Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2005:AT8053

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
16-06-2005
Datum publicatie
22-06-2005
Zaaknummer
05/494 en 04/877
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bouw 24 woningen aan de Wouwstraat, hoek Violenstraat te Assen kan doorgaan.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Kenmerk: 05/494 en 04/877 WRO

U I T S P R A A K

van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Assen op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het geding tussen:

[verzoekster], wonende te Assen, verzoekster,

en

Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Assen, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2004 heeft verweerder de bezwaren van verzoekster tegen het besluit van 15 maart 2004 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: WRO) en een bouwvergunning aan Haan en Rotman Vastgoed BV te Kropswolde (verder Haan en Rotman) voor de bouw van 24 woningen op het ter plaatse bekende perceel aan de Wouwstraat, hoek Violenstraat te Assen.

Namens verzoekster is bij brief van 14 september 2004 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld (het geding 04/877).

Bij brief van 26 mei 2005 is tevens namens verzoekster aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (het geding 05/494).

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. De gemachtigde van verzoekster heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 16 juni 2005, alwaar, daartoe ambtshalve opgeroepen namens verzoekster mr. R.J.B. Caderius van Veen, advocaat te Assen, is verschenen. Hij heeft het verzoek nader toegelicht.

Voor verweerder zijn verschenen, daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen, mevrouw O. Coenraadts en mr. G.H. Wildeboer. Zij hebben het standpunt van verweerder nader uiteen gezet.

Namens Haan en Rotman is de heer Haan verschenen, daartoe ambtshalve opgeroepen bijgestaan door mr. P. van Wijgaarden, advocaat te Groningen.

II. Motivering

Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan wanneer beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Feiten en omstandigheden

Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de voorzieningenrechter de volgende feiten en omstandigheden.

Op 11 december 2002 heeft Haan en Rotman een aanvraag om een bouwvergunning voor de bouw van 23 of 24 woningen op bovenvermeld perceel te Assen ingediend.

De realisatie van het complex is in strijd met het vigerende bestemmingsplan “Assen Oost II”, welke is vastgesteld op 28 januari 1993 en op 31 augustus 1993 is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Drenthe. Zo stelt het bestemmingsplan dat de goothoogte van een te bouwen gebouw niet hoger mag zijn dan 6 meter, terwijl het bouwplan uitgaat van een goothoogte van 8,5 meter en voorts dat minimaal 40% van het gebied achter de voorgevel onbebouwd moet blijven, terwijl met de bouw van het complex 30% onbebouwd blijft. Gelet hierop is door verweerder een procedure op grond van artikel 19, eerste lid van de Wet op de Ruimtelijke ordening (WRO) gestart.

Op 21 mei 2003 heeft verzoekster een zienswijze ten aanzien van de voorgenomen verlening van de bouwvergunning ingediend. Een hoorzitting naar aanleiding daarvan heeft op 10 juli 2003 plaatsgevonden. Verweerder heeft een onderzoek laten verrichten in verband met de geluidsoverlast.

Verweerder heeft op 15 maart 2004 onder het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, WRO de gevraagde bouwvergunning verleend. Aan verzoekster is dit besluit op 22 maart 2004 kenbaar gemaakt.

Verzoekster heeft op 20 april 2004 een bezwaarschrift ingediend. Een hoorzitting heeft 1 juni 2004 plaatsgevonden. De Algemene Commissie Bezwaarschriften (ACB) heeft op 7 juni 2004 advies uitgebracht. Naar de mening van de ACB heeft verweerder het primaire besluit op een aantal punten onvoldoende gemotiveerd.

Verweerder heeft vervolgens, conform een ambtelijk voorstel, bij het thans bestreden besluit het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Standpunten van partijen

Kort samengevat en in hoofdzaak voert verzoekster het volgende aan.

Verzoekster stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat het te bouwen complex een verstoring van haar leefklimaat ten gevolg heeft. Zowel het huis als de tuin van verzoekster komen voor een aanzienlijke periode van het jaar in de schaduw te staan. Verzoekster zal worden verstoten van zonlicht, te meer omdat een groot deel van haar ramen aan de kant van het te bouwen complex is gesitueerd. Verzoekster vreest voor een negatief effect op haar gezondheid en gemoedstoestand. Voorts meent verzoekster dat zij hogere energiekosten zal krijgen, omdat zij binnenshuis meer kunstmatig licht zal moeten gaan gebruiken en meer zal moeten stoken. Naar de mening van verzoekster zal haar uitzicht worden beperkt en zal haar woning in waarde dalen. Ook zal de privacy worden aangetast, omdat het te bouwen complex te dicht bij haar perceel wordt gebouwd en de ramen van het complex uitzicht hebben op de tuin en woning van verzoekster.

In de tweede plaats meent verzoekster dat geen sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing. Naar de mening van verzoekster past het complex niet in de straat en omgeving. Verzoekster verwijst in dit verband naar het bestemmingsplan waar wordt gesproken over: “zeer ruim opgezet, brede straatprofielen en diepe achtertuinen”. Volgens verzoekster past het complex niet in dat beeld.

In de optiek van verzoekster is van een goede ruimtelijke ordening geen sprake wanneer tussen haar perceel en het complex een afstand van 1,5 in plaats van 3 meter wordt gehanteerd. Verzoekster verwijst in dit verband naar omliggende woningen waar de afstand tussen de woning en de perceelgrens 3 meter bedraagt.

In de derde plaats meent verzoekster dat het besluit conform het advies van de ACB gegrond verklaard had moeten worden hetgeen met zich mee zal brengen dat verweerder de gemaakte proceskosten had moeten vergoeden.

In de vierde plaats voert verzoekster aan dat het besluit onrechtmatig tot stand is gekomen, omdat verweerder heeft nagelaten een schadevergoeding aan te bieden.

Ten aanzien van het standpunt van verweerder inzake de schaduwwerking, stelt verzoekster dat verweerder ten onrechte enkel uitgaat van de schaduw ten opzichte van de woning en niet ook ten opzichte van de tuin. Verzoekster bestrijdt het standpunt van verweerder dat de schaduw gering is. Verzoekster bestrijdt voorts verweerders interpretatie van de schaduwtekeningen alsmede de juistheid van deze tekeningen. In dit verband vraagt verzoekster de rechtbank een deskundige aan te wijzen.

Op grond van het voorgaande meent verzoekster dat het besluit onvoldoende is voorbereid, niet gemotiveerd is en dat de belangen onjuist zijn afgewogen.

Verweerder voert in hoofdzaak aan dat de bezwaren van verzoekster in verband met de schaduwwerking ongegrond zijn. De verminderde lichttoetreding in de woning moet naar de mening van verweerder in het juiste perspectief worden geplaatst. Verweerder meent voorts dat ten aanzien een ander te bouwen gebouw, dat wel past binnen de grenzen van het bestemmingsplan, een goothoogte van 6 meter is toegestaan, zodat ook in dat geval sprake zal zijn van schaduwwerking. Voorts schrijft het bestemmingsplan geen minimale afstand voor tussen het te bouwen gebouw en de perceelgrens van verzoekster.

Ten aanzien van de bezwaren van verzoekster in verband met de schending van de privacy meent verweerder dat het uitzicht voor een deel wordt verminderd door ondoorzichtig glas, de functie van de ruimtes waarin de ramen zijn geplaatst en de verwachting dat de toekomstige bewoners maatregelen zullen nemen in verband met hun eigen privacy. Naar de mening van verweerder is er geen sprake van een ernstige schending van de privacy. Voorts worden naar de mening van verweerder schendingen van privacy verschillend door personen ervaren.

Verweerder is voorts van mening dat sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing. Volgens verweerder schrijft zowel het bestemmingsplan als het bouwbesluit geen minimale afstand voor tussen het te bouwen gebouw en de perceelgrens van verzoekster. Alleen het achterste gedeelte van het complex wordt op 1,15 meter afstand van het perceel van verzoekster gebouwd.

Ten aanzien van de belangenafweging meent verweerder dat de belangen van verzoekster, welke neerkomen op behoud van privacy en zonlicht, niet opwegen tegen het belang van de vergunninghouder en het algemeen belang, welke neerkomt op het bouwen van woningen in Assen.

Voorzover verzoekster meent dat de schaduwtekeningen niet zijn gemaakt door een onafhankelijke en onpartijdige deskundige, merkt verweerder op dat verzoekster evenmin komt met onpartijdig gemaakte tekeningen.

Ten aanzien van het standpunt van verzoekster dat verweerder schadevergoeding heeft moeten aanbieden, meent verweerder, nog afgezien van de vraag of er daadwerkelijk schade zal ontstaan, dat als er schade ontstaat dat deze schade niet buiten het normaal maatschappelijk risico valt. Nadeelcompensatie is naar de mening van verweerder niet aan de orde.

Toepasselijke regelgeving

Ter plaatse vigeert het bestemmingsplan “Assen Oost II”. Het onderhavige perceel ligt op gronden met de bestemming ‘kantoren’.

Op voet van het bepaalde in artikel 6, inhoudende algemene voorschriften omtrent bebouwing, mag de goothoogte van een hoofdgebouw niet meer bedragen dan 6 meter tenzij anders is aangegeven.

Verweerder is, op grond van het bepaalde in onderdeel 14 van dit artikel, bevoegd om vrijstelling van dit voorschrift te verlenen tot een goothoogte van ten hoogste 8 meter, mits het gebruik van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig wordt aangetast.

Onderdeel 6 van artikel 6 bepaalt -samengevat- dat van een bouwperceel dat als woonperceel dienst doet, minimaal 40% van het gebied gelegen achter de voorgevel, dan wel achter het verlengde daarvan onbebouwd dient te worden gelaten.

Beoordeling

Gesteld voor de beoordeling van de houdbaarheid in rechte van het bestreden besluit overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

In de eerste plaats stelt de voorzieningenrechter vast dat het ter plaatse vigerende bestemmingsplan de bouw van een complex als het onderhavige in beginsel mogelijk maakt.

In casu is sprake van strijdigheid met het bestemmingsplan daar waar het gaat om de goothoogte van het bouwplan en voor wat betreft het voorschrift dat van een bouwperceel dat als woonperceel dienst doet, minimaal 40% van het gebied gelegen achter de voorgevel, dan wel achter het verlengde daarvan onbebouwd dient te worden gelaten.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in de door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist.

Het bouwplan dient voorts te zijn voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

Bij besluit van 24 juni 2003 hebben gedeputeerde staten van Drenthe het Gewijzigd hoofdstuk 2, Notitie WRO-wijzigingen vastgesteld, waaronder de lijst van gevallen ex artikel 19, tweede, van de WRO. Hierin is, voor zover hier van belang, bepaald dat burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen van het geldende bestemmingsplan, zonder dat vooraf een verklaring van geen bezwaar is ontvangen, ten behoeve van de bouw van woningen binnen bestaand stedelijk gebied in de als streekcentrum aangemerkte kernen.

Daarmee is in casu naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldaan aan de formele vereisten voor het kunnen verlenen van de in geding zijnde vrijstelling.

Met betrekking tot de vereiste goede ruimtelijke onderbouwing overweegt de voorzieningenrechter dat daaraan, in aanmerking nemende het feit dat het onderhavige bouwplan valt onder de lijst van gevallen ex artikel 19, lid 2, van de WRO zoals vastgesteld door gedeputeerde staten van Drenthe, geen zware eisen behoeven te worden gesteld.

In het kader daarvan stelt de voorzieningenrechter vast dat niet is gebleken van een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan. Gelet hierop dient, gelet op artikel 19, tweede lid, WRO, bij de beoordeling of sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing in elk geval te worden ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel dient er te worden gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Volgens een als ruimtelijke onderbouwing aangeduid advies van de dienst Ontwikkeling van 23 april 2003 past het geheel in het bestemmingsplan. Gezien de ligging in de nabijheid van het station en de afstand naar het centrum is deze locatie uitermate geschikt voor woningbouw voor senioren en jongeren. In het bestreden besluit heeft verweerder vervolgens één en ander verder aangevuld c.q. aangepast, in welk verband verweerder stelt dat het bestemmingsplan noch het bouwbesluit een minimale afstand voorschrijven tussen het te bouwen gebouw en de perceelgrens van verzoekster en dat het achterste gedeelte van het complex op 1,15 meter afstand van het perceel van verzoekster wordt gebouwd.

Mede bezien in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bouwplan daarmee is voorzien van een voldoende te achten ruimtelijke onderbouwing.

Vastgesteld hebbende dat aan de formele vereisten teneinde de in geding zijnde vrijstelling te kunnen verlenen is voldaan, dient de voorzieningenrechter vervolgens de vraag te beantwoorden of verweerder in casu in redelijkheid tot het verlenen van deze vrijstelling heeft kunnen besluiten.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient deze vraag bevestigend te worden

beantwoord. Weliswaar heeft verzoekster aangevoerd dat het onderhavige bouwplan een nadelig effect zal hebben voor wat betreft de zonlichttoetreding op haar perceel en voorts dat haar privacy als gevolg van dit bouwplan zal worden aangetast, doch de voorzieningenrechter is van oordeel dat deze voor verzoekster nadelige effecten van het bouwplan zich niet in die mate voordoen, dat om die reden verweerder van het verlenen van de in geding zijnde vrijstelling had behoren af te zien.

Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat alleen het achterste deel van de zijdelingse perceelsgrens op een afstand van 1.15 meter van het onderhavige bouwwerk is gelegen en niet de gehele zijdelings perceelsgrens. Voorts acht de voorzieningenrechter in dit kader van belang dat het bestemmingsplan de bouw ter plaatse mogelijk maakt van een qua omvang en hoogte vergelijkbaar gebouw, alsmede dat, voor wat betreft verzoeksters privacy, maatregelen getroffen zullen worden, bestaande uit het ondoorzichtig maken van een aantal ramen van waaruit uitzicht op het perceel van verzoekster bestaat.

Met betrekking tot de vermindering van de zonlichttoetreding baseert de voorzieningenrechter zich hierbij op de zich onder de gedingstukken bevindende tekeningen waarin de schaduwwerking van het onderhavige bouwplan inzichtelijk is gemaakt.

De voorzieningenrechter ziet daarbij geen aanleiding verzoekster in haar betoog te volgen dat de juistheid van deze tekeningen in twijfel zou moeten worden getrokken. Te meer niet, nu de voorzieningenrechter geen (significante) verschillen zijn gebleken tussen de beide tekeningen en verzoekster dit argument niet (nader) heeft onderbouwd door bijvoorbeeld een door een derde (deskundige) vervaardigde tekening over te leggen.

Met betrekking tot de stelling van verzoekster dat zij als gevolg van het onderhavige bouwplan schade heeft geleden c.q. zal lijden overweegt de voorzieningenrechter, dat verzoekster een verzoek om planschadevergoeding als bedoeld in artikel 49 van de WRO kan indienen. Voorzover verzoekster beoogt te betogen dat zij geen schadevergoeding in de zin van artikel 49 van de WRO wenst, maar op grond van het zogenaamde ‘égalitébeginsel’, overweegt de rechtbank dat verweerder tot het bestreden besluit kan komen, zonder aanvullend een aanbod tot schadevergoeding te doen.

Om die reden gaat een oordeel daarover het bestek van de onderhavige procedure te buiten en zal de voorzieningenrechter zich daarover niet uitlaten.

Alles overziende komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat in hetgeen verzoekster heeft doen aanvoeren geen aanleiding kan worden gevonden voor een vernietiging van het bestreden besluit.

Ook anderszins ziet de voorzieningenrechter daartoe geen aanleiding, zodat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Om die reden bestaat er geen aanleiding de gevraagde voorlopige voorziening te treffen, zodat het verzoek daartoe dient te worden afgewezen.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslist wordt als volgt.

III. Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep:

- verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

- wijst het verzoek af.

Uitsluitend tegen de uitspraak op het beroep kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepsschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA ‘s-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

Aldus gegeven door mr. J.L. Boxum, voorzieningenrechter en uitgesproken in het

openbaar op 16 juni 2005

door mr. J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van mr. W.P. Claus, griffier.

mr. W.P. Claus mr. J.L. Boxum

Afschrift verzonden op:

typ: wpc