Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2005:AT9329

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
12-07-2005
Datum publicatie
13-07-2005
Zaaknummer
19/830269-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat het rijgedrag van verdachte gedurende de race kan worden gekwalificeerd als roekeloos. De rechtbank verwijt verdachte dat hij heeft deelgenomen aan de race op een voor hem onbekende motor. Bij deze motor, van Engelse makelij, bevindt het rempedaal zich, in tegenstelling tot wat gebruikelijk is, aan de linkerzijde. Hieruit concludeert de rechtbank dat verdachte zich geen rekenschap heeft gegeven van zijn onervarenheid met het besturen van deze - afwijkende en hem onbekende - motor.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 307
Wetboek van Strafrecht 308
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2005/63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

STRAFVONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

wonende te [woonplaats].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 28 juni 2005.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W.M. Bierens, advocaat te Assen.

De officier van justitie mr. J.L. van den Broek acht hetgeen primair tenlastegelegd is wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

* een werkstraf van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis;

* ontzegging van bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 12 maanden;

* (gedeeltelijke) toewijzing van de civiele vorderingen;

* oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

TENLASTELEGGING

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij op of omstreeks 22 augustus 2004 te Eext, in de gemeente Aa en Hunze, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets), daarmede rijdende over de Stationsstraat, welke Stationsstraat deel uitmaakte van een zogeheten stratencircuit waarop motorwedstrijden werden/konden worden gehouden, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat hij roekeloos, althans zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend is geweest, aangezien hij tijdens een op dat stratencircuit gehouden motorwedstrijd (genaamd de Eexterklasse)

* dat door hem bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehouden en/of

* met dat door hem bestuurde motorrijtuig heeft gereden, terwijl met de rem(men) op/aan het voorwiel van dat motorrijtuig geen vertraging kon worden teweeggebracht en/of

* met dat door hem bestuurde motorrijtuig heeft gereden, terwijl met de rem(men) op/aan het achterwiel onvoldoende, althans geringe, vertraging kon worden teweeggebracht en/of

* met dat door hem bestuurde motorrijtuig heeft gereden, terwijl aan hem geen rijbewijs voor het besturen van dat motorrijtuig was afgegeven en/of

* gekomen bij een in die Stationsstraat gecreëerde bocht naar rechts, gezien vanuit verdachtes rijrichting, niet die bocht gaan volgen, maar (met aanzienlijke snelheid, althans een grotere snelheid dan voor het volgen van die bocht verantwoord was) rechtdoor gereden, verder die Stationsstraat in, welk door hem als laatst bereden gedeelte van die Stationsstraat als zogeheten uitloopstrook voor deelnemers aan die/een wedstrijd was bedoeld en/of aangemerkt,

waardoor hij met dat door hem bestuurde motorrijtuig is gebotst en/of aangereden en/of aangegleden tegen (een) aan het einde van die uitloopstrook dwars/haaks op de rijbaan van die Stationsstraat geplaatst(e) dranghek(ken), waarachter zich (een) persoon/personen, waaronder [naam slachtoffer] en/of [naam slachtoffer] en/of [naam slachtoffer], bevond(en),

* waardoor een ander (genaamd [naam slachtoffer]) werd gedood en/of

* waardoor (een) ander(en) (genaamd [naam slachtoffer] en/of [naam slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

terzake dat

hij op of omstreeks 22 augustus 2004 te Eext, gemeente Aa en Hunze, roekeloos/wild, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig, als bestuurder van een motorfiets, daarmede rijdende over de Stationsstraat, welke Stationsstraat deel uitmaakte van een zogeheten stratencircuit waarop motorwedstrijden werden/konden worden gehouden, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden, hebbende verdachte namelijk tijdens een op dat stratencircuit gehouden motorwedstrijd (genaamd de Eexterklasse)

* die door hem bestuurde motorfiets niet voortdurend onder controle gehouden en/of

* met die door hem bestuurde motorfiets gereden, terwijl met de rem(men) op/aan het voorwiel van die motorfiets geen vertraging kon worden teweeggebracht en/of

* met die door hem bestuurde motorfiets gereden, terwijl met de rem(men) op/aan het achterwiel onvoldoende, althans geringe, vertraging kon worden teweeggebracht en/of

* met die door hem bestuurde motorfiets gereden, terwijl aan hem geen bewijs van rijvaardigheid voor het besturen van die motorfiets was afgegeven en/of

zijnde verdachte

* gekomen bij een in die Stationsstraat gecreëerde bocht naar rechts, gezien vanuit verdachtes rijrichting, niet die bocht gaan volgen, maar (met aanzienlijke snelheid, althans een grotere snelheid dan voor het volgen van die bocht verantwoord was) rechtdoor gereden, verder die Stationsstraat in, welk door hem als laatst bereden gedeelte van die Stationsstraat als zogeheten uitloopstrook voor deelnemers aan die/een wedstrijd was bedoeld en/of aangemerkt,

waardoor hij met die door hem bestuurde motorfiets is gebotst en/of aangereden tegen (een) aan het einde van die uitloopstrook dwars/haaks op de rijbaan van die Stationsstraat geplaatst(e) dranghek(ken), waarachter zich (een) persoon/personen, waaronder [naam slachtoffer] en/of [naam slachtoffer] en/of [naam slachtoffer], bevond(en), waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest

* dat [naam slachtoffer] zodanig letsel heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden en/of

* dat [naam slachtoffer] en/of [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel hebben/heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze, is ontstaan;

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

VRIJSPRAAK

De verdachte dient van het primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij als verkeersdeelnemer heeft deelgenomen aan een motorwedstrijd op een stratencircuit te Eext. In die hoedanigheid zou hij zich schuldig hebben gemaakt aan roekeloos, althans zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag waardoor een ongeval is veroorzaakt waarbij een toeschouwer is komen te overlijden en twee toeschouwers zwaar gewond zijn geraakt.

Verdachte heeft op 22 augustus 2004 deelgenomen aan een zogenaamde regelmatigheidsrace, de Eexterklasse. Deze race werd gehouden in het kader van een evenement met oude motoren. Teneinde dit evenement mogelijk te maken is op 11 mei 2004 door de gemeente Aa en Hunze een besluit genomen waarbij ten behoeve van dit evenement verkeersmaatregelen werden genomen. Dit besluit behelsde onder andere een afsluiting van het centrum van Eext voor alle verkeer, met uitzondering van voetgangers op 22 augustus 2004.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte, mede gelet op bovengenoemd besluit van de gemeente Aa en Hunze, als verkeersdeelnemer kan worden aangemerkt. De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat het primair tenlastegelegde feit bewezen wordt verklaard aangezien verdachte als verkeersdeelnemer heeft deelgenomen aan de motorwedstrijd. Hiertoe heeft de officier van justitie betoogd dat het besluit van de gemeente niet tot een algehele afsluiting voor het verkeer strekte, immers in de gesloten verklaring voor het verkeer werd een uitzondering gemaakt voor voetgangers. De officier van justitie heeft voorts, gelet op de aard van de activiteit en het feit dat verdachte zich ervan bewust was dat hij deelnam aan het verkeer, geconcludeerd dat verdachte als verkeersdeelnemer kan worden aangemerkt.

De rechtbank kan zich niet verenigen met de conclusie van de officier van justitie. Hierbij is doorslaggevend dat er naar het oordeel van de rechtbank sprake was van een afgesloten circuit. De toegang tot het racecircuit was beperkt tot de personen betrokken bij de organisatie en tot de door de organisatie toegelaten deelnemers van het evenement. De door de gemeente getroffen verkeersmaatregel betreft het gebied buiten dit circuit. De toegang van de voetgangers in het centrum van Eext was beperkt tot de gebieden buiten de dranghekken, waar zij als publiek de verschillende onderdelen van het evenement konden bijwonen. De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat verdachte niet als verkeersdeelnemer heeft deelgenomen aan de in de tenlastelegging bedoelde motorwedstrijd zodat hij van het primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

BEWIJSMIDDELEN

Overeenkomstig de nader op te nemen bewijsconstructie.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 22 augustus 2004 te Eext, gemeente Aa en Hunze, roekeloos als bestuurder van een motorfiets, daarmede rijdende over de Stationsstraat, welke Stationsstraat deel uitmaakte van een zogeheten stratencircuit waarop motorwedstrijden werden gehouden, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden, hebbende verdachte namelijk tijdens een op dat stratencircuit gehouden motorwedstrijd, genaamd de Eexterklasse

* die door hem bestuurde motorfiets niet voortdurend onder controle gehouden en

* met die door hem bestuurde motorfiets gereden, terwijl met de rem aan het voorwiel van die motorfiets geen vertraging kon worden teweeggebracht en

* met die door hem bestuurde motorfiets gereden, terwijl met de rem aan het achterwiel onvoldoende vertraging kon worden teweeggebracht en

zijnde verdachte

* gekomen bij een in die Stationsstraat gecreëerde bocht naar rechts, gezien vanuit verdachtes rijrichting, niet die bocht gaan volgen, maar met aanzienlijke snelheid, rechtdoor gereden, verder die Stationsstraat in, welk door hem als laatst bereden gedeelte van die Stationsstraat als zogeheten uitloopstrook voor deelnemers aan die wedstrijd was bedoeld,

waardoor hij met die door hem bestuurde motorfiets is gebotst tegen aan het einde van die uitloopstrook dwars op de rijbaan van die Stationsstraat geplaatste dranghekken, waarachter zich personen, onder wie [naam slachtoffer] en [naam slachtoffer] en [naam slachtoffer], bevonden, waardoor het aan zijn schuld te wijten is

* dat [naam slachtoffer] zodanig letsel heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden en

* dat [naam slachtoffer] en [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel hebben bekomen.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring.

De rechtbank is van oordeel dat het rijgedrag van verdachte gedurende de race kan worden gekwalificeerd als roekeloos. De rechtbank verwijt verdachte dat hij heeft deelgenomen aan de race op een voor hem onbekende motor. Bij deze motor, van Engelse makelij, bevindt het rempedaal zich, in tegenstelling tot wat gebruikelijk is, aan de linkerzijde. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij geen rijervaring heeft met motoren waarbij het rempedaal zich aan de andere zijde van de motor bevindt. Uit verschillende getuigenverklaringen van toeschouwers omtrent de rijstijl van verdachte gedurende de wedstrijd is gebleken dat verdachte opvallend rijgedrag vertoonde, dat door de getuigen wordt benoemd als stevig en agressief. Hieruit concludeert de rechtbank dat verdachte zich geen rekenschap heeft gegeven van zijn onervarenheid met het besturen van deze - afwijkende en hem onbekende - motor.

Verdachte heeft het voorts niet noodzakelijk geacht de motor voorafgaand aan de wedstrijd te controleren. Hij heeft zelfs geen oppervlakkige inspectie uitgevoerd. Hij heeft zich er evenmin van vergewist of de motor de voor de wedstrijd verplichte technische keuring met goed gevolg had doorstaan. Uit het dossier blijkt dat een door de organisatie in orde bevonden motor werd voorzien van een sticker, zodat dit door verdachte eenvoudig kon worden gecontroleerd. Uit het technisch rapport van het Kernteam Verkeerstaken van de politie Drenthe kan worden afgeleid dat op basis van uiterlijke kenmerken zichtbaar was dat de motor een slechte staat van onderhoud kende. De banden waren uitgedroogd, de afsluitdop van het remvloeistofreservoir ontbrak en er bevond zich veel roest op de remschijven van de voorrem.

Uit het technisch rapport blijkt bovendien dat de bestuurder van de motor tijdens de race de gebrekkige werking van de remmen moet hebben opgemerkt. Het rapport stelt dat bij het bedienen van de voorremhandel geen remdruk werd opgebouwd en dat de bestuurder hierdoor moet hebben bemerkt dat het voorwiel niet werd beremd. Verdachte heeft ook verklaard dit tijdens de race te hebben gemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank had dit voor verdachte aanleiding moeten zijn om zijn deelname aan de race te beëindigen. Verdachte heeft dit niet gedaan, in tegendeel. Verdachte heeft vlak voor de finish nogmaals gas gegeven zodat hij een andere deelnemer kon inhalen. Hierdoor is hij met aanmerkelijke snelheid over de finish gegaan en doordat ook de achterrem niet meer bleek te functioneren heeft hij de daarop volgende bocht niet kunnen halen waarna hij met zijn motor op het publiek is ingereden. De rechtbank acht de conclusie dat verdachte op een roekeloze wijze heeft gereden op grond van het bovenstaande gerechtvaardigd.

Ter terechtzitting hebben verdachte en zijn raadsman er meermalen op gewezen dat ook de organisatie een verwijt kan worden gemaakt zowel voor wat betreft de opstelling van het publiek rondom het circuit als voor het feit dat een aantal bij de organisatie betrokken personen ervan op de hoogte was dat de motor waarop verdachte wilde deelnemen aan de race in slechte staat verkeerde.

In het midden latend of de organisatie op deze punten een verwijt kan worden gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat een en ander verdachte niet ontslaat van zijn verantwoordelijkheid om niet met een gebrekkige motor aan de race deel te nemen en te blijven deelnemen, terwijl hij in het verloop van de race bovendien moet hebben gemerkt dat het remvermogen van de motor nog verder afnam. Verdachte heeft zelf kunnen waarnemen op welke wijze het parcours was afgezet en hoe het publiek was opgesteld, zonder dat hij daarop zijn rijstijl voldoende heeft aangepast. Voor de beoordeling van het subsidiair tenlastegelegde feit is voorts met name het rijgedrag van verdachte op het laatste deel van de wedstrijd, dat wil zeggen vlak voor de finish, van belang.

De verdachte zal van het subsidiair meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

KWALIFICATIE

Het bewezen verklaarde levert op:

aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn,

strafbaar gesteld bij artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht;

aan zijn schuld te wijten dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, meermalen gepleegd,

telkens strafbaar gesteld bij artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht.

STRAFBAARHEID

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

STRAFMOTIVERING

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking:

* de aard en de ernst van het gepleegde feiten;

* de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan;

* hetgeen de rechtbank is gebleken omtrent de persoon van de verdachte;

* de eis van de officier van justitie;

* de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 16 november 2004, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van snelheidsovertredingen is bestraft.

De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf in het bijzonder rekening gehouden met de zeer ernstige gevolgen van het ongeval. De botsing met het publiek heeft tot het overlijden van mevrouw [naam slachtoffer] geleid. Naast het ingrijpende verlies van zijn echtgenote heeft de heer [naam slachtoffer] bovendien blijvend letsel opgelopen. Hij heeft verschillende operaties aan zijn been moeten ondergaan, waardoor hij 2 maanden in het ziekenhuis heeft gelegen, gevolgd door verblijf in een revalidatiecentrum gedurende 2 maanden. Het ongeval heeft tot een ernstige beschadiging aan zijn oogzenuw geleid waardoor de heer [naam slachtoffer] aan zijn linkeroog blind is geraakt. Hij wordt dagelijks geconfronteerd met zowel de psychische als de lichamelijke gevolgen van het ongeval.

Mevrouw [naam slachtoffer] heeft bij het ongeval letsel aan haar been bekomen, hetgeen na een aantal maanden tot een operatie heeft geleid. Blijvend letsel, in de zin van zwellingen en bewegingsbeperkingen, wordt niet uitgesloten blijkens de verklaring van de huisarts.

Mede gelet op het blijvende leed dat is veroorzaakt door de roekeloze rijstijl van verdachte, acht de rechtbank het verwijtbaar dat verdachte de verantwoordelijkheid voor het ongeval steeds buiten zichzelf legt en zijn eigen aandeel in het ongeval niet althans onvoldoende onderkent. De spijtbetuigingen van verdachte ter terechtzitting hebben de rechtbank niet overtuigd.

De rechtbank is bovendien van oordeel dat de eerdere veroordelingen terzake van snelheidsovertredingen blijk geven van een laakbare verkeersmentaliteit bij verdachte. Dit klemt eens te meer daar verdachte werkzaam is als internationaal chauffeur, in welke functie hij zich terdege bewust zou moeten zijn van de grote risico's die roekeloos rijgedrag met zich mee kunnen brengen.

Voorts dient te worden opgemerkt dat een ontzegging van de rijbevoegdheid, zoals door de officier van justitie geëist, niet tot de mogelijkheden behoort, aangezien de rechtbank verdachte van het primair tenlastegelegde vrijspreekt.

De rechtbank is van oordeel dat de hierboven omschreven omstandigheden tot uitdrukking dienen te worden gebracht in de strafmaat. Nu de oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid is uitgesloten, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

BENADEELDE PARTIJ [naam benadeelde partij]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De vordering acht zij tot na te noemen bedrag voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en tot na te noemen bedrag voor toewijzing vatbaar. Ten aanzien van de overige kosten acht de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering, nu deze post onvoldoende is onderbouwd. Voor dit deel kan de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

BENADEELDE PARTIJ [naam benadeelde partij]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De vordering acht zij voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en voor toewijzing vatbaar.

SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Met betrekking tot het subsidiair bewezen verklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht tot na te noemen bedragen aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de slachtoffers.

TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 24c, 36f en 55 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING VAN DE RECHTBANK

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair tenlastegelegd is en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot

gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij] van de som van ? 3000,- en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat zij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen en bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten draagt.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, een bedrag van ? 3000,- te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 60 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij] van de som van ? 1279,33 en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, een bedrag van ? 1279,33 te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 26 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van de slachtoffers de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter en mrs. J.J. Schoemaker en O.J. Bosker, rechters in tegenwoordigheid van mr. A. Meijers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 12 juli 2005.