Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2003:AN8657

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
28-10-2003
Datum publicatie
28-11-2003
Zaaknummer
03/89
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

CBBS schatting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Meervoudige kamer

voor

bestuursrechtelijke zaken

Kenmerk: 03/89 WAO

U I T S P R A A K

In het geding tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats] eiseres,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV GAK Assen), verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 24 december 2002 heeft verweerder, beslissend op de bezwaren van eiseres tegen de besluiten van 30 juli 2002 en 13 september 2002, de uitkering van eiseres ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) herzien naar een mate van 15-25%.

Namens eiseres is bij brief van 29 januari 2003 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden.

Bij brief van 8 juli 2003 heeft de rechtbank verweerder een aantal vragen gesteld met betrekking tot het zogenoemde ClaimBeoordelings- en Borgingssysteem.

Verweerder heeft hierop gereageerd bij brief met bijlagen van 12 augustus 2003.

Het beroep is behandeld ter zitting van een meervoudige kamer van de rechtbank op 26 augustus 2003, alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. E.J. Dennekamp.

Voor verweerder is verschenen mr. T.M. Snippe, juridisch medewerkster van verweerder. Verder zijn voor verweerder verschenen, G.J. Dreijer, bezwaarverzekeringsarts, L.H.L. Stiekema, bezwaararbeidsdeskundige en D. Vermeulen, arbeidskundig analist.

II. Motivering

Feiten en omstandigheden

Eiseres, geboren op 24 januari 1951, was fulltime werkzaam als accountmanager bij een bedrijf in veiligheidsartikelen.

Op 22 april 1998 was zij betrokken bij een verkeersongeval. Op 23 juni 1998 heeft eiseres haar werkzaamheden gestaakt als gevolg van klachten, die als whiplash werden geduid.

Bij besluit van 19 december 2001 is aan eiseres WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

Op 1 november 2000 is eiseres gaan werken als intercedent bij een uitzendbureau voor 20 uur per week. Met ingang van 1 april 2001 is een arbeidsovereenkomst gesloten voor 24 uur per week.

Na een zogenaamde 1e jaarsherbeoordeling heeft verweerder eiseres bij besluit van

13 september 2002 medegedeeld dat haar WAO-uitkering met ingang van 1 oktober 2002 wordt verlaagd en zal worden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Bij het bestreden besluit van 25 september 2002 heeft verweerder na een heroverweging op grond van de aangevoerde bezwaren zijn primaire besluit gehandhaafd. Aan deze beslissing liggen rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen K.J. Volders en G.J. Dreijer alsmede van de (bezwaar)arbeidsdeskundigen H. Honken en L.H.L. Stiekema

ten grondslag.

In beroep is namens eiseres onder meer aangevoerd dat onvoldoende aandacht is besteed aan haar rug-, nek- en hoofdpijnklachten, waardoor zij veel rust nodig heeft. Door stress en werkdruk verergeren deze klachten, zodat het onbegrijpelijk is dat de urenbeperking is komen te vervallen. Voorts is betoogd dat het CBBS zodanig ondoorzichtig is, dat van een eerlijk proces niet gesproken kan worden.

Toepasselijke regelgeving

Ingevolge artikel 18 van de WAO is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, degene die door ziekte en/of handicap niet met arbeid het inkomen kan verdienen dat hij zou hebben verdiend zonder die ziekte en/of handicap. Daarbij moet objectief medisch worden aangetoond dat de beperkingen voor arbeid uit ziekte en/of handicap voortkomen.

Artikel 18, vijfde lid, van de WAO bepaalt dat onder arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Een en ander is nader uitgewerkt in het zogeheten, op de datum in geding van kracht zijnde, Schattingsbesluit WAO, Waz en Wajong (Stb. 1997, 801). Daarin valt onder meer terug te vinden dat aan een betrokkene ten minste drie verschillende functies moeten kunnen worden geduid die tezamen ten minste 30 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. Voor wat betreft de bepaling welk loon hiermee door de betrokkene kan worden verdiend moet worden uitgegaan van het loon behorende bij de middelste functie.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WAO wordt een arbeidsongeschiktheidsuitkering herzien wanneer degene, aan wie zij is toegekend ingevolge het bij of krachtens de wet bepaalde voor een hogere of lagere uitkering in aanmerking komt.

Beoordeling

De rechtbank dient in dit geschil de vraag te beantwoorden of verweerder terecht en op goede gronden de WAO-uitkering van eiseres met ingang van 1 oktober 2002 heeft verlaagd en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Algemeen

In de eerste plaats zal de rechtbank ingaan op het bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid door verweerder gebruikte systeem.

Voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid maakt verweerder sedert

1 januari 2002 gebruik van het zogenoemde ClaimBeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Dit systeem is de opvolger van het Functie-informatiesysteem (FIS).

Zowel schriftelijk als mondeling ter zitting heeft verweerder de merites van het CBBS-systeem uitgebreid toegelicht. Daaruit blijkt dat de systematiek van de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid via het CBBS in grote lijnen overeenkomt met het FIS. Er vindt allereerst een medische beoordeling plaats door een verzekeringsarts, die de beoordeling neerlegt in een zogenoemde functionele mogelijkhedenlijst (FML). Aan de hand van deze FML beoordeelt de arbeidsdeskundige vervolgens of er passende functies voor de betrokkene zijn.

De FML bestaat uit 6 rubrieken die alle zijn onderverdeeld in een aantal aspecten. Het betreft de rubrieken: persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden. Elke rubriek bevat normaalwaarden die gelijk zijn aan het niveau van functioneren van een gezond persoon van 16 tot 65 jaar. Alleen voor iemand die op een bepaald onderdeel niet aan de normaalwaarde kan voldoen vult de verzekeringsarts een lichte, matige of sterke beperking in. Het referentiepunt voor de beoordeling wordt dus niet bepaald door de mogelijkheden die een betrokkene had voor hij ongeschikt werd, maar door de genoemde normaalwaarden. Het gaat om de mate waarin een betrokkene ten opzichte van die normaalwaarden beperkingen heeft.

Vervolgens selecteert de arbeidsdeskundige uit een voor dat doel opgebouwd en onderhouden computerbestand een aantal functies die naar zijn mening voor de betrokkene passend zijn. De belasting van de functies is geanalyseerd op een groot aantal aspecten uit de zes rubrieken van de FML, maar op lang niet alle punten. Ten aanzien van de wel geanalyseerde aspecten kan de arbeidsdeskundige mede aan de hand van het computerprogramma beoordelen of de belasting van de functie de eventuele in de FML aangegeven beperkingen van een betrokkene overschrijdt. Tevens kan de arbeidsdeskundige beoordelen of betrokkene een functie moet kunnen verrichten waarvan de belasting zwaarder is dan de normaalwaarde.

Met betrekking tot de niet geanalyseerde aspecten moet de arbeidsdeskundige op basis van zijn kennis en ervaring en aan de hand van de omschrijvingen van de functies beoordelen of deze naar zijn mening voor de betrokkene geschikt zijn.

Het is primair aan de arbeidsdeskundige om te beoordelen of een functie ondanks eventuele overschrijdingen van de belastbaarheid voor een betrokkene geschikt is te achten. Bij twijfel kan de arbeidsdeskundige overleggen met de verzekeringsarts.

Als de belasting van een geselecteerde functie de door de verzekeringsarts aangegeven belastbaarheid van een betrokkene overschrijdt, wordt dit niet direct uit een computeruitdraai zichtbaar voor de arbeidsdeskundige, betrokkene of de rechtbank. Dit is een verandering ten opzichte van het genoemde FIS-systeem, waarbij dergelijke overschrijdingen via zogenoemde asterisken wel zichtbaar waren.

Door gebruik te maken van het CBBS-systeem bij het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene, handelt verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met de WAO of het Schattingsbesluit. Evenals voorheen het FIS, is ook het CBBS slechts een hulpmiddel bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene. Duidelijk is dat er een individuele beoordeling plaatsvindt door de verzekeringsarts en met name door de arbeidsdeskundige van de vraag of een betrokkene met zijn beperkingen bepaalde functies nog kan verrichten. Daarbij gaat de arbeidsdeskundige uit van de juistheid van de in het CBBS-computersysteem opgenomen gegevens. Die wijze van werken is door de CRvB met betrekking tot het FIS geaccepteerd, en de rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel ten aanzien van het CBBS-systeem. Daarbij wijst de rechtbank er op dat verweerder de juistheid van de CBBS-gegevens dient aan te tonen, als deze gemotiveerd door een betrokkene worden bestreden.

De rechtbank stelt voorts vast dat hantering van het CBBS-systeem niet met zich meebrengt dat een betrokkene niet zelf kan controleren of een door verweerder geselecteerde functie overeenkomt met de voor hem vastgestelde beperkingen. Dit is mogelijk aan de hand van de stukken die verweerder aan de betrokkene en de rechtbank ter beschikking stelt. Verweerder heeft aangegeven dat het daarbij gaat om de volgende stukken: de volledige en de kritische functionele mogelijkhedenlijst (FML), de recapitulatie voorselectie, het resultaat eindselectie, de arbeidsmogelijkhedenlijst en samenvatting, de functiebelastingprofielen en de omschrijvingen van de functies.

Wel is de rechtbank van oordeel dat de eigenschappen van het systeem met zich mee brengen, dat hoge eisen moeten worden gesteld aan de motivering van de passendheid van de geselecteerde functies in het licht van de vastgestelde arbeidsmogelijkheden en vooral de beperkingen van een betrokkene. Bepalend voor dit oordeel acht de rechtbank met name, dat de door de verzekeringsarts vastgestelde mogelijkheden en beperkingen een globaal karakter hebben, dat uit het systeem niet altijd expliciet duidelijk wordt of de belasting van een geselecteerde functie op bepaalde punten de vastgestelde belastbaarheid van een betrokkene overschrijdt, en dat het CBBS-systeem een bepaald aantal aspecten van de belastbaarheid, voor wat betreft de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, niet kan vergelijken met de belasting, die op die aspecten optreedt in de geselecteerde functies.

Daar waar een betrokkene voldoende gemotiveerd stelt dat hij meer beperkingen heeft dan door verweerder is aangenomen, en/of voldoende gemotiveerd stelt dat hij met zijn beperkingen de geselecteerde functies niet kan verrichten, moet naar het oordeel van de rechtbank, afhankelijk van wat is aangevoerd, uit het bestreden besluit of uit rapportages van de verzekeringsarts en/of de arbeidsdeskundige blijken:

- Waarom verweerder van mening is dat de beperkingen juist zijn vastgesteld;

- Op welke punten de belasting van een functie volgens het computersysteem de vastgestelde belastbaarheid overschrijdt, en waarom de functie desondanks verricht kan worden;

- Waarom een betrokkene, gegeven zijn functionele mogelijkheden, in staat is de hem voorgehouden functies te verrichten met inachtneming van zijn beperkingen op die terreinen, die via het systeem niet in de belasting van de functies terugkomen (de zogenoemde "niet matchende" aspecten).

Het bestreden besluit. Mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres

Gelet op het hiervoor overwogene dient thans te worden beoordeeld of verweerder met gebruikmaking van het CBBS de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres juist heeft bepaald. Daarbij zal in de eerste plaats door de rechtbank worden beoordeeld of verweerder een juiste inschatting heeft gemaakt van de bij eiseres, als gevolg van een ziekte of gebrek, bestaande beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid.

De rechtbank overweegt in dat verband het volgende.

De medische situatie van eiseres is op 2 april 2002 beoordeeld door verweerders verzekeringsarts K.J. Volders. Hij heeft onder het stellen van de diagnose whiplashklachten en clusterhoofdpijn, bij eiseres beperkingen tot het verrichten van arbeid aanwezig geacht.

De verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat de medische situatie ten opzichte van de vorige beoordeling een stuk is verbeterd. Hoewel er geen objectiveerbare aandoening is, treden er kennelijk nog wel klachten op als eiseres zich in fysiek en geestelijk opzicht te veel inspant. Daar moet rekening mee worden gehouden, aldus de verzekeringsarts. Een urenbeperking zoals voorheen is echter niet langer aangewezen.

In zijn rapportage en in de FML heeft de verzekeringsarts aangegeven dat eiseres wat moeite heeft met interferentietaken en aangewezen is op werk zonder veelvuldige deadlines; ook mag er geen sprake zijn van 'whole body vibration'. Voorts kan eiseres beperkt haar hoofd bewegen en beperkt -te weten minder dan 5 minuten- boven schouderhoogte actief zijn. Het zitten dient afgewisseld te worden met opstaan en enige tijd lopen.

In verband met de caraklachten is een schone werkomgeving gewenst.

De hiervoor geschetste beperkingen heeft de verzekeringsarts verwerkt in de rubrieken 1. (persoonlijk functioneren), 3. (aanpassing aan fysieke omgevingseisen),

4. (dynamische handelingen) en 5. (statische houdingen) van de FML.

In bezwaar is gesteld dat eiseres meer beperkingen heeft, zodat in ieder geval de urenbeperking gehandhaafd had moeten worden. Voorts is ten onrechte het medicijngebruik en de situatie van eiseres voortvloeiend uit de Hortonse neuralgie niet in de beoordeling betrokken.

Op basis van dossierstudie en met inachtneming van hetgeen tijdens de hoorzitting, waarbij ook de bezwaarverzekeringsarts G.J. Dreijer aanwezig was, naar voren is gebracht heeft de bezwaarverzekeringsarts aan verweerder gerapporteerd dat

er geen argumenten zijn om af te wijken van het primaire medische oordeel.

De rechtbank is, gelet op de inhoud van de rapportages van verweerders verzekeringsgeneeskundigen, van oordeel dat het bestreden besluit op een toereikende medische grondslag berust. De rechtbank merkt daarbij op dat van de zijde van eiseres geen objectief medisch onderbouwde informatie is overgelegd, op grond waarvan de juistheid van de opgestelde FML in twijfel zou moeten worden getrokken en er meer en/of verdergaande beperkingen zouden moeten worden aangenomen.

Hoewel eiseres zich op het standpunt stelt dat zij maximaal 24 uur per week kan werken, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het niet (langer) aannemelijk is dat eiseres geen hele dagen zou kunnen werken. De rechtbank wijst in dit verband ook op de vaststelling door de arbeidsdeskundige dat de maatgevende arbeid gezien de belasting in de volledige maatvrouwfunctie van accountmanager ongeschikt moet worden geacht, doordat deze functie te veel stress en spanning met zich mee brengt. Ook het feit dat eiseres blijkbaar in haar huidige werk niet langer dan 24 uur per week werkzaam kan zijn, is wellicht het gevolg van de hoge belasting (stress en werkdruk) in die functie.

Dit laat echter onverlet dat eiseres wel in staat moet worden geacht fulltime passende

-dat wil zeggen aan haar beperkingen aangepaste- arbeid te verrichten, zodat in de FML terecht geen medische urenbeperking is opgenomen.

Met betrekking tot de arbeidskundige beoordeling van verweerder overweegt de rechtbank het volgende.

Door de arbeidsdeskundige H. Honken zijn eiseres 10 functies geduid. De berekening van de restverdiencapaciteit is gebaseerd op de functies:

1. receptionist hotel SBC-code 515202;

2. telefonist/centralist SBC-code 315170; en

3. opmaker polissen SBC-code 316040.

De bezwaararbeidsdeskundige Stiekema heeft in zijn rapportage van 23 december 2002 de geduide functies nog eens in zijn algemeenheid besproken en geconcludeerd, na overleg met de bezwaarverzekeringsarts, dat zij als passend zijn te beschouwen. Stiekema heeft daarbij overwogen dat het nadrukkelijk de bedoeling is de functies, uitgaande van de door de verzekeringsarts vastgestelde medische context, meer in zijn algemeenheid te beoordelen en niet op detailbelastingniveau, zoals dit bij een FIS- beoordeling wel gebeurde.

Eiseres is hiertegen naar het oordeel van de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor onder "Algemeen" is overwogen, terecht opgekomen. De motivering van het standpunt van verweerder dat de aan eiseres voorgehouden functies door haar verricht kunnen worden, voldoet niet aan de eisen, zoals die hiervoor aan het slot van de rubriek "Algemeen" zijn weergegeven.

Het bestreden besluit komt dan ook vanwege een ontoereikende arbeidskundige grondslag voor vernietiging in aanmerking, zodat het beroep gegrond is.

Niettemin zal de rechtbank onderzoeken of er termen zijn om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en overweegt in verband daarmee nog het volgende.

Bij brief van 12 augustus 2003 heeft verweerder een nadere toelichting op de geselecteerde functies gegeven.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven ook aan de hand van het overgelegde formulier 'Toelichting functieduiding CBBS' nog geen grip op de CBBS-materie te hebben, te meer daar hem tot voor de zitting onduidelijk was hoe dit formulier moest worden gelezen. De gemachtigde heeft daarom het standpunt ingenomen dat de thans gegeven motivering niet meer kan worden meegenomen.

De rechtbank onderschrijft dit standpunt, nu eerst ter zitting een (mogelijk) voldoende motivering ter zake van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is gegeven. Deze motivering is in een zo laat stadium van deze, naar inhoud complexe, procedure naar voren gebracht, dat van eiseres en haar gemachtigde niet kan worden verlangd dat ter zitting een (volledig) adequate reactie wordt gegeven. Het in de procedure betrekken van deze nadere arbeidskundige onderbouwing leidt dan ook tot strijd met een goede procesorde.

Reeds om die reden zal niet verder onderzocht worden of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

De rechtbank acht termen verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres, begroot op € 653,12 (bestaande uit € 644,- voor proceskosten en € 9,12 in verband met reiskosten voor het bijwonen van de zitting door eiseres).

Beslist wordt als volgt.

III. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op de bezwaren van eiseres met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van eiseres, zijnde € 653,12 en bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen deze kosten, alsmede het door eiseres betaalde griffierecht ad € 29,- dient te vergoeden.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002 te 3500 DA Utrecht binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak.

Aldus gegeven door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzitter en mrs. T.F. Bruinenberg en

J.H. de Wildt, leden, en uitgesproken in het openbaar op

door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van H.J. Boerma, griffier.

H.J. Boerma mr. A.T. de Kwaasteniet

Afschrift verzonden op: