Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2004:AR6324

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
09-11-2004
Datum publicatie
17-03-2005
Zaaknummer
04/66
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank dient in dit geschil te beoordelen of verweerder terecht en op goede gronden heeft geweigerd aan eiser op grond van de Ziektewet ziekengeld uit te keren, om de reden dat eiser een benadelingshandeling heeft gepleegd.

Wetsverwijzingen
Ziektewet 19
Ziektewet 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Enkelvoudige kamer

voor

bestuursrechtelijke zaken

Kenmerk: 04/66 ZW

U I T S P R A A K

In het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Groningen), verweerder.

I. Procesverloop

Bij het bestreden besluit van 9 december 2003 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit van 17 juni 2003 ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd, inhoudende dat aan eiser per 27 februari 2003 geen ziekengeld wordt uitgekeerd.

Namens eiser is bij brief van 20 januari 2004 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 23 februari 2004 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 12 oktober 2004, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. U. van Ophoven.

Eisers voormalige werkgever is, hoewel daartoe uitgenodigd, niet ter zitting verschenen.

Voor verweerder is verschenen mr. W. Hoogendorp.

II. Motivering

Feiten en omstandigheden

Eiser heeft een dienstbetrekking gehad bij [werkgever] BV (hierna: de werkgever).

De werkgever heeft op 17 februari 2003 met betrekking tot eiser een ontslagaanvraag ingediend bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI).

Eiser heeft zich op 27 februari 2003 bij zijn werkgever ziek gemeld.

Bij brief van 5 maart 2003 heeft eiser aan het CWI geschreven over zijn persoonlijke omstandigheden.

Op 12 maart 2003 heeft het CWI de werkgever toestemming verleend voor opzegging van de arbeidsverhouding, omdat de werkgever naar het oordeel van het CWI de ontslaggrond 'verwijtbaar handelen' aannemelijk had gemaakt.

Bij brief van 19 maart 2003 heeft de werkgever eiser ontslag aangezegd. Het dienstverband is op 31 mei 2003 beëindigd.

Bij het primaire besluit van 17 juni 2003 heeft verweerder eiser een uitkering ingevolge de Ziektewet geweigerd, waarbij onder meer is overwogen:

'Betreft: uw arbeidsongeschiktheid aangevangen op 27 februari 2003

(...)

Wij ontvingen van u een melding van uw arbeidsongeschiktheid. Wij hebben beoordeeld of u uitkering kunt krijgen van UWV Gak.

(...)

Wij kennen u geen ziektewetuitkering toe omdat u tijdens ziekte recht hebt op loondoorbetaling door uw werkgever aangezien u de nietigheid van het ontslag heeft ingeroepen. (...)'

Tegen dit primaire besluit heeft zowel eiser als zijn voormalige werkgever bezwaar gemaakt.

In zijn bezwaar van 1 juli 2003 heeft eiser aangevoerd dat hij zich op 3 februari 2003 ziek heeft gemeld bij de bedrijfsleider van [werkgever] BV en dat hij met ingang van die datum arbeidsongeschikt is. Eiser stelt dat het feit dat de werkgever de ziekmelding niet op 3 februari 2003 heeft doorgegeven, eiser niet kan worden aangerekend. Eiser heeft zich op 27 februari 2003 opnieuw ziek gemeld omdat hij op de eerste ziekmelding geen reactie had ontvangen.

Eiser heeft bij brief van 17 juli 2003 aan het CWI nogmaals zijn persoonlijke omstandigheden uiteengezet.

Bij brief van 25 juli 2003 heeft eisers voormalige werkgever eveneens bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Op 23 september 2003 heeft een hoorzitting plaatsgehad, waar eiser is gehoord. De voormalige werkgever van eiser is niet verschenen.

Bij brief van 18 november 2003 heeft de gemachtigde van eiser aan verweerder laten weten dat eiser gezien de bewijsproblematiek afzag van het inroepen van de nietigheid van het ontslag, maar dat er wel een procedure in gang was gezet strekkende tot schadevergoeding wegens kennelijk onredelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Vervolgens heeft verweerder in het besluit op bezwaar het primaire besluit gewijzigd in die zin dat indien eiser na het einde van het dienstverband arbeidsongeschikt is, hem terzake daarvan geen ziekengeld wordt uitgekeerd omdat hij een benadelingshandeling heeft gepleegd.

Het bij de kantonrechter aanhangige geschil tussen eiser en de werkgever is geëindigd in een schikking.

Standpunten partijen

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij zich reeds op 3 februari 2003 ziek heeft gemeld bij de bedrijfsleider van [werkgever] BV en niet pas op 27 februari 2003. Ten onrechte heeft verweerder meer waarde gehecht aan de stelling van de werkgever dienaangaande.

Voorts heeft verweerder ten onrechte aangenomen dat eiser een benadelingshandeling heeft gepleegd, waardoor er geen recht op ziekengeld bestaat. Er is geen sprake van verwijtbaar gedrag, waardoor de beëindiging van de dienstbetrekking wordt gerechtvaardigd.

De vermeende benadelingshandeling is in ieder geval niet zo ernstig dat deze de maatregel van een blijvende gehele weigering van de uitkering rechtvaardigen.

Verweerder stelt dat de arbeidsongeschiktheid van eiser op 27 februari 2003 is aangevangen, zijnde ná de datum waarop de ontslagaanvraag is gedaan.

Verweerder stelt voorts dat indien eiser na het einde van het dienstverband arbeidsongeschikt was, hij weliswaar recht had op ziekengeld, maar dat dit niet zou zijn uitgekeerd vanwege de maatregel die eiser wordt opgelegd wegens de benadeling van het Wachtgeldfonds. Eiser heeft zich namelijk verwijtbaar gedragen door veelvuldig ongeoorloofd niet op het werk te verschijnen of zonder opgaaf van redenen en tegen de gemaakte afspraken in zijn afwezigheid met meerdere dagen te verlengen. Het had eiser redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze gedragingen tot beëindiging van het dienstverband zouden kunnen leiden.

Eiser heeft geen verweer gevoerd tegen de gedragingen waarop de ontslagvergunning is gebaseerd. Daarom wordt aan de juistheid ervan niet getwijfeld. Van verminderde of het ontbreken van verwijtbaarheid is niet gebleken.

Verweerder stelt dat eiser heeft gehandeld in strijd met zijn plicht op grond van onderdeel A, vijfde categorie, onder 3, van de bijlage bij het Maatregelenbesluit Tica.

Toepasselijke regelgeving

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Ziektewet (hierna ook: ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.

Ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de Ziektewet weigert

het UWV het ziekengeld geheel of gedeeltelijk indien de verzekerde door zijn

doen of nalaten het Algemeen Werkloosheidsfonds of het wachtgeldfonds benadeelt of zou kunnen benadelen.

Bij het Maatregelenbesluit Tica zijn nadere regels ter zake gesteld. Ingevolge artikel 2, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder d, van dit besluit en met bijlage A bij het besluit, wordt bij het niet nakomen van een aan de Ziektewet gerelateerde verplichting in de vijfde categorie, ten derde, een nader te bepalen maatregel opgelegd.

Voormelde vijfde categorie, onder ten derde, luidt:

3°. De verzekerde is verplicht zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het wachtgeldfonds of het Uitvoeringsfonds voor de overheid niet benadeelt of zou kunnen benadelen door te handelen of na te laten voorzover niet genoemd in deze categorie, ten 2° (artikel 45, eerste lid, onderdeel j, van de ZW).

Beoordeling

De rechtbank dient in dit geschil te beoordelen of verweerder terecht en op goede gronden heeft geweigerd aan eiser op grond van de Ziektewet ziekengeld uit te keren, om de reden dat eiser een benadelingshandeling heeft gepleegd.

Voordat de rechtbank aan voornoemde beoordeling toekomt, zal de door eiser opgeworpen vraag worden beantwoord op welke datum eisers arbeidsongeschiktheid aanving.

Niet in geschil is dat eiser zich in ieder geval op 27 februari 2003 bij zijn werkgever ziek heeft gemeld. Vast staat dat eiser er niet toe is overgegaan de nietigheid van het ontslag in te roepen op grond van het feit dat door zijn werkgever na het intreden van de arbeidsongeschiktheid een verzoek om een ontslagvergunning is ingediend en na inwilliging daarvan tot opzegging is overgegaan. In dat verband wordt gewezen op het bepaalde in artikel 7:670, eerste lid, sub b, van het BW.

Wel stelt eiser dat hij zich reeds op 3 februari 2003 ziek heeft gemeld. Bewijs van zijn stelling heeft eiser -ook naar eigen zeggen- niet kunnen leveren.

Het bovenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat namens of door eiser niet aannemelijk is gemaakt dat hij zich reeds op 3 februari 2003 ziek heeft gemeld. Terecht is verweerder derhalve uitgegaan van 27 februari 2003 als datum waarop de arbeidsongeschiktheid aanving. Voor zover hierna van belang zal de rechtbank dan ook van deze datum uitgaan. Voorts wordt als volgt overwogen.

Volgens verweerder heeft eiser het wachtgeldfonds benadeeld als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de Ziektewet, door zich te gedragen in strijd met het bepaalde in de vijfde categorie, ten derde van bijlage A bij het Maatregelenbesluit Tica. Verweerder stelt dat eiser het ontslag aan zichzelf te wijten heeft omdat hij -samengevat- ongeoorloofd heeft verzuimd.

De rechtbank overweegt dat verweerder hiermee eigenlijk stelt dat eiser een benadelingshandeling in het kader van de ZW heeft gepleegd omdat hij door zijn gedrag werkloos is geworden.

Met deze benadering heeft verweerder kennelijk aansluiting gezocht bij het criterium 'verwijtbare werkloosheid' in de zin van de Werkloosheidswet (WW).

De rechtbank merkt op dat uit de stelling van verweerder volgt dat iedere werknemer die verwijtbaar werkloos in de zin van de WW is geworden en vervolgens na eindiging van het dienstverband ziek wordt of blijft, (tevens) een benadelingshandeling pleegt in de zin van de ZW. Ter zitting is dit van de kant van verweerder ook bevestigd.

Daargelaten of in dit geval sprake is van het door verweerder aan eiser verweten gedrag (ongeoorloofd verzuim), is de vraag of verweerder terecht stelt dat louter het aanwezig zijn van een verband tussen de gedraging en het ontslag volstaat voor de conclusie dat sprake is van een benadelingshandeling in de zin van de ZW.

De rechtbank heeft voor die stelling in het toepasselijke recht geen steun gevonden. Weliswaar concludeert mr. M.J.E.A. Smit in haar annotatie bij de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 2 december 1998 (gepubliceerd in RSV 1999, 51) dat gezien de wettekst inderdaad alleen een verband is vereist tussen de gedraging van de werknemer en zijn ontslag en niet tussen de gedraging van de werknemer en de aanspraak op ziekengeld, de CRvB eist blijkens vaste en recente jurisprudentie echter wel uitdrukkelijk een voorzienbaar verband tussen het gedrag dat tot ontslag leidt en het intreden van de ongeschiktheid tot werken.

Voor zover verweerder stelt dat dit door de CRvB vereiste verband in eisers geval aan de orde is, overweegt de rechtbank het volgende.

Voornoemd verband zag de CRvB in de volgende twee gevallen:

- De situatie waarin de betrokken werknemer zich niet had onttrokken aan een vechtpartij op de werkvloer, waardoor hij het voorzienbare risico heeft genomen dat hij daardoor zodanig ernstig geblesseerd zou worden dat hij wegens ziekte ongeschikt zou worden voor zijn werk. Eisers gedrag als oorzaak van de arbeidsongeschiktheid was hier de reden voor het ontslag. Nu betrokkene door zijn werkgever was gewaarschuwd dat arbeidsongeschiktheid door vechten tot ontslag zou leiden, was het ontslag voorzienbaar. Daarmee was voldaan aan de vereisten voor de benadelingshandeling (CRvB 12 november 2003, RSV 2004/31).

- De situatie waarin een aan alcohol verslaafde werknemer door zijn werkgever was gewaarschuwd dat bij toekomstig verzuim wegens dronkenschap ontslag op staande voet zou volgen. Betrokkene heeft in deze situatie kunnen voorzien dat hij door bovenmatig te drinken arbeidsongeschikt zou worden en dat de oorzaak van die arbeidsongeschiktheid voor de werkgever reden zou zijn hem op staande voet te ontslaan. Door desondanks bovenmatig te gaan drinken heeft betrokkene naar het oordeel van de CRvB een benadelingshandeling gepleegd (CRvB 29 september 1998, AB 2000/390). In dit geval was het drankgebruik dus de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat door de CRvB in de twee volgende gevallen niet een voorzienbaar verband werd aangenomen tussen het gedrag dat tot ontslag leidt en het intreden van de arbeidsongeschiktheid:

- De situatie waarin de betrokken werknemer jarenlang de malversaties van zijn superieur verborgen hield. Dit was reden voor ontslag op staande voet. Vervolgens werd betrokkene ziek. Een voorzienbaar verband tussen de zich over vele jaren uitstrekkende gedragingen van betrokkene als gevolg waarvan hij uiteindelijk op staande voet is ontslagen, en het intreden van zijn ongeschiktheid tot werken acht de CRvB niet aanwezig. Daarom kon niet gesproken worden van een benadelingshandeling in de zin van de ZW (CRvB 8 maart 2000, AB 2001/47).

- De situatie waarin de betrokken werknemer ontslag nam en daarna ziek werd. Ziekengeld werd hem vervolgens geweigerd omdat hij door zijn ontslag een benadelingshandeling zou hebben gepleegd. Volgens de CRvB was er echter geen relatie tussen het gedrag (de ontslagname) en het ontstaan van het ZW-recht en daarmee geen benadelingshandeling in de zin van de ZW (CRvB 2 december 1999, RSV 1999/51).

Gelet op de hier voren geschetste jurisprudentie is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval geen sprake van de door de CRvB geëiste relatie tussen het gedrag en de arbeidsongeschiktheid. De rechtbank ziet namelijk niet in hoe ongeoorloofde afwezigheid kan leiden tot arbeidsongeschiktheid, laat staan dat van voorzienbaarheid sprake is. Verweerder heeft dit vereiste verband ook niet gesteld of aannemelijk gemaakt.

Nu het vereiste verband ontbreekt, concludeert de rechtbank dan ook dat er geen sprake is van de door verweerder beoogde benadelingshandeling. Daarmee vervalt de in het besluit op bezwaar gegeven reden voor weigering van het ziekengeld. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het besluit op bezwaar zal worden vernietigd.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat de in het primaire besluit opgeworpen grond evenmin kan leiden tot weigering van ziekengeld, omdat die weigering is gebaseerd op de aanname dat de nietigheid van het ontslag is ingeroepen. Nu eiser niet die nietigheid heeft ingeroepen en uitgaande van de door verweerder gehanteerde datum van ziekmelding en gelet op het bepaalde in artikel 7:670, eerste lid, sub b, van het BW, van nietigheid in het onderhavige geval ook geen sprake kan zijn, heeft verweerder eveneens ten onrechte op die grond het ziekengeld geweigerd.

Nu het beroep gegrond is, zal verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht in de kosten van eiser worden veroordeeld, waarbij voor de verrichte proceshandelingen 2 punten ad ? 322,00 worden toegekend.

Beslist wordt als volgt.

III. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,00 en bepaalt dat het UWV deze kosten alsmede het door eiser betaalde griffierecht ad € 31,00 aan eiser dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. T.F. Bruinenberg, voorzitter en uitgesproken in het

openbaar op 9 november 2004

door mr. T.F. Bruinenberg, in tegenwoordigheid van mr. A. van den Oever, griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002 te 3500 DA Utrecht binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak.

mr. A. van den Oever mr. T.F. Bruinenberg

Afschrift verzonden op: