Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2004:AO5226

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
04-03-2004
Datum publicatie
09-03-2004
Zaaknummer
45486
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

[verweerder] heeft de overeenkomst met [verzoeker], op grond waarvan [verzoeker] gedurende een jaar de WVG-ritten binnen de gemeenten Noordenveld en Tynaarlo voor [verweerder] heeft gereden, niet rechtsgeldig opgezegd, nu zij daarbij niet een redelijke opzegtermijn van een maand in acht heeft genomen. De vordering van [verzoeker] haar weer te betrekken in dit WVG-vervoer wordt echter niet toegewezen, omdat ook bij inachtneming van die opzegtermijn de overeenkomst inmiddels zou zijn geeindigd. Wel is er reden voor het toekennen van een voorschot op de schadevergoeding aan [verzoeker] van € 15.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: 45486

Vonnisdatum: 4 maart 2004

RECHTBANK ASSEN

Vonnis van de voorzieningenrechter in het kort geding van:

[Verzoeker],

wonende te [adres],

eisende partij in kort geding bij dagvaarding van 19 februari 2004

advocaat [advocaaat],

procureur [procureur],

-- tegen --

[Verweerder],

gevestigd en kantoorhoudende te [adres],

verweerder in kort geding bij gemelde dagvaarding,

advocaat [advocaaat].

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] respectievelijk [verweerder]

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[verzoeker] heeft bij dagvaarding van 19 februari 2004 [verweerder] gedagvaard tegen de zitting van 26 februari 2004.

[verzoeker] heeft haar vorderingen toegelicht bij monde van haar advocaat. [verweerder] heeft de vorderingen bestreden bij monde van haar advocaat.

Beide partijen hebben pleitaantekeningen overgelegd en [verzoeker] heeft producties in het geding gebracht.

Tenslotte hebben partijen vonnis gevraagd.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. De vaststaande feiten

1.1 [verweerder] heeft via een Europese aanbesteding het vervoer krachtens de Wet Voorzieningen Gehandicapten (WVG) toegewezen gekregen in een aantal gemeenten in de provincie Drenthe.

1.2 Vanaf begin 2003 tot februari 2004 heeft [verzoeker] WVG-ritten gereden voor [verweerder] in de gemeenten Noordenveld en Tynaarlo. Partijen hebben in dezen niets op schrift gesteld.

1.3 [verweerder] voerde ook het WVG-vervoer binnen de gemeenten Coevorden en Emmen uit. Medio oktober 2003 hebben deze gemeenten dit WVG-vervoer per 1 februari 2004 gegund aan een andere vervoerder.

1.4 Sinds begin februari 2004 schakelt [verweerder] [verzoeker] niet meer in voor de WVG-ritten binnen de gemeenten Noordenveld en Tynaarlo.

1.5 [verzoeker] heeft over de periode, waarin zij heeft gereden voor [verweerder], facturen verzonden aan [verweerder]. Een gedeelte daarvan is onbetaald gebleven.

1.6 [verzoeker] heeft conservatoir derdenbeslag gelegd onder de gemeente Emmen voor een bedrag van € 200.000,00.

1.7 De gemeente Emmen en Coevorden hebben beslag onder zichzelf gelegd voor hun tegenvordering op [verweerder].

2. De vordering

[verzoeker] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle uren:

1. [verweerder] zal veroordelen om [verzoeker] wederom te betrekken bij het WVG-vervoer in de gemeentes Noordenveld en Tynaarlo, alsmede aan [verzoeker] een aandeel in deze WVG-ritten toe zal delen tot een omzet van € 50.000,00 per maand, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00, voor iedere dag dat [verweerder] hiermee in gebreke zal zijn.

2. [verweerder] zal veroordelen om aan [verzoeker] te betalen een bedrag ad € 119.473,28 tegen bewijs van kwijting ter zake van reeds door [verzoeker] in het kader van WVG-vervoer verrichte ritten.

3. [verweerder] zal veroordelen als voorschot op geleden schade te betalen de somma van € 50.000,00.

4. [verweerder] zal veroordelen om aan [verzoeker] te betalen een bedrag ad € 24.500,00 ter zake buitengerechtelijke incassokosten.

5. [verweerder] zal veroordelen om aan [verzoeker] te betalen de wettelijke rente over de hierboven onder de punten 2 tot en met 4 genoemde bedragen ingaande de datum van dagvaarding en eindigende op de datum van algehele voldoening.

6. [verweerder] zal veroordelen in de kosten van deze procedure die van de beslaglegging daaronder begrepen.

3. Het verweer

[verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

4. Beoordeling van het geschil

Vordering 1

4.1 [verzoeker] vordert allereerst dat [verweerder] haar weer zal betrekken bij het WVG-vervoer in de gemeenten Noordenveld en Tynaarlo. Grondslag van haar vordering is dat tussen partijen is overeengekomen dat [verzoeker] de WVG-ritten vanuit de gemeenten Noordenveld en Tynaarlo gedurende de periode vanaf 28 januari 2003 tot 31 december 2005 zou verrichten.

4.2 Voor zover in dit geding niet voldoende vast mocht komen te staan dat sprake is van een contract tot 31 december 2005 stelt [verzoeker] dat sprake is van een contract voor onbepaalde tijd, dat niet zomaar kan worden opgezegd en waarbij in elk geval een opzegtermijn van minimaal drie maanden in acht moet worden genomen.

4.3 Volgens [verweerder] zou [verzoeker] voor het WVG-vervoer binnen de gemeenten Noordenveld en Tynaarlo worden ingeschakeld, indien [verweerder] onvoldoende capaciteit zou hebben om al het vervoer in die gemeenten zelf te kunnen verzorgen. Uitdrukkelijk besproken is volgens haar dat [verweerder] op geen enkele wijze een garantie kon geven omtrent het volume van het aan te bieden vervoer en de duur van de samenwerking. Vanwege de beëindiging van de vervoersovereenkomsten met de gemeenten Coevorden en Emmen op 1 februari 2004 besteedt [verweerder] per die datum geen WVG-ritten binnen de gemeenten Noordenveld en Tynaarlo meer uit aan [verzoeker]. [verweerder] beschikt namelijk zelf weer over meer capaciteit qua taxi's en chauffeurs, zodat zij het vervoer binnen de gemeenten Noordenveld en Tynaarlo zelf kan verrichten en [verzoeker] daarvoor niet meer nodig heeft.

4.4 Voor het geval sprake mocht zijn van een contract voor onbepaalde tijd kan dit volgens [verweerder] ten allen tijde worden opgezegd, met inachtneming van een redelijke opzegtermijn. In dit geval is volgens haar een opzegtermijn van ongeveer vier maanden in acht genomen, namelijk de periode gelegen tussen het moment dat [verzoeker] bekend werd met de beëindiging van de vervoerscontracten van [verweerder] met de gemeenten Emmen en Coevorden en de daadwerkelijke beëindiging van die contracten op 1 februari 2004.

4.5 Tussen partijen staat vast dat [verzoeker] gedurende een periode van ongeveer één jaar ritten in het kader van de Wet Voorzieningen Gehandicapten voor [verweerder] heeft gereden in de gemeenten Noordenveld en Tynaarlo.

4.6 Door [verzoeker] is echter niet voldoende aannemelijk gemaakt dat is afgesproken dat [verweerder] haar tot 31 december 2005 voor het WVG-vervoer binnen die gemeenten zou inschakelen. Niet in de overgelegde brief van 11 februari 2003 noch in de verklaringen van personeelsleden van [verzoeker] wordt gesproken over de duur van de inschakeling van [verzoeker], terwijl ook niet op enige andere wijze is gebleken dat [verzoeker] tot 31 december 2005 zou worden ingeschakeld.

4.7 Nu niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat partijen een contract voor bepaalde tijd zijn aangegaan, moet ervan uitgegaan worden dat sprake is van een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Niet gebleken is dat partijen een opzegtermijn zijn overeengekomen. Voor de opzegging van deze overeenkomst dient in deze omstandigheden een redelijke termijn in aanmerking te worden genomen. Van een daadwerkelijke opzegging door [verweerder] is in dit geding niet gebleken. In het hiervolgende zal besproken worden in hoeverre het voorgaande leidt tot de gevraagde voorzieningen. Bij de beoordeling van deze vraag zijn de wederzijdse belangen en overige omstandigheden van de beëindiging van de overeenkomst van belang.

4.8 Niet weersproken is, dat door het einde van de contracten met de gemeenten Coevorden en Emmen binnen het bedrijf van [verweerder] een aanzienlijke capaciteit beschikbaar is gekomen. [verweerder] heeft er uiteraard belang bij deze zo spoedig mogelijk op andere wijze in te kunnen zetten. Anderzijds is aannemelijk dat [verzoeker], zoals zij stelt, voor het verzorgen van het vervoer in Noordenveld en Tynaarlo extra personeel en vervoersmiddelen heeft moeten inschakelen en dat zij aan de met dit doel gesloten overeenkomsten niet van de ene op de andere dag een einde kan maken. Bij de beoordeling van de vraag wat een redelijke opzegtermijn zou zijn geweest speelt verder een rol de relatief korte tijd dat partijen hebben samengewerkt. Ook is van belang, dat [verzoeker] bij het aantrekken van personeel en vervoersmiddelen rekening heeft moeten houden met het feit, dat de duur van de overeenkomst niet duidelijk op schrift vast stond. Tenslotte is van belang, dat [verzoeker] sinds december 2003 op de hoogte is geweest van de beëindiging van de contracten met de gemeenten Coevorden en Emmen en heeft geïnformeerd naar de vraag of dit gevolgen zou hebben voor [verzoeker]. Wederom heeft zij toen geen duidelijke schriftelijke toezegging verkregen, dat dit niet het geval zou zijn. In deze omstandigheden komt een opzegtermijn van één maand redelijk voor.

4.9 De volgende vraag is, wat de consequenties moeten zijn van het niet in acht nemen van een redelijke opzegtermijn. Als [verweerder] deze termijn in acht had genomen, was de overeenkomst tussen partijen inmiddels beëindigd. Het niet in acht nemen van deze opzegtermijn leidt alleen daarom al niet tot toewijzing van het primair gevorderde. Wel zijn onder deze omstandigheden gronden aanwezig om een voorschot toe te kennen op een vergoeding aan [verzoeker] van de schade die het achterwege blijven van een rechtsgeldige opzegging door [verweerder] teweeg heeft gebracht.

Vordering 3

4.10 Door [verzoeker] is gesteld dat zij een omzetderving van circa € 50.000,00 per maand heeft, die, nu de kosten van personeel en materieel doorlopen, volledig als schade dient te worden aangemerkt.

4.11 Uit het als productie 8 overgelegde overzicht volgt echter niet de door [verzoeker] gestelde gemiddelde omzet van € 50.000,00 per maand, maar een gemiddelde omzet van € 41.704,94 per maand. Bovendien is onvoldoende aannemelijk dat de schade gelijk is aan de gemiddelde omzet. Nu uitgegaan wordt van een opzegtermijn van één maand wordt een voorschot van € 15.000,00 op de door [verzoeker] geleden schade billijk geacht.

4.12 Het door [verweerder] gestelde restitutierisico is, gezien de magere onderbouwing door [verweerder] daarvan en de gemotiveerde betwisting door [verzoeker], onvoldoende aannemelijk gemaakt om dit voorschot niet aan [verzoeker] te kunnen toekennen.

4.13 Op grond van het vorenstaande zal het sub 3 gevorderde worden toegewezen voor een bedrag van € 15.000,00.

Vordering 2

4.14 Niet voldoende door [verweerder] betwist is, dat zij wegens nog niet betaalde facturen het onder 2. gevorderde bedrag van € 119.473,28 verschuldigd is aan [verzoeker].

4.15 Door [verweerder] wordt aangevoerd dat nog niet alle gefactureerde bedragen opeisbaar zijn, omdat tussen partijen is afgesproken dat pas één maand na het einde van de maand, waarin de facturen werden gemaakt, sprake zou zijn van opeisbaarheid, omdat [verweerder] maandelijks declareerde aan de gemeenten en [verweerder] eerst zou overgaan tot betaling nadat zij betaling had ontvangen van de gemeenten.

4.16 Van de zijde van [verzoeker] wordt deze afspraak niet betwist. Zij is echter van mening dat zij daar niet meer aan gehouden kan worden, nu [verweerder] zich zelf ook niet aan de afspraken houdt. Tevens is zij van oordeel dat, nu een betalingsregeling door [verweerder] niet is nagekomen, het totale gefactureerde bedrag daarmee opeisbaar is geworden.

4.17 Gezien de door partijen gemaakte afspraak zijn op heden in elk geval de facturen over de periode tot en met januari 2004 opeisbaar.

4.18 Tevens zijn, blijkens het als productie 4 overgelegde overzicht van de openstaande facturen en de als productie 5 overgelegde facturen, zes facturen verzonden in februari 2004, voor een totaalbedrag van € 5.315,56. Nu vaststaat dat de betalingsregeling betrekking heeft gehad op oudere facturen is het niet naleven daarvan onvoldoende grond voor het aannemen van een directe opeisbaarheid van deze latere facturen van februari 2004. De enkele stelling van [verzoeker] dat zij niet aan de afspraak omtrent de opeisbaarheid kan worden gehouden, omdat [verweerder] zich ook niet aan de afspraken houdt, is onvoldoende om [verzoeker] niet aan deze afspraak te kunnen houden, met name ook nu in dit geding niet voldoende is komen vast te staan wat de precieze inhoud van die afspraken is geweest.

4.19 Nu het ervoor gehouden moet worden dat de vordering sub 2 voor een deel groot € 5.315,56 niet opeisbaar is, zal het sub 2 gevorderde worden toegewezen voor een bedrag van € 119.473,28 minus € 5.315,56, ofwel € 114.157,72.

Overige vorderingen

4.20 Voor wat betreft de vordering [verweerder] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten geldt dat deze, nu die kosten door [verweerder] zijn betwist, en deze kosten niet voldoende door [verzoeker] zijn gespecificeerd, zal worden afgewezen.

4.21 De door [verzoeker] gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen met betrekking tot de door [verweerder] in gevolge het dictum aan haar te betalen gefactureerde bedragen en voorschot op de schadevergoeding.

4.22 Nu [verzoeker] voor het grootste gedeelte van haar vordering in het gelijk is gesteld zal [verweerder] worden verwezen in de kosten van dit geding, de kosten van beslaglegging daaronder begrepen.

BESLISSING

De voorzieningenrechter:

1. Veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen een bedrag ad € 114.157,72 tegen bewijs van kwijting ter zake van reeds door [verzoeker] in het kader van WVG-vervoer verrichte ritten.

2. Veroordeelt [verweerder] als voorschot op geleden schade aan [verzoeker] te betalen de somma van € 15.000,00.

3. Veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen de wettelijke rente over de hierboven onder 1. en 2. van het dictum genoemde bedragen ingaande de datum van dagvaarding en eindigende op de datum van algehele voldoening.

4. Veroordeelt [verweerder] in de kosten van deze procedure die van de beslaglegging daaronder begrepen aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 703,00 voor salaris, € 1.225,00 voor beslagkosten en € 333,86 voor verschotten.

5. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

6. Weigert alle overige of anders gevorderde voorzieningen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. le Poole, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. F.W. Strijker, griffier, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 4 maart 2004, in tegenwoordigheid van de griffier en door de rechter en griffier voornoemd ondertekend.

Typ: TvdV

Coll:

Zaaktypering:

2e niveau: 7

3e niveau: 2