Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2006:AY1787

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
07-07-2006
Datum publicatie
07-07-2006
Zaaknummer
57029 / KG ZA 06-104
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De door [gedaagde2] dan wel [gedaagde3] aan het door hen gehuurde pand aangebrachte installaties maken inbreuk op het eigendomsrecht van [eiseres] ter zake van de tussen haar woning en het door [gedaagde2] en [gedaagde3] gehuurde pand gelegen steeg. [eiseres] ondervindt van die installaties zodanige hinder dat zij niet onredelijk handelt door te vorderen dat deze installaties worden verwijderd. Naast [gedaagde2] en [gedaagde3] als huurders, wordt ook [gedaagde1], als eigenaar van het pand, veroordeeld tot verwijdering van die installaties.

De door [gedaagde2] en [gedaagde3] naar buitendraaiend gemaakte deur behoeft niet te worden verwijderd, nu [eiseres] ermee heeft ingestemd dat deze als nooduitgang wordt benut. Het gebruik van de steeg wordt toegestaan voor zover nodig ten behoeve van die nooduitgang. Voor het overige wordt aan [gedaagde2] en [gedaagde3] geweigerd deze steeg te gebruiken ten behoeve van die deur als dienstingang en voor het stallen van vuilcontainers en kratten, nu deze steeg aan [eiseres] toebehoort en zij, gezien de met dit gebruik gepaard gaande overlast, niet onredelijk handelt door dit gebruik aan [gedaagde2] en [gedaagde3] te ontzeggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 57029 / KG ZA 06-104

Vonnis in kort geding van 7 juli 2006

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats eiseres],

eiseres,

procureur mr. A. Grollé,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde1],

gevestigd te [gemeente],

procureur mr. J.S. van Burg,

advocaat mr. J.A. Spigt te Arnhem.

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde2],

gevestigd te [gemeente],

3. [gedaagde3],

wonende te [woonplaats gedaagde3],

procureur mr. P.J.G.G. Sluyter,

gedaagden,

Eiseres zal hierna [eiseres] genoemd worden.

Gedaagde sub 1 zal hierna worden aangeduid als [gedaagde1], gedaagde sub 2 als [gedaagde2] en gedaagde sub 3 als [gedaagde3].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 23 mei 2006;

- de mondelinge behandeling op 1 juni 2006;

- de pleitnota van [eiseres];

- de pleitnota van [gedaagde2] en [gedaagde3];

- de brief van mr. A. Grollé van 14 juni 2006, met als bijlagen een faxbericht van mr. P.J.G.G. Sluyter van 13 juni 2006 en een telefaxbericht van de Dienst voor het Kadaster en de openbare registers te Assen van 13 juni 2006;

- de brief van mr. P.J.G.G. Sluyter van 16 juni 2006;

- de vooraf en ter zitting overgelegde producties van de zijde van [eiseres] en van de zijde van [gedaagde2] en [gedaagde3].

1.1. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] is sinds 1990 eigenaar van de bedrijfsruimte met bovenwoning, staande en gelegen [adres bedrijfsruimte te [gemeente] [gegevens kadaster]. [eiseres] woont in de bovenwoning. In het bedrijfsgedeelte op de begane grond is een kapsalon gevestigd.

2.2. [gedaagde1] is eigenaar van het bedrijfspand, staande en gelegen aan de [adres bedrijfsruimte1] te [gemeente], kadastraal bekend gemeente [gemeente] [gegevens kadaster].

2.3. [gedaagde1] heeft het pand aan de [adres bedrijfsruimte1] verhuurd aan [gedaagde3] en [huurder], handelend zowel in privé als namens de op te richten besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid in oprichting [gedaagde2] B.V. i.o..

2.4. [gedaagde3] is, tezamen met [directeur], directeur van de inmiddels opgerichte vennootschap [gedaagde2].

2.5. Het pand aan de [adres bedrijfsruimte1] staat op de Rijksmonumentenlijst.

2.6. [gedaagde2] exploiteert sinds oktober 2005 een horecagelegenheid in het pand aan de [adres bedrijfsruimte1] onder de naam “ ’t Olde Schippershuus”.

2.7. Voordien is het pand aan de [adres bedrijfsruimte1] vanaf 1991 achtereenvolgens in gebruik geweest als cadeauwinkel en als servieswinkel. De servieswinkel is per 1 januari 2004 uitgeschreven uit het Handelsregister.

2.8. Voor 1991 was het pand aan de [adres bedrijfsruimte1] gedurende ongeveer een eeuw in gebruik als horecapand.

2.9. Tussen de woning aan de [adres bedrijfsruimte] en het pand aan de [adres bedrijfsruimte1] bevindt zich een steeg, die circa een meter breed is.

2.10. Nadat [gedaagde2] in eerste instantie een interne verbouwing van het pand aan de [adres bedrijfsruimte1] was begonnen, zonder de daarvoor vereiste vergunningen, heeft de gemeente [gemeente] de verbouwing stilgelegd. Augustus 2005 mocht [gedaagde2] de verbouwing hervatten, waarna de horecagelegenheid in oktober 2005 is geopend.

2.11. [gedaagde2] heeft een drietal installaties laten plaatsen aan de westgevel van de [adres bedrijfsruimte1], zijnde aan de kant van de steeg, te weten een airconditioninginstallatie, een afzuiginstallatie voor de keuken en een koelinstallatie. De afzuiginstallatie hangt voor het keuken-/eetkamerraam van de woning van [eiseres]. De koelinstallatie hangt voor het slaapkamerraam van [eiseres]. De airconditioninginstallatie is bevestigd tegenover het badkamerraam van [eiseres] en hangt dichtbij het raam van haar slaapkamer.

De airconditioning- en de afzuiginstallatie zijn alleen tijdens de openingsuren in werking. De koelinstallatie werkt dag en nacht.

2.12. De horecagelegenheid van [gedaagde2] is geopend vanaf 10.00 uur tot 18.00 uur op dinsdag tot en met donderdag, van 10.00 uur tot 23.00 uur op vrijdag en van 13.00 uur tot 18.00 uur op zondag.

2.13. [eiseres] slaapt in elk geval sinds de verbouwing niet meer in haar eigen woning, maar in de woning van haar moeder.

2.14. [eiseres] heeft [gedaagde1] als eigenaar van het pand aan de [adres bedrijfsruimte1] middels brief van 14 oktober 2005 verzocht de aangebrachte installaties te (laten) verwijderen.

2.15. [gedaagde1] heeft bij brief van 18 oktober 2005 het volgende aan [eiseres] geantwoord:

“Wij hebben deze zaak ter beoordeling voorgelegd aan onze adviseurs. Zodra mogelijk komen wij op deze aangelegenheid terug.”

2.16. Bij brief van 20 oktober 2005 heeft [eiseres] vervolgens aan [gedaagde1] bericht:

“Hierbij deel ik u mede, kennis te hebben genomen van uw brief van 18 oktober 2005 waarin u meldt dat de kwestie aan uw juridische adviseurs zal worden voorgelegd.

Ten overvloede meld ik u dat dit had moeten gebeuren voordat er zonder overleg over mijn grond werd beschikt. Derhalve blijft het door mij gestelde in mijn schrijven van 14 oktober 2005 onverlet van kracht en verwacht ik dat de zaken welke boven mijn grond hangen uiterlijk vrijdag 28 oktober 2005 en zaken die op mijn grond staan per direct zullen worden verwijderd. Zo niet, dan zal ik deze zaken laten verwijderen, waarbij de kosten voor rekening van uw relatie zullen komen.

2.17. [eiseres] heeft nadien niets meer van [gedaagde1] vernomen.

2.18. Op 26 oktober 2005 heeft [eiseres] [gedaagde3] in een gesprek meegedeeld dat hij onrechtmatig gebruik maakt van de in eigendom aan haar toebehorende steeg.

2.19. Per brief van 28 oktober 2005 heeft [eiseres] [gedaagde3] bericht dat hij ongeoorloofd gebruik maakte van haar grond:

” Dit strekt zich tot het plaatsen van 4 containers, 2 gemeentelijke “kliko’s” en 2 grote rolcontainers, en diverse losse zaken als kratten. Vervolgens heeft u een drietal apparaten aan de zijgevel van het door u gehuurde geplaatst welke nu boven mijn grond hangen. Waarbij het apparaat voor de koeling, welke dag en nacht draait, nota bene ook nog eens tegenover mijn slaapkamerraam is gehangen! Dan wordt mijn grond door u en uw personeel maar ook door alle leveranciers intensief gebruikt als toegang. Mag ik u er even op wijzen dat de deur, waar overigens in het verleden geen rechtmatige toestemming voor is afgegeven, slechts als nooduitgang mag dienen en dus niet als een achterdeur waar iedereen maar in en uit kan wandelen. Er is geen recht van overpad!”

2.20. [eiseres] heeft bij brief van 11 november 2005 zich tot het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente [gemeente], hierna te noemen: het College van B & W, gewend met het verzoek handhavend op te treden.

2.21. Bij brief van 15 november 2005 heeft de monumentencommissie het College van B & W negatief geadviseerd over de door [gedaagde2] aangevraagde legalisatie van twee extern geplaatste afzuigingen aan het rijksmonument ’t Olde Schippershuus en geconcludeerd dat een inpandige oplossing de voorkeur heeft waarbij de hoofdvorm van het monument en de beleving van de steeg niet wordt aangetast.

2.22. Het College van B & W heeft bij aangetekende brief van 4 mei 2006 in navolging van het advies van de monumentencommissie het volgende besluit aan [gedaagde2] meegedeeld:

“Wij nemen dit advies over. Dit betekent voor u als huurder van het pand dat u de betreffende airco’s en afzuigingen dient te verwijderen van het pand ’t Olde Schippershuus. Bouwkundige wijzigingen aan een beschermd monument zijn niet zondermeer toegestaan, dat had u zich moeten realiseren.

U dient uiterlijk op 1 november 2006 de airco’s, afzuigingen en bijbehorende constructies te hebben verwijderd en verwijderd te houden van het pand ’t Olde Schippershuus, [adres bedrijfsruimte1].

Wanneer wij constateren dat u hieraan niet voldaan heeft besluiten wij op basis van artikel 125 Gemeentewet en met toepassing van artikel 5.32 van de Algemene wet bestuursrecht dat u na deze termijn aan de gemeente [gemeente] een dwangsom verbeurt van € 500,-- per week met een maximum van € 10.000,-- over een periode van een half jaar. De hoogte van deze bedragen zijn gerelateerd aan de aard en de ernst van de overtreding. “

2.23. In het telefaxbericht van 13 juni 2006 van de Dienst voor het Kadaster en de openbare registers te Assen, hierna te noemen: het erfdienstbaarhedenonderzoek, is het volgende vermeld:

“ Resultaat van onderzoek naar erfdienstbaarheden

De bewaarder van het kadaster en de openbare registers te Assen verklaart dat op uw verzoek onderzoek in de openbare registers is gedaan naar inschrijvingen die mogelijk erfdienstbaarheden bevatten ten laste van het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente], [gegevens kadaster] en ten behoeve van het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie O, nummer 291, inzake de periode van 24 mei 2006 tot 19 april 1853 (onderzoeksperiode door aanvrager bepaald).

(...)

II Gebleken is dat in genoemde inschrijvingen de gevraagde erfdienstbaarheden niet zijn aangetroffen

III Er zijn geen voorlopige aantekeningen”

3. De vordering

3.1. [eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding – uitvoerbaar bij voorraad -:

1.a. dat [gedaagde1], [gedaagde2] en [gedaagde3] worden veroordeeld, hoofdelijk des dat de een presteert de ander zal zijn bevrijd - om binnen 48 uren na de betekening van dit vonnis - alle airconditioning- en afzuiginstallaties en alle daarbij behorende constructies zich bevindende aan of op de westgevel van het pand [adres bedrijfsruimte1] te [gemeente] en die zich boven het perceel van [eiseres] bevinden te verwijderen en verwijderd te houden en deze niet wederom te herplaatsen, zulks op straffe van verbeurte van een dadelijke en ineens opeisbare dwangsom van € 5.000,00 per dag, een gedeelte van een dag gerekend voor een hele, dat gedaagden in gebreke blijven met de verwijdering van deze airconditioning- en afzuiginstallaties en alle daarbij behorende constructies, tot een maximum van € 150.000,00, althans een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;

b. [eiseres] zal machtigen om, indien [gedaagde1], [gedaagde2] en [gedaagde3] weigerachtig blijven in de nakoming van deze veroordeling na verbeurte van de voormelde maximale dwangsommen, op kosten van [gedaagde1], [gedaagde2] en [gedaagde3] alle airconditioning- en afzuiginstallaties en alle daarbij behorende constructies zich bevindende aan of op de westgevel van het pand [adres bedrijfsruimte1] te [gemeente] en die zich boven het perceel van [eiseres] bevinden te (doen) verwijderen en verwijderd te houden, zonodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

2.a. dat [gedaagde1], [gedaagde2] en [gedaagde3] worden veroordeeld, hoofdelijk des dat de een presteert de ander zal zijn bevrijd - om binnen 48 uren na de betekening van dit vonnis – de naar buitendraaiende deur in de westgevel van de [adres bedrijfsruimte1] te verwijderen en verwijderd te houden en deze niet wederom te naar buiten toe te openen of geopend te houden, zulks op straffe van verbeurte van een dadelijke en ineens opeisbare dwangsom van € 5.000,00 per dag, een gedeelte van een dag gerekend voor een hele, dat [gedaagde1], [gedaagde2] en [gedaagde3] in gebreke blijven met de verwijdering van deze naar buitendraaiende deur, tot een maximum van € 150.000,00, althans een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;

b [eiseres] zal machtigen om, indien [gedaagde1], [gedaagde2] en [gedaagde3] weigerachtig blijven in de nakoming van deze veroordeling na verbeurte van de voormelde maximale dwangsommen, op kosten van [gedaagde1], [gedaagde2] en [gedaagde3] de naar buitendraaiende deur in de westgevel van het pand [adres bedrijfsruimte1] te [gemeente] te (doen) verwijderen en verwijderd te houden, zonodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

3.a. dat [gedaagde2] en [gedaagde3] worden veroordeeld, hoofdelijk des dat de een presteert de ander zal zijn bevrijd - om binnen 48 uren na de betekening van dit vonnis – alle zaken van [gedaagde2] en [gedaagde3] of de zaken die bij [gedaagde2] en [gedaagde3] in gebruik zijn en die zich bevinden op het perceel van [eiseres], zoals onder andere 4 containers (2 gemeentelijke vuilcontainers (kliko’s) , 2 grote rolcontainers) en de diverse losse zaken zoals kratten, van het perceel van [eiseres] te verwijderen en verwijderd te houden en deze niet wederom te plaatsen, zulks op straffe van verbeurte van een dadelijke en ineens opeisbare dwangsom van € 5.000,00 per dag, een gedeelte van een dag gerekend voor een hele, dat gedaagden in gebreke blijven met de verwijdering van deze zaken, tot een maximum van € 150.000,00, althans een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;

b [eiseres] zal machtigen om, indien [gedaagde2] en [gedaagde3] weigerachtig blijven in de nakoming van deze veroordeling na verbeurte van de voormelde maximale dwangsommen, op kosten gedaagden deze zaken te verwijderen en verwijderd te houden, zonodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

4. dat [gedaagde2] en [gedaagde3] worden veroordeeld, hoofdelijk des dat de een presteert de ander zal zijn bevrijd, om binnen 48 uren na de betekening van dit vonnis, wordt verboden om zichzelf en derden, zoals onder andere personeel en leveranciers ten behoeve van het pand [adres bedrijfsruimte1] te [gemeente], in- en uitgang te bieden c.q. te verschaffen via de deur in de westgevel van het pand [adres bedrijfsruimte1] te [gemeente] en deze deur te openen en/of geopend houden en/of gebruiken, en het perceel van [eiseres] niet langer voor zichzelf en/of door derden te (laten) betreden om te gaan naar en te komen van de deur in de westgevel van het pand [adres bedrijfsruimte1] te [gemeente] om dit pand te betreden of te verlaten c.q. om deze deur te openen en geopend te laten, zulks op straffe van verbeurte van een dadelijke en ineens opeisbare dwangsom van € 5.000,00 per dag tot een maximum van € 150.000,00, althans een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;

5. althans zodanige beslissingen te nemen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;

6. [gedaagde1], [gedaagde2] en [gedaagde3] zal veroordelen in de kosten van het geding.

4. Het verweer

4.1. Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

De vorderingen van [eiseres]

5.1. [eiseres] vordert - kort samengevat - dat [gedaagde1], [gedaagde2] en [gedaagde3] de aan de westgevel van het pand aan de [adres bedrijfsruimte1] aangebrachte installaties en de naar buitendraaiende deur zullen verwijderen en verwijderd zullen houden. [eiseres] verwijt daarbij [gedaagde1] dat zij als eigenaar van de [adres bedrijfsruimte1] aan [gedaagde2] en [gedaagde3] toestaat dat zij grensoverschrijdend bouwen.

5.2. Ten aanzien van [gedaagde2] en [gedaagde3] afzonderlijk vordert [eiseres] dat zij de vuilcontainers en andere losse zaken zullen verwijderen uit de steeg en verwijderd zullen houden, alsmede dat aan hen zal worden verboden van de steeg gebruik te (laten) maken als doorgang naar de voornoemde naar buitendraaiende deur.

Het verweer van gedaagden

5.3. [gedaagde2] en [gedaagde3] hebben verweer gevoerd tegen de vorderingen van [eiseres]. Op dit verweer zal, voor zover van belang, in het onderstaande worden ingegaan.

5.4. [gedaagde1] heeft zich aangesloten bij het verweer van [gedaagde2] en [gedaagde3]. Voor het overige heeft [gedaagde1] zich aldus verweerd dat zij als verhuurder niet hoeft in te staan voor hetgeen de huurder doet, alsmede dat niet voldoende is gesteld of gebleken op grond waarvan een hoofdelijke veroordeling zou dienen te volgen.

Het spoedeisend belang

5.5. Het spoedeisend belang van [eiseres] bij haar vorderingen is door gedaagden betwist, maar staat voldoende vast, nu [eiseres] stelt dat zij bij haar moeder dient te slapen in verband met de door haar ondervonden overlast van met name de aan de westgevel van het pand aan de [adres bedrijfsruimte1] aangebrachte installaties en [gedaagde2] op grond van de beschikking van het College van B & W de installaties eerst per 1 november 2006 dient te hebben verwijderd. Voor zover de vorderingen van [eiseres] betrekking hebben op de naar buiten draaiende deur en het gebruik van de steeg als doorgang en als opslagruimte is het spoedeisend belang van [eiseres] eveneens voldoende gegeven.

Bezwaar tegen het besluit van het College van B& W

5.6. [gedaagde1], [gedaagde2] en [gedaagde3] stellen dat [gedaagde2] bezwaar heeft aangetekend tegen het besluit van het College van B & W de legalisatie van twee van de drie installaties af te wijzen. Ook in het geval dat dit bezwaar gegrond wordt verklaard betekent dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat daarmee ook vast staat dat die installaties geen onrechtmatige hinder toebrengen aan [eiseres], aangezien dat niet ter beoordeling is van het College van B & W.

5.7. Verder heeft het door [gedaagde2] ingediende bezwaarschrift alleen betrekking op de aangebrachte installaties en niet ook op de aanwezigheid van de naar buitendraaiende deur, alsmede op het gebruik van de steeg als doorgang naar die deur en als opslagruimte voor vuilcontainers en overige zaken, zodat ook wat dat betreft, anders dan door [gedaagde1], [gedaagde2] en [gedaagde3] is gesteld, de uitkomst van de bezwaarschriftprocedure niet behoeft te worden afgewacht.

De eigendom van de steeg

5.8. Aan de hand van de ter zitting door [eiseres] overgelegde kadastrale kaarten is voldoende door [eiseres] aannemelijk gemaakt dat de gehele steeg in eigendom aan haar toebehoort, aangezien op die kaarten de bebouwing aan de [adres bedrijfsruimte] en aan de [adres bedrijfsruimte1] samenvalt met de kadastrale grenzen. [gedaagde1], [gedaagde3] en [gedaagde2] voeren, hoewel zij in de gelegenheid zijn gesteld na de zitting op deze kadastrale kaarten te reageren, ook niet meer nadrukkelijk het verweer dat de steeg niet geheel aan [eiseres] zou toebehoren. In dit geding zal er dan ook van worden uitgegaan dat de gehele steeg aan [eiseres] in eigendom toebehoort.

Erfdienstbaarheden

5.9. Uit het erfdienstbaarhedenonderzoek volgt dat er geen erfdienstbaarheden zijn ingeschreven in de openbare registers.

5.10. Voor zover gedaagden stellen dat sprake is van erfdienstbaarheden, ontstaan door verjaring, hebben zij, gezien het onderstaande, het bestaan daarvan in dit geding onvoldoende aannemelijk gemaakt.

5.11. De installaties zijn door [gedaagde2] danwel [gedaagde3] zelf aangebracht. Niet gesteld of gebleken is dat voordien ook dergelijke installaties aan de westgevel van het pand aan de [adres bedrijfsruimte1] aanwezig waren. Met betrekking tot de installaties kan derhalve om die reden van verjaring geen sprake zijn,

5.12. Voor wat betreft de vuilcontainers is door [eiseres] voldoende aannemelijk gemaakt dat de vuilcontainers die zich, naast die van [gedaagde2] dan wel [gedaagde3], in de steeg bevinden, op grond staan die aan de eigenaar van die vuilcontainers toebehoort, zodat deze niet staan op grond van [eiseres]. Voor het overige is voldoende gemotiveerd door [eiseres] betwist dat de vorige gebruiker van het pand aan de [adres bedrijfsruimte1] gebruik maakte van de steeg voor het stallen van vuilcontainers. Zij heeft immers gesteld dat de vuilcontainers pas in 1997 zijn ingevoerd, waarna de gebruiker van pand aan de [adres bedrijfsruimte1] alleen twee [eiseres]e papiercontainers stalde in de steeg, alsmede dat de gebruiker van het pand aan de [adres bedrijfsruimte1] voordien zijn vuilniszakken niet in de steeg, maar in het pand zelf stalde. Ten aanzien van de periode voordien is door gedaagden in het geheel niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van feiten, die verjaring opleveren.

5.13. Ten aanzien van de naar buitendraaiende deur in de westgevel van het pand aan de [adres bedrijfsruimte1] is in dit geding voldoende komen vast te staan dat deze deur, voorafgaand aan de verbouwing door [gedaagde2] en [gedaagde3], naar binnendraaiend was en dat [gedaagde2] danwel [gedaagde3] deze deur bij de verbouwing naar buitendraaiend hebben gemaakt. Derhalve kan ook op het punt van het naar buitendraaien van deze deur geen sprake van verjaring zijn.

5.14. Voor zover [gedaagde2] en [gedaagde3] stellen dat sprake is van een recht van weg, ontstaan door verjaring, hebben zij dat in dit geding nog onvoldoende aannemelijk gemaakt. Van bevrijdende verjaring ingevolge artikel 3:306 BW kan voor 1 januari 2012 geen sprake zijn. Op grond van artikel 95 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek kan het bezit pas zijn verkregen per 1 januari 1992 - de datum van invoering van het Nieuw Burgerlijk Wetboek - en doet langdurig gebruik voordien niet ter zake. Het door [gedaagde2] en [gedaagde3] ingeroepen artikel 3:314 BW is hier niet van toepassing, aangezien geen sprake is van een continue inbreuk op het eigendomsrecht van [eiseres]. Verkrijgende verjaring is in dit geding evenmin voldoende aannemelijk gemaakt. Door [gedaagde2] en [gedaagde3] is weliswaar gesteld dat de in de vorige rechtsoverweging genoemde deur een dienstingang was, hetgeen door [eiseres] ter zitting is bevestigd. Echter niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat daarbij sprake is geweest van onafgebroken bezit te goeder trouw gedurende tien jaren, aangezien niet is gesteld of gebleken dat de bezitter mocht menen door vestiging rechthebbende te zijn geworden, zonder dat van die vestiging blijkt uit een in de registers ingeschreven akte, hetgeen voor bezit te goeder trouw vereist is

5.15. Evenmin is op enigerlei wijze aannemelijk gemaakt dat sprake is van een gebruiksovereenkomst, zoals door [gedaagde1] ter zitting nog als mogelijke grondslag voor het gebruik door [gedaagde2] en [gedaagde3] ter zitting is genoemd. In elk geval is niet gebleken dat een dergelijke overeenkomst tussen partijen is gesloten en evenmin zijn feiten gesteld of gebleken die zouden kunnen leiden tot een overgang van een dergelijk recht – zo een dergelijk recht met een rechtsvoorganger terzake van het pand aan de [adres bedrijfsruimte1] zou overeengekomen - op [gedaagde1], [gedaagde2] of [gedaagde3].

Inbreuk op eigendomsrecht van [eiseres]

5.16. Op grond van het vorenstaande is onvoldoende aannemelijk geworden dat het door [gedaagde2] en [gedaagde3] gebezigde gebruik van de steeg op grond van enige erfdienstbaarheid of gebruikovereenkomst is toegestaan, zodat zij inbreuk maken op het eigendomsrecht van [eiseres] en [eiseres] in beginsel gerechtigd is tegen die inbreuk op te treden. In het onderstaande zal worden nagegaan of [eiseres] ook in redelijkheid tot instelling van haar vorderingen had kunnen komen.

De aangebrachte installaties

5.17. Ter zitting is voldoende gebleken dat onder de in het gevorderde onder 1.a. genoemde airconditioning- en afzuiginstallaties en alle daarbij behorende constructies worden begrepen de op de westgevel van het pand aan de [adres bedrijfsruimte1] aangebrachte airconditioninginstallatie, afzuiginstallatie voor de keuken en koelinstallatie.

5.18. In dit geding is voldoende aannemelijk geworden dat [eiseres] aanzienlijke hinder ondervindt van de door [gedaagde2] dan wel [gedaagde3] aan het pand aan de [adres bedrijfsruimte1] aangebrachte installaties, welke zodanig is dat zij deze niet behoeft te dulden. Ten aanzien van de afzuiginstallatie is voldoende gebleken dat deze het uitzicht vanuit de keuken-/eetkamer van [eiseres] verstoort, alsmede dat deze installatie gedurende de openingstijden van de in de [adres bedrijfsruimte1] gevestigde horecagelegenheid overlast geeft door stank en lawaai.

Voldoende aannemelijk is dat [eiseres] van de koelinstallatie hinder ondervindt in die zin dat deze installatie, die voor haar slaapkamerraam is bevestigd, dag en nacht in werking is en daarbij een trilgeluid produceert, hetgeen haar nachtrust verstoort. De airconditioninginstallatie is bevestigd in de nabijheid van het raam van de slaapkamer van [eiseres] en aannemelijk is dat, indien deze installatie in werking is, deze eveneens geluid zal produceren en daarmee hinder zal geven voor [eiseres].

5.19. De monumentencommissie heeft in haar advies ook voorgesteld deze installaties inpandig aan te brengen. Door [gedaagde2] en [gedaagde3] is niet voldoende aannemelijk gemaakt dat een dergelijke inpandige oplossing niet mogelijk zou zijn. Wel hebben zij aangevoerd dat alternatieve voorzieningen een investering tussen € 30.000,00 en € 40.000,00 vergen, die zij op dit moment niet kunnen opbrengen, en een bedrijfssluiting van minimaal een week met zich mee zal brengen. Deze stellingen hebben zij echter onvoldoende met stukken of anderszins gestaafd. Overigens komen naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter deze kosten geheel voor risico van [gedaagde2] dan wel [gedaagde3], nu deze bij het aanbrengen van de betreffende voorzieningen niet te goeder trouw kunnen worden geacht als bedoeld in artikel 5:54 lid 3 BW, aangezien die voorzieningen door hen zonder vooroverleg met [eiseres], zonder onderzoek in de openbare registers en zonder de daarvoor vereiste vergunningen zijn aangebracht.

5.20. Afgezien daarvan hebben [gedaagde2] dan wel [gedaagde3] in dit geding niet voldoende gesteld dat zij daadwerkelijk bereid zouden zijn een schadeloosstelling als bedoeld in artikel 5:54 BW aan [eiseres] te betalen.

5.21. Het belang van [eiseres] bij verwijdering van die installaties wordt dan ook zodanig groot geacht dat zij niet onredelijk handelt door deze verwijdering ook te vorderen. De door deze installaties veroorzaakte hinder wordt gezien de aard, ernst aard, de ernst en de duur van die hinder in dit geval ook onrechtmatig geacht in de zin van artikel 5:37 BW.

5.22. De onder 1. gevorderde voorzieningen zullen dan ook worden toegewezen, waarbij zowel [gedaagde2] en [gedaagde3], in hun hoedanigheid van huurders van het pand aan de [adres bedrijfsruimte1] die de installaties hebben aangebracht, als [gedaagde1], in haar hoedanigheid van eigenaar van dit pand, van wie in dit geding voldoende is gebleken dat zij, hoewel zij daarop is aangesproken door [eiseres], niets tegen het aanbrengen aan haar pand van deze installaties heeft ondernomen, zullen worden veroordeeld. Nu de veroordeling betrekking heeft op een ondeelbare prestatie, namelijk de verwijdering van de installaties en het verwijderd houden daarvan, zal [gedaagde1] hoofdelijk daartoe worden veroordeeld.

5.23. De termijn waarbinnen de installaties verwijderd dienen te worden zal worden bepaald op twee weken na de datum van betekening van dit vonnis, nu dit als een redelijke termijn voorkomt voor het verwijderen van deze installaties en het aanbrengen van alternatieve voorzieningen. De dwangsom zal worden bepaald op het in het dictum genoemde bedrag en zal worden gemaximeerd als te bepalen in het dictum.

De naar buitendraaiende deur

5.24. Ten aanzien van de naar buitendraaiende deur voeren [gedaagde2] en [gedaagde3] aan dat de huidige brandweervoorschriften met zich meebrengen dat zij deze deur als nooduitgang dienen te handhaven, onder voorschrift dat deze naar buiten toe opent. Daarbij heeft [eiseres] naar hun oordeel geen enkel nadeel van het naar buiten toe opendraaien van de deur.

5.25. Uit de hiervoor in r.o. 2.19 weergegeven brief van [eiseres] aan [gedaagde3] blijkt dat [eiseres] heeft ingestemd met het gebruik van de naar buitendraaiende deur als nooduitgang. Gezien de gegeven toestemming van [eiseres] voor het gebruik van deze deur als nooduitgang zal haar vordering tot verwijdering van die deur worden afgewezen.

Het gaan van en naar de naar buitendraaiende deur

5.26. Door het gebruik door [gedaagde2], [gedaagde3] en haar personeel en leveranciers van de aan [eiseres] toebehorende steeg als doorgang naar de naar buiten draaiende deur, anders dan ten behoeve van het gebruik van die deur als nooduitgang, wordt inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [eiseres], waartegen [eiseres] in beginsel kan optreden.

5.27. Dit optreden wordt ook niet onredelijk geacht. [gedaagde2] en [gedaagde3] hebben hun belang bij het gebruik van die steeg niet anders hebben onderbouwd dan dat al sinds jaar en dag op die wijze van die steeg gebruik wordt gemaakt. Voldoende aannemelijk is daarentegen dat [eiseres] overlast ondervindt van het voornoemde gebruik van de steeg door [gedaagde2], [gedaagde3], hun personeel en de toeleveranciers. Dit terwijl zij het pand aan de [adres bedrijfsruimte1] ook via de toegang in de oostgevel kunnen betreden en bevoorraden. Het belang van [gedaagde2] en [gedaagde3] bij het gebruik van de steeg, anders dan voor het gebruik van de naar buitendraaiende deur als nooduitgang, is daarmee, anders dan het belang van [eiseres], onvoldoende gebleken.

5.28. Het door [eiseres] onder 4. gevorderde verbod zal dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat het gebruik van de steeg ten behoeve van het gebruik van de naar buitendraaiende deur als nooduitgang wel is toegestaan. De dwangsom zal worden bepaald op het in het dictum genoemde bedrag en zal worden gemaximeerd als te bepalen in het dictum.

De vuilcontainers en overige losse zaken in de steeg

5.29. Voldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde2] danwel [gedaagde3] zonder recht of titel vuilcontainers en overige zaken stallen in de steeg die in eigendom toebehoort aan [eiseres], zodat zij daarmee inbreuk maken op het eigendomsrecht van [eiseres].

5.30. [eiseres] heeft ook daadwerkelijk belang bij de verwijdering van deze zaken, omdat zij hinder, stank en overlast ondervindt van de vuilcontainers, waarin onder meer voedselresten belanden, en de vuilcontainers en kratten een aanzienlijke ruimte van haar grond in beslag nemen.

5.31. [gedaagde2] en [gedaagde3] stellen dat zij alleen de steeg hebben als mogelijkheid voor het stallen van vuilcontainers en (groente)kratten. [eiseres] voert aan dat [gedaagde2] danwel [gedaagde3] de oplossing voor haar afvalstroom inpandig dienen te vinden. [gedaagde2] en [gedaagde3] hebben daarop verklaard dat het inpandig opslaan van afval niet is toegestaan, hetgeen zij echter niet op enigerlei wijze hebben onderbouwd. Overigens blijft dit feit - indien de stellingen van [gedaagde2] en [gedaagde3] al juist zouden zijn - geheel voor hun rekening. De voorschriften van overheidswege geven hen geen recht om zonder toestemming van de rechthebbende diens grond te gebruiken.

5.32. Gezien het gerechtvaardigde belang van [eiseres] bij verwijdering van de genoemde zaken zal het onder 3.a. gevorderde dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat de dwangsom zal worden bepaald op het in het dictum genoemde bedrag en zal worden gemaximeerd als te bepalen in het dictum.

Proceskosten

5.33. Als de grotendeels in het ongelijk te stellen partijen zullen [gedaagde2], [gedaagde3] en [gedaagde1] worden veroordeeld in de kosten van dit geding aan de zijde van [eiseres].

BESLISSING

De voorzieningenrechter:

1. Veroordeelt [gedaagde1], [gedaagde2] en [gedaagde3], hoofdelijk des dat de een presteert de ander zal zijn bevrijd - om binnen twee weken na de betekening van dit vonnis - alle airconditioning- en afzuiginstallaties, waaronder in elk geval begrepen de thans aanwezige airconditioninginstallatie, de afzuiginstallatie van de keuken en de koelinstallatie, en alle daarbij behorende constructies zich bevindende aan of op de westgevel van het pand [adres bedrijfsruimte1] te [gemeente] en die zich boven het perceel van [eiseres] bevinden te verwijderen en verwijderd te houden en deze niet wederom te herplaatsen, zulks op straffe van verbeurte van een dadelijke en ineens opeisbare dwangsom van € 500,00 per dag, een gedeelte van een dag gerekend voor een hele, dat [gedaagde1], [gedaagde2] en [gedaagde3] in gebreke blijven met de verwijdering van deze installaties en alle daarbij behorende constructies, tot een maximum van € 10.000,00.

2. Machtigt [eiseres] om, indien [gedaagde1], [gedaagde2] en [gedaagde3] weigerachtig blijven in de nakoming van de onder 1. van het dictum vervatte veroordeling na verbeurte van de voormelde maximale dwangsommen, op kosten van [gedaagde1], [gedaagde2] en [gedaagde3] alle airconditioning- en afzuiginstallaties, waaronder in elk geval begrepen de thans aanwezige airconditioninginstallatie, de afzuiginstallatie van de keuken en de koelinstallatie, en alle daarbij behorende constructies zich bevindende aan of op de westgevel van het pand [adres bedrijfsruimte1] te [gemeente] en die zich boven het perceel van [eiseres] bevinden te (doen) verwijderen en verwijderd te houden, zonodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie.

3. Veroordeelt [gedaagde2] en [gedaagde3], hoofdelijk des dat de een presteert de ander zal zijn bevrijd - om binnen achtenveertig uren na de betekening van dit vonnis – alle zaken van [gedaagde2] en/of [gedaagde3] of de zaken die bij [gedaagde2] en/of [gedaagde3] in gebruik zijn en die zich bevinden op het perceel van [eiseres], zoals onder andere vier containers (twee gemeentelijke vuilcontainers (kliko’s) , twee grote rolcontainers) en de diverse losse zaken zoals kratten, van het perceel van [eiseres] te verwijderen en verwijderd te houden en deze niet wederom te plaatsen, zulks op straffe van verbeurte van een dadelijke en ineens opeisbare dwangsom van € 500,00 per dag, een gedeelte van een dag gerekend voor een hele, dat [gedaagde2] en [gedaagde3] in gebreke blijven met de verwijdering van deze zaken, tot een maximum van € 10.000,00.

4. Machtigt [eiseres] om, indien [gedaagde2] en [gedaagde3] weigerachtig blijven in de nakoming van deze veroordeling na verbeurte van de voormelde maximale dwangsommen, op kosten van [gedaagde2] en [gedaagde3] deze zaken te verwijderen en verwijderd te houden, zonodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie.

5. Verbiedt [gedaagde2] en [gedaagde3], hoofdelijk des dat de een presteert de ander zal zijn bevrijd - om binnen achtenveertig uren na de betekening van dit vonnis – zichzelf en derden, zoals onder andere personeel en leveranciers ten behoeve van het pand [adres bedrijfsruimte1] te [gemeente], in- en uitgang te bieden c.q. te verschaffen via de deur in de westgevel van het pand [adres bedrijfsruimte1] te [gemeente] en deze deur te openen en/of geopend houden en/of te gebruiken, anders dan nodig voor het gebruik van die deur als nooduitgang, en het perceel van [eiseres] voor zichzelf en/of door derden te (laten) betreden om te gaan naar en te komen van de deur in de westgevel van het pand [adres bedrijfsruimte1] te [gemeente] om dit pand te betreden of te verlaten c.q. om deze deur te openen en geopend te laten, anders dan nodig voor het gebruik van die deur als nooduitgang, zulks op straffe van verbeurte van een dadelijke en ineens opeisbare dwangsom van € 500,00 per dag tot een maximum van € 10.000,00.

6. Veroordeelt [gedaagde2], [gedaagde3] en [gedaagde1] in de kosten van het geding, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 816,00 voor salaris en € 337,41 voor verschotten.

7. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

8. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Rombouts-Nieuwstraten en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. F.W. Strijker op 7 juli 2006.?