Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2006:AW5672

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
10-04-2006
Datum publicatie
28-04-2006
Zaaknummer
169360 - CV EXPL 05-3367
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen bevrijdende betaling mogelijk van de overeengekomen huurtermijnen na derdenbeslag onder de huurder voor schulden van de verhuurder aan die derde(n). Vordering tot nakoming van de huurschuld op die grond niet toewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector kanton

Locatie Assen

zaaknummer 169360 \ CV EXPL 05-3367

uitspraak van 10 april 2006

in de zaak van

[eiser]

wonende te [adres],

eisende partij

gemachtigde Derix & van Dalen advocaten

tegen

[gedaagde],

gevestigd te [adres],

gedaagde partij

gemachtigde mr. E. Heuzeveldt.

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 25 oktober 2005 met een productie

de conclusie van antwoord

de conclusie van repliek met producties

de conclusie van dupliek met een productie.

de akte uitlating productie.

De vaststaande feiten

1. De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist, dan wel blijken uit de onbetwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties.

Tussen partijen bestaat ingaande 1 januari 2004 een huurovereenkomst met betrekking tot het perceel [adres] met [eiser] als verhuurder en [gedaagde] als huurster tegen een overeengekomen huurprijs van € 8.750,00 per maand. In het gehuurde wordt door [gedaagde] een congrescentrum geëxploiteerd.

De Belastingdienst Ondernemingen heeft eind mei 2005 ten laste van [eiser] (executoriaal) derdenbeslag gelegd onder [gedaagde]. Door de Rabobank is begin juni 2005 ten laste van [eiser] onder [gedaagde] conservatoir derdenbeslag gelegd op de huurpenningen.

De vordering en het verweer

2. [eiser] vordert de ontbinding van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het perceel [adres] met daarbij de ontruiming van dat perceel door [gedaagde] binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis cum annexis alsmede veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 35.000,00 met rente. Voorts vordert hij een bedrag van € 8.750,00 voor elke maand of gedeelte daarvan, waarop [gedaagde] genoemd perceel na 1 november 2005 nog in gebruik mocht hebben.

Hij baseert zijn vordering op voormelde vaststaande feiten, alsmede op zijn stelling dat [gedaagde] over de periode tot en met oktober 2005 een huurachterstand heeft van € 35.000,00. Volgens [eiser] ontslaat het gelegde derdenbeslag [gedaagde] niet van haar verplichting de overeengekomen huurpenningen tijdig aan hem te betalen. Hij wijst er daarbij op dat in de buitengerechtelijke fase is aangegeven dat [gedaagde] de huurpenningen hetzij op de derdenrekening van de raadsman van [eiser], hetzij op de derdenrekening van de raadsman van de beslaglegger dient te storten. Nu [gedaagde] daaraan – ondanks sommatie- niet heeft voldaan is zij jegens hem in verzuim, hetgeen volgens [eiser] de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.

Verder stelt [eiser] dat hij als gevolg van het tekortschieten van [gedaagde] een incassobureau in de arm heeft moeten nemen, die heeft geprobeerd buiten rechte de kwestie met [gedaagde] in der minne op te lossen. De daaraan verbonden kosten ad € 1.000,00 worden eveneens van [gedaagde] gevorderd.

3. [gedaagde] heeft de vordering betwist. Ook zij beroept zich op voormelde feiten en voert daarbij verder aan dat er naast de formele reden dat zij in verband met de beslaglegging niet kan betalen ook nog een materiële reden is voor het niet betalen van de huurachterstand. Die is gelegen in haar beroep op de aanwezigheid van een opschortingsrecht, aangezien [eiser] volgens [gedaagde] zijn contractuele verplichtingen niet nakomt, bestaande uit het uitvoeren van achterstallig onderhoud. Ook is [eiser] zijn (mondelinge) toezeggingen om in het gehuurde pand te zullen investeren om een goede exploitatie mogelijk te maken niet nagekomen, terwijl [gedaagde] zelf nota bene voor circa € 250.000,00 aan noodzakelijke investeringen in het pand heeft gedaan, die feitelijk aan [eiser] ten goede komen. Ten slotte wijst [gedaagde] er op dat [eiser] het gehuurde aan haar heeft verhuurd zonder de noodzakelijke toestemming van de hypotheekhouder, de Rabobank, die inmiddels wegens het niet voldoen door [eiser] aan zijn financiële verplichtingen de executie van het pand in gang heeft gezet. Als gevolg daarvan dient [gedaagde] het huurpand binnen enkele maanden te verlaten. Nu door een en ander vast staat dat [eiser] niet in staat is om het ongestoorde huurgenot aan [gedaagde] te garanderen tot en met 31 december 2008, beroept [gedaagde] zich nadrukkelijk op haar opschortingsrechten.

De beoordeling

4.1. De kantonrechter beoordeelt de vordering van [eiser] als volgt. Nu er door derden – zijnde de Belastingdienst en de Rabobank – onder [gedaagde] beslag is gelegd op de huurpenningen ter zake van schulden van [eiser] aan genoemde beslagleggers, kan [gedaagde] de door haar uit hoofde van de huurovereenkomst aan [eiser] verschuldigde huurpenningen niet meer bevrijdend aan [eiser] betalen, terwijl zij uit hoofde van het gelegde beslag verplicht is de aan [eiser] verschuldigde huurpenningen onder zich te houden. De niet-betaling van deze huurpenningen kan daarom niet aan [gedaagde] worden toegerekend, maar ligt in de risicosfeer van [eiser] zelf. Hijzelf immers is degene die, door het voldoen van zijn schuld(en) aan beslagleggers, er voor zou kunnen zorgdragen dat de liggende beslagen worden opgeheven, waarna [gedaagde] de betaling van de (inmiddels achterstallige) huurtermijnen zou dienen te hervatten, afgezien van de vraag of [gedaagde] zich terecht op een opschortingsrecht beroept. Onder die omstandigheid is er derhalve geen sprake van debiteursverzuim van [gedaagde] jegens [eiser], zodat de gevorderde ontbinding en ontruiming, maar ook de gevorderde veroordeling tot betaling van de reeds verschenen en nog te verschijnen huurtermijnen ongegrond is.

4.2. Aan voornoemd oordeel doet niet af dat [gedaagde] – ondanks de geuite wens van [eiser] – voor [eiser] niet zichtbaar heeft gemaakt of heeft willen maken dat zij de verschuldigde huurpenningen uitdrukkelijk heeft gereserveerd voor onmiddellijke betaling aan [eiser] zodra de beslagen zouden zijn opgeheven. In dit verband wijst de kantonrechter er op dat [eiser] weliswaar onder verwijzing naar een brief van de raadsman van de beslagleggende Rabobank heeft aangevoerd dat [gedaagde] jegens hem bevrijdend had kunnen betalen aan de beslagleggende deurwaarder of op de derdenrekening van die raadsman, maar niet is gesteld of gebleken dat ook de andere beslagleggende partij, de Belastingdienst, heeft ingestemd met een deblokkering van de onder het beslag liggende gelden. In tegendeel, uit de door [gedaagde] overgelegde brief van de Belastingdienst blijkt dat deze zich op het standpunt stelt dat [gedaagde] uitsluitend aan de Belastingdienst dient te betalen.

4.3. De stelling van [eiser] dat [gedaagde] ondanks haar wettelijke verplichting heeft verzuimd om de verschuldigde huurtermijnen (zichtbaar) te reserveren, kan naar het oordeel van de kantonrechter evenmin leiden tot de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst van partijen cum annexis, nu niet is gesteld, noch voldoende gebleken dat [gedaagde] niet in staat zou zijn om de (nog immer oplopende) huurschuld aan [eiser] te voldoen, indien en zodra de gelegde beslagen zullen zijn opgeheven.

4.4. Nu de gelegde beslagen reeds een bevrijdende betaling door [gedaagde] van de door haar verschuldigde huurpenningen aan [eiser] in de weg staan, zal de kantonrechter de overige verweren van [gedaagde] onbesproken laten.

4.5. De vordering zal als onvoldoende gegrond worden afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 800,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. A. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2006.

typ/conc.162 / am

coll: