Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2004:AO2398

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
12-01-2004
Datum publicatie
27-01-2004
Zaaknummer
03/282 & 521
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering van bouwvergunning voor respectievelijk het verbouwen van de evenementenhal van het Sport- en evenementencomplex De Smelt en het oprichten van een kluunstrook en douche- en kleedruimten. Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet meer in geschil is dat de bouwplannen in strijd zijn met de geldende bestemmingsplannen. DeSmelt BV is het echter niet eens met de weigering van het college van burgemeester en wethouders om voor deze bouwplannen een vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) te verlenen. De rechtbank kan zich vinden in de motivering van het college in dit verband, waarbij het college aangeeft (nog) geen gebruik te willen maken van zijn in artikel 19, eerste lid, van de WRO gegeven bevoegdheid vooruitlopend op de uitkomst van het onderzoek en de ontwikkelingen in het kader van een bestemmingplanprocedure ("Het Stadsbroek II") en een daarmee verbandhoudend milieueffectrapportage.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Woningwet 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Enkelvoudige kamer

voor

bestuursrechtelijke zaken

Kenmerken: 03/282 en 03/521 WW44

U I T S P R A A K

In de gedingen tussen

DeSmelt BV, gevestigd te Assen, eiseres,

en

Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Assen, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2003 heeft verweerder beslist op de bezwaren van derden tegen het besluit van 23 juli 2003, daarbij de bezwaren gegrond verklaard, het besluit van 23 juli 2003 herroepen en de gevraagde bouwvergunning voor het verbouwen van een evenementenhal op het perceel aan de Stadsbroek 17 te Assen alsnog geweigerd.

Namens eiseres is bij brief van 1 april 2003 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld, waarna de gronden zijn ingediend bij brief van 7 mei 2003.

Bij besluit van 1 mei 2003 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 20 november 2002 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende de weigering om aan eiseres bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een kluunstrook en douche- en kleedruimten op het perceel aan de Stadsbroek 17 te Assen.

Namens eiseres is tegen dit besluit bij brief van 11 juni 2003 bij de rechtbank beroep ingesteld. De gronden van dit beroep zijn ingediend bij brief van 11 juli 2003.

Verweerder heeft bij brieven van 12 juni 2003 en 14 augustus 2003 de op de zaken betrekking hebbende stukken alsmede verweerschrift ingezonden. Aan de gemachtigde van eiseres is hiervan een afschrift verstuurd.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank op 5 november 2003, alwaar eiseres is vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. A.A. Robbers.

Voor verweerder is verschenen G.H. Wildeboer, werkzaam bij de gemeente Assen.

II. Motivering

Feiten en omstandigheden

Verweerder heeft op 29 april 2002 van eiseres een bouwaanvraag ontvangen voor het veranderen van de evenementenhal van het complex "De Smelt" op het perceel Stadsbroek 17 te Assen, waarbij is aangegeven dat de bestemming van de hal na de verbouwing ongewijzigd evenementenhal blijft.

Bij het (primaire) besluit van 23 juli 2002 heeft verweerder bouwvergunning verleend voor het verbouwen van voornoemde evenementenhal. Tegen deze bouwvergunning is door omwonenden bij verweerder bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft op 8 augustus 2002 een bouwaanvraag ontvangen voor het oprichten van een doucheunit, kleedruimte en kluunstrook op het perceel Stadsbroek 17 te Assen.

Naar aanleiding van de bezwaren tegen het besluit van 23 juli 2002 heeft er op

29 oktober 2002 ten overstaan van de algemene commissie bezwaarschriften van de gemeente Assen een hoorzitting plaatsgevonden, alwaar ook eiseres was vertegenwoordigd.

In haar schrijven van 20 november 2002 heeft de commissie verweerder geadviseerd de bezwaren gegrond te verklaren, de verleende bouwvergunning te herroepen en deze alsnog te weigeren.

Bij het (primaire) besluit van 20 november 2002 heeft verweerder geweigerd bouwvergunning te verlenen ten behoeve van een kluunstrook en douche- en kleedruimten op het perceel Stadsbroek 17 te Assen.

Tegen dit besluit is namens eiseres bij brief van 14 januari 2003 bij verweerder bezwaar gemaakt, waarna de gronden van dit bezwaar zijn ingediend bij brief van 14 februari 2003.

Bij het bestreden besluit van 17 februari 2003 heeft verweerder overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie besloten, het besluit van 23 juli 2002 herroepen en de bouwvergunning voor de evenementenhal alsnog geweigerd.

Eiseres is op 11 maart 2003 in de gelegenheid gesteld te worden gehoord door de algemene commissie bezwaarschriften omtrent haar bezwaren tegen het besluit van

20 november 2002, van welke mogelijkheid namens eiseres gebruik is gemaakt. In haar schrijven van 31 maart 2003 heeft de commissie verweerder geadviseerd de bezwaren ongegrond te verklaren.

Bij het bestreden besluit van 1 mei 2003 heeft verweerder overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie besloten en de primaire weigering betreffende het oprichten van een kluunstrook en douche- en kleedruimten gehandhaafd.

Standpunten partijen

Eiseres verwijst naar de voorgeschiedenis van deze zaken, waaruit onder meer naar voren komt dat eiseres en de gemeente Assen een intentieverklaring hebben getekend om het verliesdraaiende sportevenementencentrum aan de Stadsbroek te revitaliseren.

Ter zitting heeft eiseres de gronden van haar beroep tegen het besluit van 17 februari 2003 betreffende de evenementenhal beperkt tot het standpunt dat verweerder had moeten overwegen en onderzoeken of vrijstelling ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) mogelijk is. Ook in dit verband verwijst eiseres naar de voorgeschiedenis waardoor zij er op had mogen vertrouwen dat er een vrijstellingsprocedure zou worden gestart. Eiseres acht het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Volgens eiseres is het niet nodig om de procedure met betrekking tot de ontwikkeling en vaststelling van een nieuw bestemmingsplan af te wachten, omdat het onderzoek betreffende deze ontwikkeling geen verband houdt met de evenementenhal. Evenmin houdt het onderzoek in het kader van de milieu-effectrapportage (MER) verband met dit bouwplan, aldus eiseres.

Ook ten aanzien van de geweigerde bouwvergunning voor de kluunstrook en de douche- en kleedruimten is eiseres van mening dat dit past binnen de geldende bestemmingen. Volgens eiseres heeft verweerder eerst onlangs een ander standpunt ingenomen over de uitleg van de bestemmingsplanvoorschriften. Eiseres meent dat het ook hier in de lijn der verwachting had gelegen dat verweerder, indien sprake is van strijd met het bestemmingsplan, een procedure ingevolge artikel 19 van de WRO had opgestart. Ook hier geldt volgens eiseres dat het niet noodzakelijk is om de ontwikkelingen rond het nieuwe bestemmingsplan af te wachten.

Eiseres geeft aan dat voor wat betreft de kluunstrook en de douche- en kleedruimten geen sprake is van uitbreiding, maar van een beperkte revitalisering van het sport- en evenementencomplex.

Verweerder bevestigt dat het bestreden besluit van 17 februari 2003 geen overweging bevat omtrent de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van het geldende bestemmingsplan. Voor beide bouwplannen geldt voorts dat verweerder van mening is dat, gezien de voorschiedenis die is uitgemond in een bestemmingsplan "Het Stadsbroek", waarvan het goedkeuringsbesluit door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) is vernietigd, het verlenen van vrijstelling ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO niet mogelijk is. De voorbereidingen van het nieuwe bestemmingsplan ("Het Stadsbroek II") verkeren nog in een pril stadium, waarbij eerst nog een procedure voor een MER moet worden gestart. Verweerder stelt dat nu niet kan worden voldaan aan het vereiste van een goede ruimtelijke onderbouwing, omdat er nog geen concreet zicht is op de toekomstige bestemming. Verweerder acht het niet verantwoord om vooruit te lopen op de nieuwe planologische situatie.

Voor wat betreft de geweigerde bouwvergunning voor een kluunstrook en douche- en kleedruimten stelt verweerder dat de strijdigheid met het geldende bestemmingsplan niet zit in het gebruik maar in de overschrijding van het maximaal toegestane bebouwingspercentage.

Toepasselijke regelgeving

Voor het grondgebied van het bouwplan voor de verbouw van de evenementenhal gelden twee bestemmingsplannen, te weten het bestemmingsplan "Westerpark, vastgesteld bij raadsbesluit van 17 oktober 1968 en goedgekeurd d.d. 9 december 1969, en het bestemmingsplan "Buitengebied", vastgesteld bij besluit van 20 december 1984 en goedgekeurd op 10 december 1985. Het bouwplan voor de kluunstrook en de douche- en kleedruimten valt in het bestemmingsplan "Westerpark".

Ingevolge het bestemmingsplan "Westerpark" hebben de gronden ter plaatse de bestemming "Sportpark" en ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied" geldt ter plaatse de bestemming "Sportieve recreatie".

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Westerpark" zijn de als "Sportpark" aangewezen gronden bestemd voor

"de sport, met de daartoe dienende sport- en speelvelden en gebouwen, zoals clubhuizen, kleedruimten, verversingsruimten, toiletten, bergingsruimten, etc., de daarbij nodige andere bouwwerken, zoals tribunes, etc. en andere werken, zoals parkeerruimten, beplantingen, terreinafscheidingen etc. met dien verstande dat:

a. de totale oppervlakte der gebouwen niet meer zal bedragen dan 5% van de voor deze bestemming aangewezen gronden;

b. de afstand van enig gebouw tot enige perceelsgrens tenminste 10 m zal bedragen;

c. de hoogte van enig gebouw nergens meer dan 4 m zal bedragen;

d. de gronden en opstallen overigens zullen worden gebruikt voor en in verband met de beöefening van de sport, het bezoeken van sportwedstrijden en het beheer van de gebouwen en de terreinen."

In artikel 16, onder A, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" is bepaald dat de gronden aangewezen voor sportieve recreatie zijn bestemd voor sportbeoefening, evenwel met uitzondering van motorsporten, met daarbij behorende bebouwing en voorzieningen. Onder B van dit artikel is bepaald dat op de tot sportieve recreatie bestemde gronden uitsluitend bouwwerken mogen worden gebouwd ten dienste van de bestemming met uitzondering van dienstwoningen met dien verstande, dat:

"1. het op de kaart per bestemmingsvlak aangegeven maximale bebouwingspercentage in acht wordt genomen;

2. de op de kaart per bestemmingsvlak aangegeven maximale

goothoogte van een gebouw in acht wordt genomen;

3. de goothoogte van de andere-bouwwerken ten hoogste bedraagt 2,50 m".

De op de plankaart van het bestemmingslan "Buitengebied" ter plaatse aangegeven bebouwingspercentage is 3 en de ter plaatse aangegeven goothoogte is 7 meter.

Beoordeling

Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat de beide bouwplannen in strijd zijn met de geldende bestemmingsplannen. Eiseres meent echter dat verweerder ten onrechte geen procedure ingevolge artikel 19 van de WRO in gang heeft gezet voor het verlenen van vrijstelling van deze bestemmingsplannen. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Gebleken is dat de gemeenteraad van Assen de in artikel 19, eerste lid, van de WRO bedoelde bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling bij besluit van 20 april 2000 heeft gedelegeerd aan verweerder. Blijkens de opvatting van de ABRS (zoals verwoord in de uitspraak van 11 september 2002, gepubliceerd in JB 2002, 323) omvat een dergelijk delegatiebesluit ook de bevoegdheid tot weigering van de hier bedoelde vrijstelling.

Ten aanzien van het bouwplan betreffende de evenementenhal heeft verweerder eerst in het verweerschrift overwogen dat het besluit op bezwaar van 27 februari 2003 ook omvat de weigering tot het verlenen van vrijstelling ingevolge artikel 19 van de WRO en daarvoor zijn argumenten aangedragen. Gelet op het feit dat aanvankelijk de aangevraagde bouwvergunning was verleend en eerst naar aanleiding van de ingediende bezwaren de bouwvergunning is geweigerd alsmede gelet op het gegeven dat namens eiseres ook eerst ter zitting de nadruk is gelegd op het niet verlenen van de hier bedoelde vrijstelling, is de rechtbank van oordeel dat de aanvulling in de beroepsfase omtrent het weigeren van de vrijstelling ex artikel 19 van de WRO als een aanvaardbare aanvulling op het bestreden besluit kan worden gezien. Deze aanvulling is naar het oordeel van de rechtbank een wijziging als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres heeft voorts in beroep voldoende gelegenheid gehad, en daarvan ook gebruik gemaakt, om hierop te reageren.

Net als bij een positieve beslissing omtrent de in artikel 19 van de WRO bedoelde (discretionaire) bevoegdheid spelen ook bij een negatieve beslissing argumenten die de ruimtelijke ordening (onderbouwing) betreffen een rol bij de beoordeling of verweerder in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.

Verweerder stelt zich, zoals aangegeven, ten aanzien van beide bouwplannen op het standpunt dat niet vooruit gelopen kan worden op de ontwikkeling rond het nieuwe bestemmingsplan ("Het Stadsbroek II") en het te verrichten onderzoek in het kader van de MER. Verweerder meent dat de uitkomst van deze ontwikkeling en dit onderzoek nog te ongewis is om daarop met een vrijstelling ex artikel 19 van de WRO vooruit te lopen. Verweerder geeft, met andere woorden, aan dat er nog geen goede ruimtelijke onderbouwing kan worden gegeven die een positieve beslissing ingevolge artikel 19 van de WRO kan dragen. Eiseres stelt hier tegenover dat de uitkomst van de de bestemmingsplanprocedure en het MER-onderzoek niet van invloed is op onderhavige bouwplannen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in dezen in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen om geen gebruik te maken van de in artikel 19 van de WRO neergelegde bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling van het geldende bestemmingsplan. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de ABRS in haar uitspraak van

6 maart 2002 omtrent het goedkeuringsbesluit van het bestemmingsplan "Het Stadsbroek" heeft aangegeven dat het globale karakter van dit bestemmingsplan tot gevolg heeft dat het te verwachten bezoekersaantal ruim boven de 500.000 per jaar uitkomt, als gevolg waarvan de gemeenteraad van Assen dit bestemmingsplan niet had mogen vaststellen zonder daaraan een MER ten grondslag te leggen. De ABRS heeft voorts in haar uitspraak overwogen dat de globaliteit van het bestemmingsplan het opstellen van een MER ernstig bemoeilijkt. Daarnaast heeft de ABRS vastgesteld dat het niet de bedoeling van de planwetgever is om onbeperkt gebruik te (laten) maken van de in het plan opgenomen mogelijkheden met betrekking tot sport- en horeca-voorzieningen. De Afdeling heeft hierin reden gezien om de planwetgever mee te geven dat daarom een meer gedetailleerd bestemmingsplan moet worden vastgesteld.

Anders dan eiseres meent, is de rechtbank van oordeel dat de uitkomst van het bestemmingsplanonderzoek en het onderzoek in het kader van de MER nog dermate ongewis is, dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen aanvoeren daarop niet vooruit te willen lopen. Aan de hand van deze onderzoeken zal de gemeenteraad keuzes moeten maken over de invulling van het terrein waarop het complex "De Smelt" is gelegen. De gemeentelijke planwetgever zou er voor kunnen kiezen om de aan de bouwplannen ten grondslag liggende voorzieningen niet - in de op de door onderhavige bouwplannen voorgestane vorm of wijze - wenselijk te achten dan wel qua omvang van bebouwing of qua gebruik niet verder te willen uitbreiden, maar voorkeur te geven aan andere voorzieningen op het gebied van sport, recreatie of horeca. Deze keuzes kunnen derhalve de uitbreiding van de evenementenhal (en het gebruik daarvan) belemmeren. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit evenzeer voor het bouwplan omtrent het oprichten van de kluunstrook en de douche- en kleedruimten. In dit verband wordt nog overwogen dat niet kan worden gesproken van een geringe inbreuk op het geldende bestemmingsplan, gelet op de daarin maximaal toegestane bebouwing. Dat de met dit bouwplan voorgestane bebouwing slechts een beperkte uitbreiding betekent van de bestaande bebouwing ter plaatse kan hieraan niet afdoen, nu de bestaande situatie niet het referentiekader is waaraan ingevolge artikel 19 van de WRO moet worden getoetst.

De rechtbank is van oordeel dat van een onvoldoende of ondeugdelijke motivering niet kan worden gesproken. Hierbij komt dat van de zijde van eiseres ook geen argumenten zijn aangedragen die gebaseerd zijn op een goede ruimtelijke onderbouwing, ingevolge waarvan het verlenen van vrijstelling redelijkerwijs voor de hand zou liggen dan wel die niet met een enkele verwijzing naar de nog ongewisse uitkomst van het onderzoek door verweerder ter zijde zouden mogen worden gelegd.

Evenmin is sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat er in het verleden tussen eiseres en de gemeente Assen privaatrechtelijke afspraken zijn gemaakt over de ontwikkeling van het complex "De Smelt".

Uit het vorenstaande volgt dat de beroepen voor ongegrondverklaring in aanmerking

komen. Onder deze omstandigheden is er geen aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van eiseres.

III. Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen ongegrond.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te

's-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA 's-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

Aldus gegeven door mr. H.J. ter Schegget, voorzitter en uitgesproken in het

openbaar op

door mr. H.J. ter Schegget, in tegenwoordigheid van mr. A. Verweij, griffier.

mr. A. Verweij mr. H.J. ter Schegget

Afschrift verzonden op: