in het verzet,

procureur mr. G.H. Sjobbema.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

De procedure

Bij vonnis van deze rechtbank d.d. 4 januari 2006 is [gedaagde] bij verstek veroordeeld om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van EUR 15.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2003 tot aan de dag der algehele voldoening. [gedaagde] werd bij dat vonnis tevens in de proceskosten veroordeeld en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Bij dagvaarding d.d. 3 februari 2006 is [gedaagde] van voormeld verstekvonnis in verzet gekomen.

Voor het verdere verloop van deze verzetprocedure verwijst de rechtbank naar de volgende zich in het griffiedossier bevindende gedingstukken, waarop vonnis is gevraagd:

- het tussenvonnis van 8 maart 2006, waarbij een comparitie na antwoord is bevolen;

- het proces-verbaal van de gehouden comparitie na antwoord van 22 mei 2006;

- de bij stukken gevoegde en overigens ingebrachte producties.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de niet of onvoldoende weersproken inhoud van overgelegde producties, staat in dit geding het volgende vast:

[gedaagde] heeft op 3 juni 2002 van de privé-rekening met nummer 49.05.98.927 van [eiser] bij de ABN AMRO bank een bedrag van EUR 15.000,00 opgenomen. [gedaagde] was op dat moment in dienst bij Burka Betonbouw B.V, van welke vennootschap [eiser] op dat moment directeur was. De opname gebeurde krachtens een bijzondere, door [eiser] verleende telefonische volmacht. [eiser] had de bank gebeld met de mededeling dat [gedaagde] EUR 15.000,00 kwam halen. Op het desbetreffende bankafschrift staat bij de opname vermeld:

“Kasopname door gemachtigde Mevr. Tineke Lening Betonbouw Kl.Veen Doorndi”

[gedaagde] was van 7 juni 2002 tot 25 juli 2003 bestuurder (alleen/zelfstandig bevoegd) van Betonbouw Klazienaveen BV.

De vordering

[gedaagde] verzoekt de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat zij zal worden ontheven van de veroordeling tegen haar uitgesproken bij voormeld verstekvonnis, met niet-ontvankelijk verklaring van [eiser] in zijn vordering, danwel deze vordering aan hem te ontzeggen, zulks met veroordeling van [eiser] in de kosten van de verzetprocedure, alsmede het ongedaan maken van de kostenveroordeling, zoals in het verstekvonnis aan [gedaagde] werd opgelegd.

[gedaagde] stelt daartoe dat zij de door haar opgenomen EUR 15.000,00 aan [eiser] heeft afgedragen. Voorts stelt zij dat de inleidende dagvaarding een fout adres vermeld, alsmede een foute voorletter. De inleidende dagvaarding heeft haar nimmer bereikt.

Het verweer

[eiser] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. [eiser] stelt dat het onjuist is dat het bedrag van EUR 15.000,00 nog diezelfde dag aan hem is overhandigd. Hij was die dag in het buitenland. De omschrijving van het bankafschrift geeft aan waarvoor het bestemd was. Voor zover van belang, zal bij de beoordeling van het geschil nader op het verweer worden ingegaan.

Beoordeling van het geschil

De inhoud van de inleidende dagvaarding d.d. 01 december 2005 is niet conform de voorschriften van de artikelen 45 en 111 Rv, nu gedagvaard is “T. [gedaagde]” op het adres [adres]. Tussen partijen staat immers vast dat [gedaagde] haar voornaam [voornaam gedaagde] is en dat zij woonplaats heeft op het adres [adres]. Deze gebreken brengen nietigheid met zich mede.

Nu [gedaagde] na bij verstek te zijn veroordeeld verzet heeft ingesteld en daarmee nu eenmaal in het geding is verschenen heeft zij naar het oordeel van de rechtbank geen rechtens te respecteren belang meer bij de nietigverklaring van de dagvaarding. De rechtbank houdt op deze grond de nietigheid voor gedekt. Wel behoren alle kosten van de voorafgaande verstekprocedure voor rekening van [eiser] te komen.

Kern van het geschil is de vraag of [gedaagde] de opgenomen EUR 15.000,00 aan [eiser] heeft afgedragen. In zijn arrest van 26 september 1980, NJ 1981,154 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat indien een gevolmachtigde voor een volmachtgever gelden heeft ontvangen en van de zijde van de volmachtgever wordt ontkend dat deze gelden aan hem zijn afgedragen, op de gevolmachtigde de bewijslast rust dat deze afdracht wel is geschied. (Herhaald in Hoge Raad, 21-06-2002, NJ 2003,690). Krachtens deze jurisprudentie zou [gedaagde] moeten bewijzen dat zij de EUR 15.000,00 aan [eiser] heeft afgedragen.

De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 22 januari 1993 NJ 1993,665 en 09 januari 1998 NJ 1998,440 echter een uitzondering aanvaard op de in zijn hiervoor vermelde arrest van 26 september 1980 geformuleerde regel in een geval dat daardoor wordt gekenmerkt dat een werknemer wordt belast met het in ontvangst nemen van gelden voor de werkgever. In een dergelijke situatie rust op de werkgever die afgifte verlangt de bewijslast. Deze bewijslast wordt ook niet op een werknemer afgewenteld als de werkgever weet aan te tonen dat de werknemer de gelden heeft ontvangen, zoals in de onderhavige zaak: [gedaagde].

De rechtbank is nagegaan of de onderhavige zaak zich leent voor deze afwijking van de hoofdregel bij arbeidsovereenkomsten. In deze zaak moet immers worden uitgegaan van het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde] en Burka Betonbouw B.V. zijnde een besloten vennootschap waarvan [eiser] directeur was. Staat in deze zaak nu de specifieke verhouding tussen volmachtgever en gevolmachtigde voorop en daarmede de hoofdregel van bewijsrecht of staat hier nu de arbeidsverhouding voorop en levert vorenbedoelde hoofdregel van bewijsrecht geen passend recht op, maar moet hier de bijzondere regel van bewijslastverdeling gelden in die zin dat de bewijslast voor het niet afdragen door [gedaagde] op [eiser] rust. De rechtbank overweegt daaromtrent het navolgende.

In de eerste plaats constateert de rechtbank dat de onderhavige procedure geen procedure is tussen [gedaagde] en haar werkgever. Immers met de vaststelling dat er een arbeidsovereenkomst was tussen [gedaagde] en Burka Betonbouw BV is tevens vastgesteld dat deze arbeidsovereenkomst niet bestond tussen de partijen bij de onderhavige procedure: [gedaagde] en [eiser]. Het betreft hier niet een procedure tussen een werkgever en een werknemer, waarin de werkgever de werknemer dagvaardt tot doorbetaling van de ontvangsten, dus tot nakoming.

Het betreft hier een procedure tussen [eiser] in persoon en [gedaagde]. Bovendien ging het om een opname van een privé-rekening van [eiser] en wel om een opname voor, zoals [gedaagde] heeft gesteld voor “[eiser] zelf” en dus niet voor Burka Betonbouw B.V. De opname geschiedde krachtens “bijzondere volmacht” van [eiser] zelf en niet van de besloten vennootschap.

De geldopname betrof een lening aan Betonbouw Klazienaveen B.V., zijnde de vennootschap waarvan [gedaagde] binnen 4 dagen na opname de alleen/zelfstandig bevoegde bestuurder werd. [gedaagde] heeft het bedrag van EUR 15.000,00 in handen gekregen, terwijl zij wist dat dit bestemd was voor de besloten vennootschap waarvan zij enige dagen later bestuurder zou worden.

Het komt de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig voor dat [gedaagde] op moment geldopname niet wist dat zij dat enige dagen later zou worden. Ook vanuit haar (toekomstige) positie als bestuurder had [gedaagde] er belang bij dat omtrent de afdracht van de EUR 15.000,00 zo min mogelijk onduidelijkheid kon ontstaan, temeer daar zij er rekening mee diende te houden dat gegeven de privé-opname van de privé-rekening van [eiser] een en ander niet in de bedrijfsadministratie van Burka Betonbouw BV zou worden opgenomen, waardoor de afdracht naar het oordeel van de rechtbank toch meer in haar bewijsdomein is komen te liggen dan in dat van (de bestuurder van) haar werkgever. Veeleer dat in de onderhavige zaak sprake is geweest van door [gedaagde] ten behoeve van haar werkgever Burka Betonbouw B.V. ontvangen gelden is hier sprake geweest van een door haar ontvangen bedrag dat via [eiser] ten behoeve van “haar” BV: Betonbouw Klazienaveen B.V was.

Resumerend is de rechtbank van oordeel, dat op grond van de hiervoor omschreven omstandigheden in hun onderling verband en samenhang beschouwd, hier de hoofdregel van bewijsrecht dient te worden toegepast en dat [gedaagde] zal moeten bewijzen dat zij het door haar opgenomen bedrag van EUR 15.000,00 heeft afgedragen aan [eiser]. De verantwoording van de door haar opgenomen gelden ad EUR 15.000,00 ligt op grond van deze in onderling verband en samenhang beschouwde omstandigheden in de risicosfeer van [gedaagde]. Niet geoordeeld kan worden dat [gedaagde] hier “bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst” (eventueel) aan haar werkgever Burka Betonbouw B.V. schade heeft toegebracht door een tekortkoming ter zake van de afdracht van EUR 15.000,00.

Eén en ander betekent dat [gedaagde] een bewijsopdracht zal krijgen zoals nader in rechtsoverweging 5.8 is omschreven en dat de zaak in afwachting van deze bewijslevering zal worden aangehouden.

BESLISSING

De rechtbank

1. draagt [gedaagde] op te bewijzen dat zij het door haar opgenomen bedrag van EUR 15.000,00 aan [eiser] heeft afgedragen,

2. bepaalt dat daartoe getuigen kunnen worden voorgebracht voor het lid van deze rechtbank mr. H. Wolthuis, die zitting zal houden in het gerechtsgebouw aan Brinkstraat 4 te Assen op een nader te bepalen datum en tijdstip,

3. bepaalt dat [gedaagde] voor 30 augustus 2006 opgave zal doen van de door haar voor te brengen getuigen, alsmede de verhinderdata van alle betrokken partijen en van de getuigen (oktober, november, december 2006, januari en februari 2007), waarna een datum voor enquête zal worden vastgesteld.

4. Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wolthuis en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2006.?