Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2006:AV6800

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
15-03-2006
Datum publicatie
27-03-2006
Zaaknummer
05-1038 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres, werkzaam als hoofd van de afdeling communicatie van de gemeente Assen, is ontslagen op grond van artikel 8.6 van de CAR/RLA vanwege onbekwaamheid of ongeschiktheid. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat eiseres niet op zodanige wijze en tijdstip met haar vermeende tekortkomingen is geconfronteerd, dat het haar redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij bij gebreke van verbetering ontslagen zou worden en omdat het besluit overigens is gebaseerd op onvoldoende dossiervorming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Enkelvoudige kamer

voor

bestuursrechtelijke zaken

Kenmerk: 05/1038 AW

U I T S P R A A K

In het geding tussen

J.M.W. van den Hombergh, wonende te Groningen, eiseres,

en

het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Assen, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2005 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 25 februari 2005 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiseres eervol ontslagen uit haar functie als hoofd van de afdeling communicatie van de gemeente Assen vanwege onbekwaamheid of ongeschiktheid in de zin van artikel 8.6 van de CAR/RLA.

Namens eiseres heeft mr. A.A. Kootstra, advocaat te Groningen, tegen eerstgenoemd besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. De gemachtigde van eiseres heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 9 maart 2006, alwaar eiseres daartoe ambtshalve opgeroepen, in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Voor verweerder zijn verschenen mr. M.J. Kragten, juridisch adviseur te Hoogeveen. Voorts zijn verschenen W.H. Gispen, concerndirecteur en

K. Portegies, adviseur P&O.

II. Motivering

Feiten en omstandigheden

Bij besluit van 17 mei 2002 is eiseres aangesteld als hoofd van de afdeling communicatie van de gemeente Assen.

Naar aanleiding van vragen die zijn gerezen rond het functioneren van de genoemde afdeling zijn in het najaar van 2004 plannen tot verbetering opgesteld. In het kader hiervan is aan eiseres bij besluit van 29 oktober 2004 bericht dat zij met ingang van 1 november 2004 niet langer wordt belast met de uitvoering van werkzaamheden die bij haar functie horen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij primair besluit van 24 februari 2005 heeft verweerder eiseres vervolgens ingaande 1 april 2005 op grond van artikel 8:6 van de CAR/RLA eervol ontslagen uit haar functie als hoofd van de afdeling communicatie van de gemeente Assen vanwege onbekwaamheid of ongeschiktheid.

Tegen dit besluit is bezwaar aangetekend door eiseres.

De bezwarencommissie rechtspositionele aangelegenheden gemeente Assen (hierna: de commissie) heeft overwogen dat het dossier voldoende aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat eiseres ongeschikt of onbekwaam moet worden geacht. Dit kan volgens de commissie evenmin worden afgeleid uit de gedragingen van eiseres.

De commissie heeft daarbij de beschikking gehad over mailcorrespondentie tussen de heer Portegies en eiseres, een verslag van de stuurgroep communicatie, het rapport van Twynstra Gudde van 23 april 2003 en de quick scan van Wensthuis P&A van 20 oktober 2004.

Voorts is eiseres volgens de commissie niet ondubbelzinnig medegedeeld dat zij niet zou functioneren en is haar niet de kans gegeven zich te verbeteren.

Nu onvoldoende is aangetoond dat sprake is van onbekwaamheid of ongeschiktheid, maar ook duidelijk is dat er geen vertrouwen meer is tussen eiseres en verweerder, adviseert de commissie de ontslaggrond niet te baseren op artikel 8:6 van de CAR/RLA maar op artikel 8:8 van de CAR/RLA.

Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen, waarbij het advies van de commissie niet is overgenomen.

Standpunten partijen

Verweerder geeft aan het advies van de commissie niet te volgen en baseert zich in het bestreden besluit op de (ongedateerde) verklaring van de heer Gispen over de gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan. Eén van die gebeurtenissen is het functioneringsgesprek van 25 februari 2003 waarin naar voren is gekomen dat eiseres haar functioneren moest verbeteren. Dit is volgens verweerder de aanleiding geweest om eiseres te laten coachen door Job Support met als aandachtspunt “het voorkomen en bijbuigen van potentieel kamikazegedrag”. Hieruit kan in de visie van verweerder niet anders worden geconcludeerd dan dat er toentertijd al ernstige twijfels waren over het functioneren van eiseres. Anderhalf jaar na bovengenoemd gesprek bleek er op de afdeling communicatie geen vooruitgang te zijn geboekt en was het functioneren van eiseres zelf achteruit gegaan: zij gaf geen leiding, legde de schuld bij een ander, trok zich niets aan van wat over haar functioneren werd gezegd, kon niet omgaan met de gemeentelijke organisatie en zag niet in dat gelijk hebben iets anders is dan gelijk krijgen, aldus verweerder.

Verweerder heeft voorts overwogen dat de commissie cruciale feiten buiten beschouwing heeft gelaten, te weten feiten die niet in de dossieropbouw voorkomen ondanks dat deze feiten door eiseres en de gemeente worden erkend. Zouden deze feiten wel bij de vaststelling zijn betrokken, dan zou de commissie volgens verweerder tot de ongeschiktheid of onbekwaamheid van eiseres zijn gekomen.

In het verweerschrift is nader aangegeven dat het besluit is gebaseerd op feiten en omstandigheden die blijken uit het dossier en die door eiseres veelal expliciet worden erkend, bijvoorbeeld in haar zienswijze. Vanaf de sollicitatie was eiseres bekend met de problemen bij de afdeling communicatie. Het bestaan en voortduren van de problemen is vele malen onderwerp van gesprek geweest tussen eiseres en haar leidinggevende, onder meer tijdens voortgangsgesprekken en het functioneringsgesprek op 23 februari 2003. In de zienswijze van 10 februari 2005 bevestigt eiseres volgens verweerder de noodzaak van een onderzoek door Twynstra Gudde. Uit het dossier blijkt in de visie van verweerder voorts dat er een noodzaak bestond tot coaching van eiseres.

In april 2004 heeft het AMT zich zeer ontevreden getoond over het functioneren van de betreffende afdeling, waarna de heer Gispen samen met eiseres mede-directeuren heeft gehoord omtrent hun ervaringen en kritische aandachtspunten ten aanzien van het functioneren van de afdeling.

Verweerder wijst er op dat eiseres op diverse manieren is gefaciliteerd bij haar werk.

Nu na de quickscan van oktober 2005 bleek dat de problemen van de afdeling verre van opgelost waren, is de conclusie getrokken dat eiseres niet de juiste persoon is om de afdeling leiding te geven.

Namens eiseres is samengevat aangevoerd dat het aan verweerder is om aan te tonen dat eiseres als ambtenaar haar werk niet goed heeft gedaan en dat dit valt terug te voeren op ongeschiktheid of onbekwaamheid. Dat zal volgens eiseres dan moeten blijken uit concrete feiten en omstandigheden, maar deze zijn nimmer aangegeven. De loutere verwijzing naar de verklaring van de heer Gispen is daartoe onvoldoende.

Eiseres wijst er op dat de commissie heeft geconstateerd dat aan eiseres niet ondubbelzinnig is medegedeeld dat zij niet zou functioneren en dat haar niet de kans is gegeven om zich te verbeteren. Ten onrechte is er van het functioneringsgesprek van februari 2003 geen verslag gemaakt. Ten onrechte blijkt uit het dossier niet welke feiten ten grondslag liggen aan het bestreden besluit.

Toepasselijke regelgeving

Ingevolge artikel 8.6, eerste lid, van de CAR/RLA, kan aan de ambtenaar ontslag worden verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.

Ingevolge artikel 8.8, eerste lid, van de CAR/RLA, kan een ambtenaar die vast is aangesteld eervol worden ontslagen op en bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in de vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.

Beoordeling

In het onderhavige geding worden partijen verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of het aan eiseres verleende ontslag terecht is gebaseerd op artikel 8.6 van de CAR/RLA.

Blijkens de ter zake gevormde jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep moet onder onbekwaamheid worden verstaan het ontbreken van de functioneel vereiste vakbekwaamheid zoals kennis, kunde, opleiding, scholing en niveau. Onder ongeschiktheid wordt verstaan het behept zijn met dusdanige eigenschappen van karakter, geest en/of gemoed dat daardoor de betrokkene de functioneel vereiste eigenschappen mist. De ongeschiktheid of onbekwaamheid moet voorts blijken uit concrete handelingen of gedragingen van de ambtenaar en betreft ongeschiktheid of onbekwaamheid in objectieve zin.

Een bijkomend vereiste is dat de ongeschiktheid voor de vervulling van een functie eerst kan worden aangenomen indien de betrokkene met zijn tekortkomingen is geconfronteerd op een zodanige wijze en tijdstip dat het hem of haar redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij of zij bij gebreke van verbetering met een ontslag rekening diende te houden.

De rechtbank overweegt dat verweerders besluitvorming niet aan bovenstaande vereisten voldoet. De heer Gispen heeft ter zitting van de rechtbank verklaard dat er tot oktober 2004 nooit is gesproken over het functioneren van eiseres als zodanig. Ter zitting is door de heer Gispen zelfs verklaard dat bij hem tot oktober 2004 zelfs nooit het idee heeft bestaan dat eiseres niet beschikte over de vereiste bekwaamheden. Dit stemt overeen, zo stelt de rechtbank vast, met de verklaring van eiseres ter zitting dat zij voor de functie is geselecteerd naar aanleiding van haar capaciteiten en ervaring in soortgelijke functies. Voorts mag naar het oordeel van de rechtbank van algemene bekendheid worden geacht dat het feit dat gewenste managementdoelen niet worden gehaald, niet per definitie kan worden toegeschreven aan het gemis aan capaciteiten bij medewerkers die de gestelde doelen moeten verwezenlijken, nu talloze andere oorzaken ten grondslag kunnen liggen aan het niet bereiken van de doelstelling.

De rechtbank stelt voorts vast dat er omtrent het functioneren van eiseres geen dossier is gevormd, zodat het bestreden besluit feitelijke grondslag mist. In dit verband wil zij niet onvermeld laten dat er geen verslag is opgesteld van het functioneringsgesprek van 25 februari 2003 en dat het vermeende disfunctioneren nooit aan eiseres is voorgehouden. Zij behoefde dus om die reden geen rekening te houden met de mogelijkheid van ontslag.

Het bestreden besluit komt gelet op vorenstaande voor vernietiging in aanmerking. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op euro 644,- als kosten voor verleende rechtsbijstand en op euro 8,60 als reiskosten van eiser naar de zitting. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Ten overvloede overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op de feiten en omstandigheden in dit geding, zoals zij aan de rechtbank duidelijk zijn geworden, ligt het meer in de rede om bij het ontslag van eiseres de weg van artikel 8.8 van de CAR/RLA te volgen. Alsdan zal verweerder zich dienen te beraden over de vraag of en met name welke ontslagvergoeding aan eiseres moet worden toegekend. De rechtbank overweegt in dit verband nog dat het ontbreken van overeenstemming over de hoogte van de ontslagvergoeding gelet op het bepaalde in het derde lid van artikel 8.8 van de CAR/RLA geen beletsel behoeft te zijn om dit artikel toe te passen.

Beslist wordt als volgt.

III. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de kosten aan de zijde van eiser gevallen ten bedrage van euro 652,60 en bepaalt dat de gemeente Assen deze kosten, alsmede het griffierecht ad euro 37,- aan eiseres dient te vergoeden.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T.F. Bruinenberg, voorzitter en uitgesproken in het

openbaar op 15 maart 2006 door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E. van Kerkhoven, griffier.

E. van Kerkhoven T.F. Bruinenberg

Afschrift verzonden op: