Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2005:AS8291

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
24-02-2005
Datum publicatie
28-02-2005
Zaaknummer
05/130 en 131
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Stopzetting bouwrijp maken Ter Borch.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Kenmerk: 05/130 en 05/131 WRO

U I T S P R A A K

van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Assen op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het geding tussen:

1. Milieufederatie Drenthe en de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, verzoekers 1

2. [verzoekers], verzoekers 2

en

Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Tynaarlo, verweerder.

I. Procesverloop

Verzoekers hebben op respectievelijk 15 januari 2005 en 20 januari 2005 bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 13 december 2004. Daarbij heeft verweerder aan zichzelf vrijstelling verleend van het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied Eelde" voor het bouwrijp maken van de deelgebieden Tuinwijk-Zuid en Het Groene Lint te Eelderwolde ter voorbereiding van woningbouw, te weten 1250 woningen, in deze gebieden.

Verzoekers hebben de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraken van 1 en 7 februari 2005 kenmerken 05/50 en 05/52 heeft de voorzieningenrechter deze verzoeken afgewezen.

Bij brieven van 7 en 8 februari 2005 hebben verzoekers zich wederom tot de voorzieningenrechter gewend.

Verweerder is van deze verzoeken op de hoogte gebracht. Voor de op de zaak betrekking hebbende stukken wordt verwezen naar de stukken die zijn overgelegd in de zaken met kenmerken 05/50 en 05/52.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 16 februari 2005, alwaar namens verzoekers vermeld onder 1 zijn verschenen mr. R.C.M. Kamsma, N. Altena en R. Scheringa. Verzoekers vermeld onder 2 zijn in persoon verschenen. Voor verweerder zijn J.E. Ploeger, R. Ernens en E. Hamhuis verschenen.

II. Motivering

Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is voldaan aan het connexiteitsvereiste. Ook overigens is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

Feiten en omstandigheden

Gelet op de Regiovisie Groningen-Assen 2030 en het Provinciaal Omgevingsplan ziet de gemeente Tynaarlo zich geplaatst voor een taakstelling voor de bouw van 1250 woningen.

De voormalige gemeente Zuidlaren heeft op 20 april 1999 het bestemmingsplan Ter Borch vastgesteld, welk plan onder meer voorzag in een woongebied, kantoren en bedrijven. Dit plan is door GS goedgekeurd op 23 november 1999. Op 24 juli 2002 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State aan dit plan goedkeuring onthouden.

Bij besluit van 24 augustus 2004 heeft de raad van de gemeente Tynaarlo het nieuwe bestemmingsplan "Ter Borch" vastgesteld. In verband met inmiddels uitgevoerd nader onderzoek ten behoeve van de planontwikkeling en de ontwikkelde verkeershoofdstructuur is het oorspronkelijke plan hierbij op een aantal punten aangepast. De thans aan de orde zijnde gronden zijn bij dit bestemmingsplan grotendeels bestemd voor "uit te werken woongebied" en "wegverkeer".

Tegen dit nieuwe bestemmingsplan zijn door onder meer verzoekers bedenkingen ingediend. De Provinciale Commissie voor het Omgevingsbeleid (Commissie voor gemeentelijke bestemmingsregelingen) heeft GS geadviseerd de ingebrachte bedenkingen ongegrond te verklaren.

Op 21 juli 2004 heeft GS, voor de duur van drie jaar en onder de daarin opgenomen voorwaarden, een algemene verklaring van geen bezwaar verstrekt als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO voor de realisering van de deelgebieden Het Groene Lint en Tuinwijk.

Op 13 oktober 2004 heeft verweerder meegedeeld voornemens te zijn met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ten behoeve van het bouwrijp maken van de deelgebieden Tuinwijk-Zuid en Het Groene Lint te Eelderwolde vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan "Buitengebied Eelde", aangezien die werkzaamheden in overeenstemming zijn met het toekomstige bestemmingsplan "Ten Borch". Belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld hun zienswijze tegen dit voornemen kenbaar te maken. Verzoekers hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Bij het thans bestreden besluit van 13 december 2004 heeft verweerder, onder weerlegging van de ingebrachte zienswijzen, aan zichzelf vrijstelling verleend van het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied Eelde" voor het bouwrijp maken van de deelgebieden Tuinwijk-Zuid en Het Groene Lint te Eelderwolde ter voorbereiding van woningbouw, 1250 woningen, in deze gebieden. Voor de ruimtelijke onderbouwing heeft verweerder daarbij verwezen naar het ontwerp bestemmingsplan "Ter Borch" en de daaraan voorafgaande onderzoeksrapporten. Aangegeven is daarbij dat rekening is gehouden met bepaalde archeologische verwachtingen en de gevolgen voor flora en fauna door aan de ontheffing bepaalde voorwaarden te verbinden. Ten aanzien van de fora en fauna is tevens verwezen naar de in de toelichting bij het bestemmingsplan opgenomen aanbevelingen en de op de plankaart als "natuur" aangewezen ecozones. Aangegeven is wel dat de gemeente voor het inrichten van die zones afhankelijk is van de financiële steun van derden.

Op 4 februari 2005 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de gemeente Tynaarlo op grond van artikel 75 van de Flora- en Faunawet ontheffing verleend van de verbodsbepalingen genoemd in de artikelen 8,9, 10, 11 en 13 van diezelfde wet. Daarbij zijn een aantal voorschriften opgenomen.

Standpunten partijen

Verzoekers stellen - kortgezegd - dat het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing ontbeert, nu onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de daaraan grenzende Eelder- en Peizermaden, zijnde een kerngebied in de Ecologische Hoofdstructuur. Zij verwijzen hierbij onder meer naar de eisen die voortvloeien uit het Structuurschema Groene Ruimte. De getroffen compenserende maatregelen achten zij onvoldoende. Verzoekers stellen voorts dat een milieueffectrapportage en - op grond van Richtlijn 2001/42/EG - een strategische milieubeoordeling had moeten plaatsvinden.

Volgens verzoekers ontbreekt voorts de benodigde aanlegvergunning en mag verweerder, gelet op de ontheffing op grond van de Flora- en Faunawet niet overgaan tot het bouwrijp maken voordat een plan is gemaakt dat ziet op de verplaatsing van de aanwezige diersoorten. Ook kan volgens verzoekers niet worden gekapt als bezwaar tegen de kapvergunningen wordt gemaakt, omdat een dergelijk bezwaar schorsende werking heeft.

Verzoekers vermeld onder 2 geven verder nog aan dat de ontsluiting van het nieuwe woongebied anders zal moeten komen te liggen.

Volgens verweerder is de ruimtelijke onderbouwing voldoende, worden de wezenlijke waarden en kenmerken van het kerngebied EHS niet aangetast en is het maatschappelijk belang van de woonwijk Ter Borch voldoende zwaarwegend aangetoond om een eventuele aantasting te rechtvaardigen.

Volgens verweerder is geen mer vereist en is Richtlijn 2001/42/EG niet van toepassing. Ook geldt volgens verweerder geen aanlegvergunningenstelsel.

Verweerder stelt dat de voorgenomen ontsluiting van het woongebied zorgvuldig tot stand is gekomen.

Beoordeling

De gronden waarop het bouwrijp maken betrekking heeft maken deel uit van het bestemmingsplan "Buitengebied Eelde" en zijn daarbij bestemd als "laagveenontginningen en beekdal". Niet in geschil is dat de werkzaamheden met deze bestemming in strijd zijn.

In artikel 19 van de WRO is, voor zover hier van belang, bepaald:

"1. De gemeenteraad kan, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

2. Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing."

Met gebruikmaking van de algemene verklaring van geen bezwaar, heeft verweerder met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling verleend.

De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens geplaatst voor de vraag of sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing. In dat verband is van belang dat het vigerende bestemmingsplan nog niet erg oud is en dat het onderhavige plan daarop een zeer grote inbreuk maakt. Verder is belangrijk dat er een nieuw bestemmingsplan is vastgesteld waarmee het bouwrijp maken ten behoeve van woningbouw en wegen in overeenstemming is, maar daarbij dient wel te worden aangetekend dat dit bestemmingsplan nadere uitwerking behoeft. Voorts vereist een goede ruimtelijke onderbouwing dat een zorgvuldig onderzoek wordt verricht naar de natuurlijke en ecologische waarden in het gebied. Daarbij speelt het Structuurschema Groene Ruimte en het aldaar bepaalde over gronden nabij kerngebieden van de ecologische hoofdstructuur een grote rol. Gelet daarop dient te worden beoordeeld of de wezenlijke kenmerken of waarden van het kerngebied al dan niet worden aangetast. Indien sprake is van een aantasting dient te worden beoordeeld of er een, uit onderzoek blijkend, zwaarwegend maatschappelijk belang is bij het project. Verder zal dan moeten worden beoordeeld of aan dit belang niet redelijkerwijs elders of op andere wijze tegemoet kan worden gekomen en of voldoende mitigerende en/of compenserende maatregelen zijn getroffen.

Verder is nog van belang of al dan niet een mer en een strategische milieubeoordeling als bedoeld in richtlijn 2001/42/EG vereist zijn. Daarbij doet zich de vraag voor of deze richtlijn rechtstreekse werking heeft, of deze richtlijn ook betrekking heeft op een verleende vrijstelling en of het daarin opgenomen overgangsrecht van toepassing is.

Gelet op bovengenoemde aspecten betreft het hier een complexe zaak die zich niet goed leent voor een inhoudelijke beoordeling door de voorzieningenrechter.

Als echter thans geen voorlopige voorziening wordt getroffen, zal verweerder met de werkzaamheden starten, hetgeen onomkeerbare gevolgen zal hebben voor de flora en fauna en overige natuurwaarden in het gebied. Verzoekers hebben dan ook een zeer groot belang bij een schorsing van het bestreden besluit.

Verweerder heeft aangegeven onmiddellijk met de werkzaamheden te willen beginnen nu reeds 19 bouwterreinen aan particulieren zijn uitgegeven. Dit is echter een gevolg dat verweerder zelf over zich heeft afgeroepen door al gronden uit te geven op een moment dat nog niet duidelijk was of het plan doorgang kon vinden. Bovendien zijn de gevolgen van een schorsing van het bestreden besluit voor verweerder beperkt. Gelet op de voorwaarden bij het bestreden besluit mogen de onderhavige werkzaamheden niet plaatsvinden in de periode 15 maart tot 15 juli. Uitgaande van de geldende beslistermijnen zou er op 15 juli 2005 reeds een beslissing op bezwaar moeten liggen. Dit betekent dat een schorsing van het bestreden besluit slechts een vertraging van minder dan vier weken zou inhouden. Bovendien is het, gelet op hetgeen door verzoekers naar voren is gebracht omtrent voorwaarde 7 bij de ontheffing op grond van de Flora- en Faunawet en de schorsende werking van bezwaarschriften tegen kapvergunningen, nog maar de vraag of die gehele periode kan worden benut voor het bouwrijp maken.

Overigens merkt de voorzieningenrechter nog op dat niet goed valt in te zien waarom de bestemmingsplanprocedure door verweerder niet is afgewacht. Gelet op de fase waarin die procedure verkeert, kan worden aangenomen dat deze procedure over niet al te lange tijd, en mogelijk zelfs voor 15 juli 2005, (in belangrijke mate) is afgerond. Dit is met name van belang nu een belangrijk deel van de thans voorliggende geschillen ook in die procedure aan de orde is of zal komen en daar definitief kunnen worden beslecht.

Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het belang van verzoekers bij schorsing van het bestreden besluit dient te prevaleren boven het belang van verweerder bij onmiddellijke uitvoering van de werkzaamheden. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt dan ook toegewezen in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst tot de beslissing op het bezwaarschrift.

Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekers. Deze worden voor verzoekers vermeld onder 1 begroot op € 644,- en voor verzoekers vermeld onder 2 op € 13,76. Tevens zal verweerder het door verzoekers betaalde griffierecht van € 273,- (verzoekers 1) en € 136,- (verzoekers 2) dienen te vergoeden.

III. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het bestreden besluit tot het moment dat door verweerder op de gemaakte bezwaren tegen het besluit van 13 december 2004 is beslist;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van respectievelijk € 644,- (verzoekers 1) en € 13,76 (verzoekers 2) en bepaalt dat de gemeente Tynaarlo dit bedrag, alsmede het door verzoekers betaalde griffierecht van respectievelijk € 273,- (verzoekers 1) en € 136,- (verzoekers 2) aan hen vergoedt.

Aldus gegeven door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter en uitgesproken in het

openbaar op 18 februari 2005 door mr. T.F. Bruinenberg, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Tobé, griffier.

mr. L.M. Tobé mr. T.F. Bruinenberg

Afschrift verzonden op: