Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2006:AV3991

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
01-03-2006
Datum publicatie
18-07-2006
Zaaknummer
06/19 en 06/47 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bewijs van permanente bewoning van een recreatiewoning voor de peildatum (31 oktober 2003). Ingevolge het bestemmingsplan mag de woning worden gebruikt als recreatiewoning. Verweerder moet door middel van feitenvaststelling in voldoende mate onderbouwen dat de bestemmingsplanvoorschriften worden overtreden. Vervolgens is het aan verzoeker om dit vermoeden te ontkrachten. Indien verzoeker daarin niet slaagt dan wordt in beginsel uitgegaan van de juistheid van de door verweerder vastgestelde feiten. In casu is verzoeker niet geslaagd in het bewijs dat hij op de peildatum de woning permanent bewoonde en dat hij daar niet zijn hoofdverblijf had. In de uitspraak is aangegeven hoe de voorzieningenrechter het aangedragen bewijs waardeert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 06/19 en 06/47 GEMWT

uitspraak van de voorzieningenrechter op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) d.d. 1 maart 2006

in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Westerveld, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2005 heeft verweerder de bezwaren van verzoeker tegen het primaire besluit van 16 juni 2005 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan verzoeker een last opgelegd om binnen 3 maanden het gebruik van de recreatiewoning op het perceel [adres] te [woonplaats] in overeenstemming te brengen met de voorschriften van het bestemmingsplan als genoemd in het bestemmingsplan “Recreatieterreinen Diever”.

Verzoeker heeft op 6 januari 2006 tegen eerstgenoemd besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Bij brief van 11 december 2005 is tevens namens verzoeker aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft bij brief van 11 januari 2006 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. Verzoeker heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Bij brief van 17 januari 2006 heeft verweerder aangegeven dat de verbeurte van de dwangsom wordt opgeschort tot na de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter op 15 februari 2006, alwaar verzoeker in persoon is verschenen. Voor verweerder is verschenen A.J. Boers.

II. Motivering

Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan wanneer beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Feiten en omstandigheden

Verzoeker is [professie] en doet veel werkzaamheden ten behoeve van [opdrachtgever].

Bij formulier, gedateerd 8 oktober 2003, heeft verzoeker bouwvergunning aangevraagd voor het geheel vernieuwen van een vakantiewoning.

Bij brief van 15 januari 2004 heeft verweerder aangegeven de gevraagde bouwvergunning te verlenen.

Op 16 augustus 2004 heeft verweerder aan eigenaars of gebruikers van recreatieverblijven een brief gezonden omtrent permanente bewoning van recreatieverblijven. Onder meer is aangegeven dat handhavend zal worden opgetreden tegen permanente bewoning van recreatiewoningen die is ontstaan na 31 oktober 2003.

Bij brief van 11 oktober 2004 heeft verweerder aangegeven dat is geconstateerd dat verzoeker zich per 26 januari 2004 heeft laten inschrijven op het adres [adres] te [woonplaats] en dat wordt verondersteld dat hij permanent op dit adres woont. Gelet op het in deze gevoerde beleid heeft verweerder verzocht het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de recreatiewoning te beëindigen.

Bij brief van 27 december 2004 heeft verzoeker verweerder om een persoons- en objectgebonden gedoogbeschikking verzocht.

Bij brief van 22 februari 2005 heeft verweerder aangegeven dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een persoons- en objectgebonden gedoogbeschikking en is hem nogmaals verzocht het strijdig gebruik van de recreatiewoning te beëindigen.

Bij besluit van 16 juni 2005 heeft verweerder besloten om verzoeker onder oplegging van een dwangsom te sommeren om binnen 3 maanden, te rekenen vanaf de eerste maandag na dagtekening van dit schrijven, de overtreding te beëindigen door het gebruik van de recreatiewoning in overeenstemming met het bestemmingsplan te brengen en dus de permanente bewoning te staken.

Nadat verzoeker tegen dit besluit bezwaar heeft gemaakt en een hoorzitting is gehouden, heeft verweerder het bestreden besluit genomen overeenkomstig het advies van de commissie voor advies voor bezwaar- en beroepschriften.

Standpunten partijen

Verweerder heeft het volgende overwogen. Het perceel ligt in het gedeelte van de gemeente Westerveld waar ter plaatse het bestemmingsplan “Recreatieterreinen Diever” van toepassing is. Verweerder treedt handhavend op tegen situaties van permanente bewoning van recreatiewoningen die zijn ontstaan na 31 oktober 2003.

Verzoeker heeft zich op 26 januari 2004 laten inschrijven en permanente bewoning vóór 31 oktober 2003 is niet aangetoond. Verzoeker heeft op 29 december 2003 de akte van levering van zijn woning in [plaats] getekend. Daarin is als woonadres opgenomen zijn adres in [plaats]. Overige correspondentie ging eveneens naar het adres in [plaats]. Verweerder heeft medio oktober 2003 geconstateerd dat de woning leeg stond; voor het pand is op 15 januari 2004 een sloopvergunning afgegeven en de sloop is op 10 maart 2004 gereed gemeld. De brieven van de zakenrelaties van verzoeker, waarin is aangegeven dat de woning aan de [adres] zijn permanente verblijf was, overtuigen niet nu verzoeker zelf in zijn contacten met de gemeentelijke overheid, de belastingdienst en de notaris gebruik maakte van het adres in [plaats]. De rittenregistraties zijn als bewijs voor permanente bewoning minder goed bruikbaar nu daaruit niet noodzakelijkerwijs voortvloeit dat hij op het adres [adres] heeft gewoond, maar daaruit evenzeer kan voortvloeien dat hij die ritten heeft gemaakt vanaf het adres [adres moeder], de recreatiewoning van de moeder van verzoeker, waar verzoeker woonde tijdens de sloop van [adres]. Uit de belastingaangifte blijkt dat de woning in [woonplaats] pas vanaf 30 december 2003 als hoofdadres kan worden aangemerkt.

Verzoeker heeft aangevoerd dat volgens vaste jurisprudentie de datum van feitelijke bewoning bepalend is en niet de inschrijving in de GBA. De getuigenverklaringen zijn van mensen met wie verzoeker een zakelijke relatie heeft. Aan de hand van de belastingaangifte is te zien dat het pand aan de [adres] niet als vakantiewoning is aangemerkt. De aanslag forensenbelasting van verweerder maakt duidelijk dat verzoeker niet zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Westerveld.

In het verweerschrift heeft verweerder toegevoegd dat aan verzoeker is aangegeven hoe hij permanente bewoning kan bewijzen, te weten door het overleggen van documenten van instanties waarop het nieuwe adres als adressering en een datum vóór de peildatum staan aangegeven, bijvoorbeeld bankafschriften of verzekeringspapieren.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegezegd dat de aan verzoeker opgelegde dwangsom niet wordt verbeurd tot 1 april 2006.

Toepasselijke regelgeving

Artikel 4, eerste lid, van het geldende bestemmingsplan bepaalt dat de als zodanig op de plankaart aangegeven gronden zijn bestemd voor de doeleinden recreatiewoningen, verkeers- en verblijfsdoeleinden en beplantingen.

Artikel 4, derde lid, van het plan bepaalt dat ten aanzien van gronden en gebouwen geldt dat zij slechts mogen worden gebruikt ten behoeve van de in lid 1 aangegeven doeleinden (…).

Ingevolge artikel 4, vierde lid, van het plan verlenen burgemeester en wethouders vrijstelling van het bepaalde in lid 3, indien strikte toepassing van dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

Beoordeling

Gesteld voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

De voorzieningenrechter stelt vast dat niet is bestreden dat de onderhavige woning valt onder de werking van het bestemmingsplan “Recreatieterreinen Diever”. Ingevolge dit bestemmingsplan mag de woning worden gebruikt als recreatiewoning.

Verweerder is geconfronteerd met het gegeven dat vele woningen die bestemd zijn voor recreatie permanent worden bewoond. In dit verband voert verweerder het beleid, aan belanghebbenden kenbaar gemaakt bij brief van 16 augustus 2004, dat permanente bewoning op grond van de bestemmingsplannen niet is toegestaan en dat alleen als de woning voor

31 oktober 2003 permanent werd bewoond, de belanghebbende in aanmerking kan komen voor een persoons- en objectgebonden gedoogbeschikking. Verweerder treedt handhavend op tegen situaties die zijn ontstaan na 31 oktober 2003.

De voorzieningenrechter overweegt dat dit beleid ziet op de datum van 31 oktober 2003 en in die zin terugwerkende kracht heeft. Nu er in het geval van verzoeker sprake is van een situatie van bewoning die nooit is gelegaliseerd of gedoogd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen rechtsbeginsel zich verzet tegen het met terugwerkende kracht hanteren van de datum 31 oktober 2003 als peildatum.

In het kader van de verdeling van de bewijslast met betrekking tot de vraag hoe de feitelijke woonsituatie op 31 oktober 2003 was, en met name de vraag of verzoeker op genoemde datum zijn hoofdverblijf had in de recreatiewoning, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Verweerder moet door middel van feitenvaststelling in voldoende mate onderbouwen dat de bestemmingsplanvoorschriften worden overtreden. Vervolgens is het aan verzoeker om dit vermoeden te ontkrachten. Slaagt verzoeker daarin niet, dan wordt in beginsel uitgegaan van de juistheid van de door verweerder vastgestelde feiten (zie o.a. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 6 oktober 2004, AB 2004, 389).

Verweerder heeft geoordeeld dat verzoeker op 31 oktober 2003 niet zijn hoofdverblijf had aan de [adres] te [woonplaats]. Daartoe heeft verweerder redengevend geacht, dat verzoeker zich pas op 26 januari 2004 heeft laten inschrijven in [woonplaats]. Voorts is gebleken dat alleen (een deel van) de zakelijke correspondentie naar het adres in [woonplaats] werd gezonden, maar de overige correspondentie naar het adres in [plaats]. Tevens is geconstateerd dat de woning medio oktober 2003 leeg stond en dat deze daarna werd gesloopt. In de akte van levering van de woning in [plaats], getekend op 29 december 2003, is als woonadres opgenomen het adres in [plaats].

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder daarmee heeft onderbouwd dat de verzoeker in de recreatiewoning op 31 oktober 2003 niet zijn hoofdverblijf had en dat er een met het vigerende bestemmingsplan strijdige situatie bestond.

Verzoeker heeft ter ontkrachting hiervan gewezen op het feit dat de inschrijving in de GBA niet bepalend voor de feitelijke situatie op de peildatum. Voorts heeft eiser een viertal verklaringen overgelegd, waaruit naar zijn mening zou blijken dat verzoeker en zijn echtgenote eind oktober permanent in de recreatiewoning woonden.

Dit betreft een verklaring van 26 september 2006 van [medewerker 1], werkzaam bij [bedrijf] B.V., een verklaring van 2 oktober 2006 van [getuige 1] te Apeldoorn, een verklaring van 20 oktober 2003 van [medewerker 2], werkzaam bij de RDW en een verklaring van 18 oktober 2003 van [medewerker 3], werkzaam bij [bedrijf] B.V.

Voorts heeft verzoeker een rittenadministratie overgelegd waaruit blijkt dat hij in oktober 2003 vrijwel dagelijks naar [woonplaats] reed. Tot slot heeft verzoeker erop gewezen dat in de belastingaangifte het pand [adres] nadrukkelijk niet als vakantiewoning is aangemerkt.

Ter zitting heeft verzoeker desgevraagd aangegeven dat hij geen nader bewijs meer kan aandragen dan hij nu heeft overgelegd.

De voorzieningenrechter waardeert het door verzoeker aangedragen bewijs als volgt.

De verklaringen zijn afkomstig van zakelijke contacten waarvan op voorhand niet kan worden gezegd dat zij er een persoonlijk belang bij hebben om de feitelijke situatie in voor eiser gunstige zin voor te stellen. Uit de getuigenverklaringen komt echter met betrekking tot de feitelijke situatie niet meer naar voren dan dat beide getuigen van mening zijn dat de woning ingericht was voor en gebruikt werd als een woonhuis voor permanente bewoning. Uit de verklaring van de RDW van 20 oktober 2003 komt slechts naar voren dat verzoekers adreswijziging is opgenomen en dat vanaf die datum alle stukken naar het adres [adres] te [woonplaats] zullen worden gezonden. Uit de verklaring van [bedrijf] B.V. te [...] van 18 oktober 2003 blijkt dat de adresgegevens zijn doorgevoerd en dat zakelijke stukken naar het nieuwe adres zullen worden gestuurd.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker er niet in is geslaagd aannemelijk te maken hij op 31 oktober 2003 permanent in [woonplaats] woonde. Enerzijds zijn er aanwijzingen die veeleer op het tegendeel wijzen, zoals de adresvoering in officiële correspondentie en de inschrijving in de GBA. Anderzijds zijn de getuigenverklaringen niet meer dan een persoonlijke observatie van de getuigen zonder dat deze door aanvullende feiten worden ondersteund. Uit het feit dat een woning eruit ziet als geschikt voor permanente bewoning volgt immers niet onomstotelijk, dat deze ook daadwerkelijk permanent wordt bewoond door verzoeker. Hetgeen door verzoeker is aangevoerd laat ruimte voor de veronderstelling dat de feitelijke situatie op 31 oktober 2003 anders was dan door verzoeker voorgesteld. Het valt de voorzieningenrechter in dit verband op, dat er geen verklaringen zijn van bijvoorbeeld buren in [plaats] omtrent de daadwerkelijke verhuizing van verzoeker en zijn echtgenote. De rittenadministratie kan niet meer aannemelijk maken dan dat eiser vaak naar [woonplaats] reed, maar zegt niets omtrent de permanente bewoning aan de [adres]. Dat het pand in het kader van de belastingaangifte door verzoeker niet is aangemerkt als vakantiewoning, zegt evenmin iets over de feitelijke situatie, nu de aangifte berust op de persoonlijke opvatting van verzoeker.

Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van verzoeker ongegrond. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Beslist wordt als volgt.

III. Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep

- verklaart het beroep ongegrond;

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Uitsluitend tegen de uitspraak op het beroep kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepsschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA ‘s-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

Aldus gegeven door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzieningenrechter en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2006 door mr. A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van mr. E van Kerkhoven, griffier.

E van Kerkhoven A.T. de Kwaasteniet

Afschrift verzonden op: