Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2006:AV8373

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
28-03-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
19.830132-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op de omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte de confrontatie met het slachtoffer niet heeft willen voorkomen of beeindigen. Verdachte had op het moment dat hij de autosleutels pakte en zijn broertje hulp was gaan halen, in zijn auto kunnen gaan zitten of de auto tussen hem en het slachtoffer kunnen houden. Door opnieuw naar de achterzijde van de auto te gaan is verdachte de confrontatie met het slachtoffer opnieuw aangegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

STRAFVONNIS van de Meervoudige kamer in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

wonende [adres verdachte].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 14 maart 2006.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J. Dekens, advocaat te Odoorn.

De officier van justitie mr. J. Hoekman acht hetgeen onder 1 primair en 2 subsidiair is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

* vrijspraak feit 2 primair;

* 240 uren werkstraf subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest;

* 6 maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk, proeftijd 2 jaren met bijzondere voorwaarde;

* beslissing ten aanzien van het beslag.

1. TENLASTELEGGING

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 12 april 2005 in de gemeente Emmen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven te beroven,

met dat opzet meermalen, althans eenmaal met een (uitbeen-)mes in de rug en/of in het lichaam heeft gestoken en/of een of meer stekende bewegingen gemaakt met voornoemd voorwerp, in de richting van het (boven-)lichaam van die [naam slachtoffer],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

terzake dat

hij op of omstreeks 12 april 2005 in de gemeente Emmen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal met een (uitbeen-)mes in de rug en/of in het lichaam heeft gestoken en/of een of meer stekende bewegingen gemaakt met voornoemd voorwerp, in de richting van het (boven-) lichaam van die [naam slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 12 april 2005 in de gemeente Emmen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven te beroven,

met dat opzet die [naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een (uitbeen-)mes, althans een dergelijk voorwerp, in de pols en/of in de arm heeft gestoken en/of met voornoemd voorwerp, een of meer stekende bewegingen gemaakt in de richting van (het lichaam van) die [naam slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

terzake dat

hij op of omstreeks 12 april 2005 in de gemeente Emmen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een (uitbeen-)mes, althans een dergelijk voorwerp, in de pols en/of in de arm heeft gestoken en/of een of meer stekende bewegingen gemaakt met voornoemd voorwerp in de richting van (het lichaam van) die [naam slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

2. VRIJSPRAAK

De verdachte dient van het onder 2 tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht met name niet bewezen, dat verdachte opzet had [naam slachtoffer] van het leven te beroven of hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Als [naam slachtoffer] op het tumult op de parkeerplaats afgaat en verdachte en [naam andere slachtoffer] uit elkaar wil halen wordt [naam slachtoffer] geraakt door het mes dat verdachte in zijn handen heeft. Verdachte maakte op dat moment zwaaiende bewegingen met het mes.

[Naam slachtoffer] verklaart dat hij tegen verdachte woorden heeft geroepen maar dat hij de indruk had niet tot verdachte door te dringen. Verdachte heeft zowel bij de politie als op de terechtzitting verklaard dat hij [naam slachtoffer] niet heeft gezien dan wel niet bewust heeft waargenomen.

Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte opzet had [naam slachtoffer] op welke wijze dan ook iets aan te doen.

3. BEWIJSMIDDELEN

Overeenkomstig de nader op te nemen bewijsconstructie.

4. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 12 april 2005 in de gemeente Emmen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een uitbeenmes in de rug heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring.

De verdachte zal van het onder 1 primair meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

5. KWALIFICATIE

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag,

strafbaar gesteld bij artikel 287 in verbinding met artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

6. VERWEREN MET BETREKKING TOT STRAFUITSLUITINGSGRONDEN

De raadsman van verdachte heeft met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde bepleit dat verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweer-exces toekomt.

De rechtbank overweegt het volgende.

Verdachte staat bij zijn auto die hij op een parkeerplaats heeft geparkeerd. Het broertje van verdachte zit in die auto. Verdachte hoort tumult op straat en er komt een viertal personen in zijn richting. Een van die personen maakt een opmerking richting verdachte en er ontstaat een woordenwisseling tussen verdachte en die groep. De man met het kale hoofd (slachtoffer [naam slachtoffer]) loopt op een gegeven moment naar de auto van verdachte. Verdachte is ondertussen naar de achterzijde van zijn auto gelopen. Verdachte verklaart dat hij bang was en wilde in feite weggaan maar blijft omwille van zijn broertje. Op een gegeven moment zegt verdachte tegen zijn broertje dat hij zijn vader moet bellen. Verdachte ziet dan dat [naam slachtoffer] een multitool in zijn handen heeft. Het broertje rent weg en verdachte haalt op dat moment de autosleutels uit het contact en loopt dan weer naar de achterzijde van de auto waar [naam slachtoffer] nog steeds staat. Als [naam slachtoffer] dan met zijn multitool zwaaiende bewegingen maakt opent verdachte de kofferbak van zijn auto en pakt verdachte het mes dat hij in de kofferbak aantreft om zich tegen [naam slachtoffer] te weren. [Naam slachtoffer] wordt daarna door verdachte in het schouderblad gestoken.

Gelet op deze omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte de confrontatie met [naam slachtoffer] niet heeft willen voorkomen of beëindigen. Verdachte had op het moment dat hij de autosleutels pakte en zijn broertje hulp was gaan halen, in zijn auto kunnen gaan zitten of de auto tussen hem en [naam slachtoffer] kunnen houden.

Door opnieuw naar de achterzijde van de auto te gaan is verdachte de confrontatie met [naam slachtoffer] opnieuw aangegaan.

De rechtbank acht dan ook geen sprake van een noodweersituatie zodat verdachte geen beroep op noodweer dan wel noodweer-exces toekomt.

De rechtbank acht de verdachte dan ook strafbaar.

7. STRAFBAARHEID

De rechtbank heeft kennis genomen van een psychiatrisch rapport d.d. 02 september 2005, opgemaakt door R. Vriesema, psychiater.

Dit rapport houdt onder meer in als conclusie - zakelijk weergegeven -:

" bij betrokkene is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens in de zin van een niet optimale socialisering, terwijl hij verder een neiging vertoont tot opkroppen van gevoelens en moeizaam verbaliseert. Hiervan was ook sprake ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde. Betrokkene is licht verminderd toerekeningsvat-baar te achten. ".

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van de feiten en de persoon van de verdachte, met voormelde conclusie en maakt die tot de hare.

De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde aan de verdachte kan worden toegerekend, zij het in licht verminderde mate.

8. STRAFMOTIVERING

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straffen in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit;

- de omstandigheden waaronder dit feit is begaan;

- hetgeen de rechtbank is gebleken omtrent de persoon van de verdachte;

- het requisitoir van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman van verdachte;

- de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 14 april 2005, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van een misdrijf is veroordeeld;

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een voorwaardelijke gevangenisstraf geboden is met daaraan gekoppeld na te noemen bijzondere voorwaarde. Voorts acht de rechtbank een werkstraf op zijn plaats.

Bij de bepaling van de op te leggen straffen heeft de rechtbank mee laten wegen dat de groep van het slachtoffer [naam slachtoffer] geen maatregelen heeft genomen om de confrontatie met de verdachte te mijden dan wel te beëindigen.

De rechtbank hecht er belang aan dat verdachte de gestarte behandeling bij de AFPN afmaakt en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dat doorkruisen.

9. MOTIVERING VAN DE MAATREGEL ONTTREKKING AAN HET VERKEER

De rechtbank acht het hierna te vermelden in beslag genomen voorwerp vatbaar voor onttrekking aan het verkeer aangezien met betrekking tot dit voorwerp het bewezen verklaarde feit sub 1 is begaan en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet.

10. TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht.

11. BESLISSING VAN DE RECHTBANK

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 2 is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1 primair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot:

- gevangenisstraf voor de duur van ZES MAANDEN geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Assen, zolang deze instelling zulks nodig oordeelt, hetgeen mede inhoudt dat veroordeelde de behandeling bij de AFPN dient af te maken, met opdracht aan de reclasseringsinstelling ingevolge art. 14d van het Wetboek van Strafrecht.

- een taakstraf bestaande uit 180 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast;

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren arbeid per dag voor de in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen.

De rechtbank heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

De rechtbank verklaart onttrokken aan het verkeer het navolgende in beslag genomen voorwerp: een uitbeen mes.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Schoemaker, voorzitter en mr. H. de Wit en mr. H.K. Elzinga, rechters in tegenwoordigheid van D. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 28 maart 2006, zijnde mr. Elzinga buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.