Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2005:AU3423

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
15-09-2005
Datum publicatie
28-09-2005
Zaaknummer
05/986
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Overtreding van de maximaal toegestane handelsvoorraad op grond van het verscherpte gedoogbeleid, waarop een Tijdelijke sluiting voor de duur van drie maanden volgt van de coffeeshop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Kenmerk: 05/986 BESLU

U I T S P R A A K

van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Assen op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het geding tussen:

Coffeeshop Ankara V.O.F., gevestigd te Emmen, verzoekster,

en

de Burgemeester van de gemeente Emmen, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2005 heeft verweerder op basis van artikel 13b van de Opiumwet de coffeeshop Ankara aan de Minister Kanstraat 3 tijdelijk gesloten voor de periode van 12 september tot en met 11 december 2005 in verband met overtreding van de maximaal toegestane hoeveelheid handelsvoorraad softdrugs op grond van het gedoogbeleid.

Namens verzoekster is bij brief van 8 september 2005 tegen dit besluit bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij brief van 8 september 2005 is tevens namens verzoekster aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft bij brief van 9 september 2005 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. De gemachtigde van verzoekster heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 12 september 2005, alwaar verzoekster werd vertegenwoordigd door de vennoten [vennoten], bijgestaan door hun gemachtigde mevrouw mr. C.M. Buisman-de Jonge.

Voor verweerder zijn verschenen de gemachtigden mr. G.J.P.E. Wilms en J. Metters.

II. Motivering

Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is voldaan aan het connexiteitsvereiste. Ook overigens is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

Feiten en omstandigheden

Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de voorzieningenrechter de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster exploiteert een coffeeshop genaamd Ankara op het adres Minister Kanstraat 3 te Emmen.

In verband met een wijziging en aanscherping van het gedoogbeleid softdrugs zijn de coffeeshophouders, waaronder verzoekster, in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen. Van deze gelegenheid heeft verzoekster op 7 maart 2005 gebruik gemaakt. Een verslag van de hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

Bij besluit van 29 maart 2005 heeft verweerder het nieuw gedoogbeleid softdrugs in Emmen vastgesteld. In dit nieuwe beleid wordt doelbewust voor een differentiatie en verzwaring van de sancties gekozen.

Bij brief van 30 maart 2005 is het voornoemde beleidsdocument aan verzoekster verzonden.

Het voornoemde beleid is op 5 april 2005 gepubliceerd.

Bij proces-verbaal van bevindingen van 18 juli 2005 heeft de politie verweerder bericht dat haar bij controlebezoek op donderdag 15 juni 2005 is gebleken dat bij verzoekster te Emmen de maximum handelsvoorraad softdrugs werd overschreden. Uit het proces-verbaal komt naar voren dat de bij verzoekster aangetroffen handelsvoorraad softdrugs 1830 gram bedraagt.

Bij brief van 25 juli 2005 heeft verweerder het voornemen bekend gemaakt om de coffeeshop Ankara aan de Minister Kanstraat 3, zijnde een voor het publiek toegankelijk lokaal, op basis van artikel 13b van de Opiumwet en het gemeentelijk gedoogbeleid softdrugs voor een periode van drie maanden te sluiten, te weten van 29 augustus tot 27 november 2005.

Bij voornoemde brief heeft verweerder verzoekster in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze met betrekking tot het voornemen te geven. Van deze gelegenheid heeft verzoekster op 1 augustus 2005 gebruik gemaakt. Een verslag van de hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder op basis van artikel 13b van de Opiumwet en het gemeentelijk gedoogbeleid softdrugs de coffeeshop Ankara aan de Minister Kanstraat 3 tijdelijk gesloten voor de periode van 12 september tot en met 11 december 2005 in verband met overtreding van de maximaal toegestane hoeveelheid handelsvoorraad softdrugs op grond van het gedoogbeleid.

Standpunten partijen

Gelet op de toename van de vraag, al dan niet tijdelijk, is de dagomzet van verzoekster verdubbeld. Dit impliceert bij een toegestane handelsvoorraad van 500 gram per dag dat er één dan wel meerdere keren per dag een aanvulling van die voorraad dient plaats te vinden, hetgeen dan momenteel ook dagelijks is geschied. Gelet op het feit dat de vennoten van verzoekster na 15 juni 2005 enkele dagen afwezig zouden zijn en haar personeel niet kon en wilde belasten met de inkoop van de softdrugs, hebben zij bij hoge uitzondering een grotere voorraad dan gebruikelijk ingekocht en als voorraad in de coffeeshop aanwezig gehad. Verzoekster stelt zich dan ook op het standpunt dat de op 15 juni 2005 geconstateerde situatie een uitzondering op de regel is.

Voorts is verzoekster van mening dat de mate van overtreding van invloed dient te zijn op de eventueel te nemen maatregelen en meent dan ook dat er met een bevolen sluiting van drie maanden in het onderhavige geval gesproken kan worden van disproportionaliteit ten opzichte van de bij 'De Fatman' geconstateerde mate van overtreding (20 kg softdrugs) en bevolen maatregel (half jaar sluiting). Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de door verweerder getroffen maatregel niet in verhouding staat tot de begane overtreding en meent dan ook dat verweerder niet in redelijkheid tot het thans bestreden besluit had kunnen komen.

Verweerder volstaat met een verwijzing naar de motivering van het bestreden besluit.

Toepasselijke regelgeving

Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

De burgemeester is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Beoordeling

Beoordeeld dient te worden of er aanleiding bestaat de gevraagde voorlopige voorziening te treffen.

Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Verweerder heeft op 29 maart 2005 de nota "Nieuw gedoogbeleid softdrugs in Emmen" vastgesteld, met daarin gedoogcriteria en normen voor het bijbehorend bestuursrechtelijk optreden.

Eén van de in dit beleid opgenomen criteria houdt in dat in de coffeeshop niet meer dan 500 gram handelsvoorraad aanwezig mag zijn.

Met betrekking tot de wijze van bestuursrechtelijke handhaving wordt in het voornoemde nota aangegeven dat het relevant is om een gedifferentieerd handhavingsregime te presenteren, aangezien de ene overtreding de andere niet is. De ene overtreding dient daarom zwaarder te wegen (en te worden gesanctioneerd) dan de andere. Twee algemene opmerkingen verdienen hierbij vermelding:

- bij cumulatie van overtredingen kan een (naast-)hogere bestuurlijke sanctie worden opgelegd;

- de bestuursrechtelijke handhaving laat het al dan niet strafrechtelijk handhaven door politie en justitie onverlet.

Met betrekking tot de overschrijding van de maximaal toegestane handelsvoorraad van 500 gram (met minder dan 2000 gram) wordt het volgende aangegeven in de voornoemde nota:

- 1e keer: sluiting van de inrichting voor drie maanden;

- 2e keer: (binnen een jaar na de waarschuwing): sluiting van de inrichting voor een half jaar en intrekking van de gedoogstatus.

Ten aanzien van het beleid, neergelegd in de voornoemde nota, overweegt de voorzieningenrechter dat hij geen aanleiding ziet voor het oordeel dat verweerder bij het vaststellen van dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling heeft overschreden. Ook overigens ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat die regels rechtens onjuist zijn.

Tussen partijen is niet in geschil, en de voorzieningenrechter neemt dit als een vaststaand gegeven aan, dat op het moment van controle door de politie op 15 juni 2005 1830 gram softdrugs, en derhalve meer dan de toegestane hoeveelheid van 500 gram, aanwezig was in coffeeshop Ankara van verzoekster. Deze hoeveelheid overschreed de in het gedoogbeleid neergelegde norm voor wat betreft de maximaal toegestane handelsvoorraad, wat daar verder ook van zij, ruim driemaal.

Verweerder was mitsdien bevoegd om met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet en het voornoemde gedoogbeleid handhavend op te treden. Uit het voornoemde beleid volgt dat overtreding van de maximaal toegestane hoeveelheid softdrugs van 500 gram (met minder dan 2000 gram) dient te leiden tot het opleggen van een sanctie, inhoudende dat de coffeeshop bij een eerste constatering voor een periode van drie maanden gesloten wordt.

Gelet op het vorenoverwogene concludeert de voorzieningenrechter dat verweerder door de bestreden beslissing te nemen, zijn beleid op een juiste wijze heeft toegepast.

Uit wat verzoekers overigens hebben aangevoerd, leidt de voorzieningenrechter af dat zij van mening zijn dat verweerder van zijn beleid ten gunste van hen zou moeten afwijken, omdat sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze omstandigheden betreffen het feit dat het bij de coffeeshop Ankara gaat om een eenmalige overtreding van de maximaal toegestane handelsvoorraad softdrugs, ingegeven door het feit dat een van de vennoten ziek in Turkije zat en de andere vennoot in verband met vakantie afwezig was. Het aanwezige personeel kon naar de mening van verzoekers niet met de inkoop van softdrugs worden belast.

Voorts acht de gemachtigde van verzoekster de opgelegde sluiting disproportioneel en wijst op een mogelijk faillissement als uitvloeisel van het voornoemde besluit. Voorts is de gemachtigde van verzoekster van mening dat de duur van de sluiting in geen verhouding staat tot de duur van de sluiting inzake de coffeeshop 'The Fatman', nu bij laatstgenoemde coffeeshop 20 kg softdrugs is aangetroffen bij een controle.

Verweerder heeft gesteld dat de gestelde omstandigheden voor hem geen reden vormen van zijn handhavingsbeleid af te wijken. Naar de mening van verweerder dienen de vergrote omzet als gevolg van de tijdelijke sluiting van de andere coffeeshop en de daarmee optredende logistieke problemen dienen voor rekening en risico van verzoekers te blijven. Met betrekking tot de financiële problemen en een dreigend faillissement stelt verweerder zich op het standpunt dat het gedoogbeleid daarmee geen rekening houdt. Verweerder acht voornoemde omstandigheden ook geen reden om van zijn beleid af te wijken, aangezien dit tot het ondernemersrisico behoort te blijven. Daarnaast is er nadrukkelijk bij het nieuwe beleid voor gekozen af te stappen van een systeem van eerst een waarschuwing, wetende dat verzoekers voorheen de bepalingen van het gedoogbeleid niet hebben overtreden.

De voorzieningenrechter meent dat verweerder in redelijkheid tot deze conclusie heeft kunnen komen.

Met betrekking tot het beroep op het gelijkheidsbeginsel door verzoekers overweegt de voorzieningenrechter dat voorop staat dat de aan coffeeshop 'The Fatman' opgelegde sluiting voortvloeide uit een ouder en minder streng gedoogbeleid met een trapsgewijs stelsel, waarbij eerst een waarschuwing werd gegeven alvorens tot een tijdelijke sluiting werd overgegaan. De onderhavige sluiting is gebaseerd op het nieuwe gedoogbeleid van 29 maart 2005 en gelet op de vaststaande bevindingen en waarnemingen in overeenstemming daarmee. Reeds om deze reden kan het (impliciete) beroep op het gelijkheidsbeginsel van verzoeksters naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet slagen in het onderhavige geval.

Voorts stellen verzoekers zich op het standpunt dat verweerder door de sluiting op te schuiven in de tijd op een oneigenlijke wijze gebruik heeft gemaakt van de hem toekomende bevoegdheid, zodat er in het onderhavige geval sprake is van détournement de pouvoir.

In dit verband wijst verweerder erop dat de overtreding bij coffeeshop Ankara werd geconstateerd in de periode dat coffeeshop Cheers drie maanden was gesloten. De politie heeft verweerder dringend geadviseerd om niet tijdens de sluitingsperiode van coffeeshop Cheers ook coffeeshop Ankara tijdelijk te sluiten. Er zou dan geen gedoogde coffeeshop meer open zijn en de handel in en de verkoop van softdrugs zou zich ongecontroleerd naar de straat verplaatsen. Voorts valt op straat voor de kopers het onderscheid tussen softdrugs en harddrugs weg. In een coffeeshop mogen immers geen harddrugs worden verkocht. Dus enerzijds gevolgen voor de openbare orde en veiligheid, anderzijds een grotere kans op potentiële nieuwe harddrugsgebruikers/de toename van harddrugsgebruik, met ook weer gevolgen voor de openbare orde en veiligheid (kleine criminaliteit door veelplegers).

De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder de belangen van verzoekers heeft afgewogen tegen het algemeen belang van de openbare orde en niet gezegd kan worden dat deze belangenafweging als onredelijk dient te worden beschouwd. In dit verband wijst de voorzieningenrechter erop dat het verlate opleggen van een sanctie niet in strijd komt met het gedoogbeleid. Voor het nog verdergaande oordeel van verzoekers dat er in het onderhavige geval sprake is van misbruik van bevoegdheid ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

Het vorenoverwogene brengt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat het primaire besluit van 30 augustus 2005 naar verwachting na de heroverweging naar aanleiding van de aangevoerde bezwaren in stand zal kunnen blijven. Dit brengt met zich dat er geen reden is om de gevraagde voorziening te treffen.

Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt als volgt.

III. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Aldus gegeven door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzieningenrechter en uitgesproken in het openbaar op 13 september 2005

door mr. A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. van Kats, griffier.

mr. H.L.A. van Kats mr. A.T. de Kwaasteniet

Afschrift verzonden op: