Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2006:AX7320

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
06-06-2006
Datum publicatie
08-06-2006
Zaaknummer
19.830340-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In tegenstelling tot de officier van justitie acht de rechtbank de onder 1 tenlastegelegde poging tot moord niet bewezen. De rechtbank heeft met name niet de overtuiging, dat verdachte daadwerkelijk de schutter was. Het is mogelijk dat verdachte wel ter plaatse is geweest zonder dat hij de schutter was, gelet op het feit dat een getuige heeft verklaard een tweede man iets te hebben horen zeggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

STRAFVONNIS van de Meervoudige kamer in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 1969,

thans gedetineerd in [plaats van detentie verdachte].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 23 mei 2006.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.J. Pellinkhof, advocaat te Assen.

De officier van justitie Mr. H.H. Louwes acht hetgeen onder 1, 2, 3, 4 en 5 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

* t.a.v. de feiten 1, 2 en 3 een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren en TBS met dwangverpleging;

* t.a.v. de feiten 4 en 5 en de ad informandum gevoegde feiten ontslag van alle rechtsvervolging;

* toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voor het volledige bedrag van ? 135,-;

* onttrekking aan het verkeer van het beslagene.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ingevolge de ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

(parketnummer 19/830340-05)

hij op of omstreeks 5 november 2004 te Hoogeveen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

naar die [naam slachtoffer] is toegegaan en/of met een vuurwapen meermalen op die

[naam slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

2.

(parketnummer 19/810001-06)

hij op of omstreeks 16 juni 2005 te Groningen [naam slachtoffer] en of andere personen

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [naam slachtoffer] en/of

andere personen een pistool, althans een vuurwapen voorgehouden, althans

getoond en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd : "kom naar

beneden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

(parketnummer 19/810001-06)

hij op of omstreeks 16 juni 2005 te Groningen een of meer wapens van categorie

III, te weten een pistool van het merk HS, caliber 9 x 19 mm, en/of munitie

van categorie III en/of een stroomstootwapen van categorie II, voorhanden

heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

4.

(parketnummer 19/622003-05)

hij op of omstreeks 27 oktober 2005 te Roden, gemeente Noordenveld,

opzettelijk en wederrechtelijk (een ruitenwisser en/of motorkap van) een auto

(VW Transporter), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[naam benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

5.

(parketnummer 19/622003-05)

hij op of omstreeks 27 oktober 2005 te Roden, gemeente Noordenveld,

opzettelijk en wederrechtelijk een auto (Mercedes Vito), in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt.

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

VRIJSPRAAK

De verdachte dient van het onder 1 tenlastegelegde te worden vrijgesproken. Weliswaar kan het feit wettig bewezen worden, maar de rechtbank heeft uit het wettig bewijs niet de overtuiging gekregen dat het tenlastegelegde feit daadwerkelijk door verdachte is begaan.

De rechtbank heeft met name niet de overtuiging, dat verdachte daadwerkelijk de schutter was. Voor dit oordeel is met name redengevend, de verschillen in diverse details die verdachte heeft verteld en de feitelijke situatie, dan wel de verklaringen van anderen. Zo is er verschil in het tijdstip waarop melding werd gedaan van het incident en de verklaring van verdachte hieromtrent, het feit dat verdachte verklaart dat er een Mercedes voor de shop stond, terwijl dit een Volkswagen Golf was, de verklaring van de verdachte dat de getuige verstijfd op de bank bleef zitten, terwijl de getuige verklaart dat hij het berghok in is gevlucht, de verschillen in de verklaringen van de aangever en de getuige aangaande het signalement van de dader en het feit dat er geen wapen is gevonden op de plaats waar deze volgens verdachte aangetroffen zou moeten worden. Tevens ontbreekt enig ander technisch bewijs. Daarnaast is er geen overtuigend motief duidelijk geworden voor het plegen van dit feit, met name afgezet tegen het gegeven dat verdachte zich pas ongeveer een jaar later zelf bij de politie meldt. Op grond hiervan heeft de rechtbank niet de overtuiging dat het onder 1 tenlastegelegde door verdachte is begaan

BEWIJSMIDDELEN

Overeenkomstig de nader op te nemen bewijsconstructie.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij op 16 juni 2005 te Groningen [naam slachtoffer] en andere personen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [naam slachtoffer] en andere personen een pistool getoond en daarbij deze dreigend de woorden toegevoegd : "kom naar beneden";

3.

hij op 16 juni 2005 te Groningen een wapen van categorie III, te weten een pistool van het merk HS, caliber 9 x 19 mm, en munitie van categorie III, voorhanden heeft gehad;

4.

hij op 27 oktober 2005 te Roden, gemeente Noordenveld, opzettelijk en wederrechtelijk een ruitenwisser en motorkap van een auto (VW Transporter), toebehorende aan [naam benadeelde], heeft vernield en beschadigd;

5.

hij op 27 oktober 2005 te Roden, gemeente Noordenveld, opzettelijk en wederrechtelijk een auto (Mercedes Vito), toebehorende aan [naam benadeelde], heeft beschadigd.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 2, 3, 4 en 5 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

KWALIFICATIES

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op:

onder 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

strafbaar gesteld bij artikel 285 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een wapen van categorie III,

strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid van de Wet wapens en munitie;

onder 4: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen,

strafbaar gesteld bij artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 5: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen,

strafbaar gesteld bij artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht.

STRAFBAARHEID

De rechtbank heeft kennis genomen van een rapport d.d. 19 mei 2006, opgemaakt door A.G.S. de Ranitz, psychiater, en J.M. Oudejans, psycholoog.

Dit rapport houdt onder meer in als conclusie - zakelijk weergegeven -:

" Betrokkene is lijdende aan een chronische psychotische stoornis, waarschijnlijk een schizofrenie van het paranoïde type. Wij zijn van mening dat betrokkene ten tijde van de hem sub 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid - overeenkomstig een dergelijk besef - te bepalen. Wij concluderen dat betrokkene ten tijde van de hem ten laste gelegde feiten sub 1 tot en met 3 lijdende was aan een zodanige ziekelijke stoornis zijner geestvermogens, dat deze feiten - indien bewezen - hem in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend. Ten aanzien van de hem ten laste gelegde feiten sub 4 en 5 concluderen wij dat onderzochte ten tijde van het plegen van deze feiten lijdende was aan een zodanige ziekelijke stoornis zijner geestvermogens, dat deze feiten - indien bewezen - hem niet kunnen worden toegerekend."

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van de feiten en de persoon van de verdachte, met voormelde conclusie en maakt die tot de hare.

De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor onder 2 en 3 bewezen verklaarde aan de verdachte kan worden toegerekend, zij het in enigszins verminderde mate. Aangaande de onder 4 en 5 bewezen verklaarde feiten is de rechtbank van oordeel dat de verdachte hiervoor volledig ontoerekeningsvatbaar is.

STRAFMOTIVERING

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan;

- hetgeen de rechtbank is gebleken omtrent de persoon van de verdachte;

- het requisitoir van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman van verdachte;

- de oriëntatiepunten voor de straftoemeting;

- de ter zitting gedane erkenning door de verdachte dat hij zich aan de op de dagvaarding ad-informandum gevoegde feiten onder nummer 19.622003-05 heeft schuldig gemaakt, welke feiten hiermee zijn afgedaan, met dien verstande dat ten aanzien van een aantal van deze feiten de conclusie omtrent de toerekenbaarheid (zoals hierboven vermeld) van toepassing is.

In tegenstelling tot de officier van justitie acht de rechtbank de onder 1 tenlastegelegde poging tot moord niet bewezen. Dit leidt ertoe, dat de rechtbank een aanmerkelijk lagere gevangenisstraf oplegt dan is geëist door de officier van justitie.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden is.

MOTIVERING MAATREGEL VAN TERBESCHIKKINGSTELLING.

Door de gedragsdeskundigen, A.G.S. de Ranitz, psychiater en J.M. Oudejans, psycholoog, die de verdachte beiden hebben onderzocht, is gezamenlijk een met reden omkleed, gedagtekend en ondertekend advies uitgebracht.

Uit de hiervoor omschreven conclusie van deze gedragsdeskundigen blijkt, dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Het advies van het onderzoekend team is betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging van overheidswege op te leggen. De noodzaak hiertoe vloeit met name voort uit de reële kans op herhaling van (ernstige) geweldsdelicten. Daarbij komt dat de aard en ernst van zijn pathologie een langdurige behandeling in een klinische, sterk gestructureerde setting vereisen. Slechts in het juridische kader en de klinische situatie van een terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging van overheidswege zijn er voldoende mogelijkheden om betrokkene's stoornis adequaat te behandelen en de delictgevaarlijkheid te verminderen, en tevens voldoende waarborgen voor de maatschappelijke veiligheid."

De rechtbank verenigt zich met de bovenstaande conclusies en maakt die tot de hare.

Op grond van die conclusies en de adviezen en rapporten die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht, is de rechtbank van oordeel dat bij de verdachte tijdens het begaan van de bewezenverklaarde feiten een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens bestond.

De door de verdachte begane feiten zijn misdrijven die zijn genoemd in artikel 37a, lid 1 sub 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Op grond van het bovenstaande en mede gelet op de ernst van de begane feiten en de voorafgaande veroordeling wegens misdrijf, is de rechtbank van oordeel dat de algemene veiligheid voor personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling en de verpleging van overheidswege eist.

De rechtbank zal daarom gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en zal bevelen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

De rechtbank overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf (feit 2) dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

MOTIVERING VAN DE MAATREGEL ONTTREKKING AAN HET VERKEER

De rechtbank acht de hierna te vermelden in beslag genomen voorwerpen vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, aangezien met betrekking tot het vuurwapen en de munitie het bewezen verklaarde feit sub 3 is begaan en aangezien met behulp van het vuurwapen het bewezen verklaarde feit sub 2 is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. Tevens acht de rechtbank het busje pepperspray vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu het gaat om een de verdachte toebehorend voorwerp welke van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang en dit voorwerp kan dienen tot het begaan van een soortgelijk misdrijf als de bedreiging, terwijl deze is aangetroffen bij het onderzoek naar het door verdachte begaan feit.

BENADEELDE PARTIJ [naam benadeelde partij]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. Het gevorderde bedrag acht zij voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en voor toewijzing vatbaar.

SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Met betrekking tot het onder 4 bewezen verklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 24c, 27, 36b, 36c, 36d, 36f, 37a, 37b, 38e, 39, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING VAN DE RECHTBANK

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 2 en 3 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 4 en 5 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld, verklaart de verdachte deswege echter niet strafbaar en ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2, 3, 4 en 5 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte ten aanzien van de feiten 2 en 3 tot

gevangenisstraf voor de duur van 200 dagen.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank beveelt dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd.

De rechtbank stelt vast dat de totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling een periode van vier jaar te boven mag gaan.

De rechtbank gelast de teruggave aan verdachte van de navolgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

- 1 zwart/witte Nokia-telefoon.

- 1 zilverkleurige Motorola klaptelefoon.

De rechtbank verklaart onttrokken aan het verkeer het navolgende in beslag genomen voorwerp:

- 1 zwart vuurwapen 9 mm inclusief magazijn 15 patronen,

- 1 busje pepperspray selbstschutz,

- patronen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij] van de som van ? 135,- en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer], een bedrag van ? 135,- te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 2 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Fuhler, voorzitter en mr. J.S. van der Kolk en mr. H de Wit, rechters in tegenwoordigheid van mr. Y. Kikkert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 06 juni 2006, zijnde mr. Van der Kolk buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.