Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2003:AN7751

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
28-10-2003
Datum publicatie
07-11-2003
Zaaknummer
03/648 en 03/876
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bouw hunebedmuseum in Borger kan doorgaan

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2005/229
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Kenmerk: 03/648 en 876 WW44

U I T S P R A A K

van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Assen op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het geding tussen:

de Stichting Leefbaar Noord-Oost Borger, gevestigd te Borger, verzoekster,

en

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Borger-Odoorn, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2003 heeft verweerder aan het Nationaal Hunebedden Informatiecentrum (verder het NHI) bouwvergunning verleend voor het bouwen van een museum op het plaatselijk bekende perceel Bronnegerstraat 12 te Borger.

Namens verzoekster is tegen dit besluit bezwaar gemaakt en is de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (het geding 03/648).

Het namens verzoekster gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 1 oktober 2003 ongegrond verklaard.

Namens verzoekster is bij brief van 6 oktober 2003 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld (het geding 03/876).

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is op voet van het bepaalde in het vijfde lid van artikel 8:81 van de Awb gelijk gesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden.

Namens verzoekster zijn op 20 oktober 2003 aanvullende stukken ingediend.

Voor zover niet door hen ingediend hebben partijen afschriften van de gedingstukken ontvangen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 22 oktober 2003, alwaar, daartoe ambtshalve opgeroepen, namens verzoekster [secretaris en penningmeester], respectievelijk secretaris en penningmeester zijn verschenen, alsmede [getuige]. Van hen hebben [secretaris en penningmeester] het verzoek nader toegelicht.

Verweerder heeft zich bij die gelegenheid -daartoe ambtshalve opgeroepen- doen vertegenwoordigen door de heer H.G.J.C. Brink, bijgestaan door mr. T. Knoop, advocaat te Groningen. Zij hebben het standpunt van verweerder nader uiteen gezet.

Voorts heeft -daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen- namens het NHI de heer H. Klompmaker ter zitting het woord gevoerd.

II. Motivering

Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan wanneer beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Feiten en omstandigheden

Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de voorzieningenrechter de volgende feiten en omstandigheden.

Op 28 juni 2001 heeft de raad van de gemeente Borger-Odoorn het bestemmingsplan 'Nationaal Hunebedden Informatiecentrum' vastgesteld.

Bij besluit van 22 januari 2002 hebben gedeputeerde staten van Drenthe in positieve zin beslist over de goedkeuring van dit bestemmingsplan.

Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een nieuw museum op voormeld perceel, waarbij het bestaande gebouw gehandhaafd blijft ten behoeve van additionele voorzieningen. Voorts voorziet het bestemmingsplan in de aanleg van een prehistorische tuin.

Tegen het goedkeuringsbesluit is door -onder meer- verzoekster beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij uitspraak van 2 april 2003 heeft de Afdeling het beroep (geheel) ongegrond verklaard.

Op 17 december 2002 heeft het NHI bij verweerder een aanvraag om een bouwvergunning ingediend voor het onderhavige bouwplan.

Bij besluit van 6 juni 2003 heeft verweerder, nadat door het Drents Plateau op 15 mei 2003 was aangegeven dat het bouwplan aan de redelijke eisen van welstand voldoet, de desbetreffende bouwvergunning verleend.

Tegen dit besluit is namens verzoekster bezwaar gemaakt. De bezwaren zijn mondeling toegelicht ten overstaan van de commissie bezwaar- en beroepschriften van de gemeente Borger-Odoorn (verder de commissie) tijdens een hoorzitting op 8 september 2003.

De commissie heeft op diezelfde datum van advies gediend, inhoudende het ongegrond verklaren van de bezwaren van verzoekster.

Bij het thans bestreden besluit van 1 oktober 2003 heeft verweerder dienovereenkomstig beslist, daarbij overwegende dat uit artikel 44 van de Woningwet blijkt dat de bouwvergunning moet worden verleend.

Voorts heeft verweerder bij die gelegenheid aan verzoekster medegedeeld dat het in het bestemmingsplan opgenomen aanlegvergunningenstelsel niet geldt voor bouwwerken zoals het gebouw waarvoor de bouwvergunning is afgegeven.

Standpunten van partijen

Samengevat weergegeven wordt namens verzoekster het volgende aangevoerd:

- Op de gehele kavel dient nog een grondig afgerond archeologisch onderzoek plaats te vinden voordat er van enig grondverzet sprake kan zijn. Het reeds verrichte onderzoek is, zo stelt verzoekster, slechts indicatief en geeft geen totaalbeeld, reden waarom aanvullend onderzoek noodzakelijk is.

- Er dient nog een milieuvergunning te worden afgegeven, dan wel een melding te worden gedaan.

- Het vigerende bestemmingsplan is volgens verzoekster niet obstakelvrij, nu op 17 mei 2003 een herzieningsverzoek bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is ingediend.

- De kaart, behorende bij het onderhavige bouwplan komt niet overeen met de bij het bestemmingsplan behorende plankaart, met name daar waar het gaat om de situering van de hoofdontsluiting.

- Het spoedeisende belang is gelegen in het feit dat op of omstreeks 31 oktober begonnen zal worden met de bouwwerkzaamheden.

De mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden is volgens verweerder voldoende onderkend. Graafwerkzaamheden ten behoeve van de bouw zullen onder auspiciën van de provinciaal archeoloog plaatsvinden.

Het NHI kan volgens verweerder volstaan met een kennisgeving, nu het Besluit horeca-, sport- en recreatieinrichtingen milieubeheer van toepassing is. Een (separate) vergunning is in de optiek van verweerder niet nodig.

Het namens verzoekster bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ingediende herzieningsverzoek schort, zo stelt verweerder, het inwerking treden van het bestemmingsplan niet op

Met betrekking de bij de bouwaanvraag gevoegde situatietekening merkt verweerder op dat deze weliswaar een globaal karakter heeft, maar voldoende is om als overzichttekening te dienen voor de bouwvergunning. Verweerder wijst er daarbij op dat voor de aanleg van de parkeerplaats met een nieuwe hoofdontsluiting een afzonderlijke aanlegvergunning nodig is, maar dat die nog niet is aangevraagd.

Namens het NHI is ter zitting aangevoerd dat een voorafgaand archeologisch onderzoek contractueel is toegezegd en dat deze toezegging ook gestand zal worden gedaan.

De gang van zaken bij dit onderzoek is ter zitting geschetst en namens het NHI is aangegeven dat het de bedoeling is om op 31 oktober a.s. daarmee te gaan beginnen.

Het is de bedoeling, zo is namens het NHI ter zitting gesteld, om zo zorgvuldig te zijn als verzoekster het wil.

Beoordeling

In geschil is de bouwvergunning, zoals deze aan het NHI is verleend voor de oprichting van een nieuw museum op voormelde locatie.

De voorzieningenrechter overweegt vooraf dat een bouwvergunning een gebonden beschikking is, hetgeen betekent dat indien er geen weigeringsgrond, zoals neergelegd in artikel 44 van de Woningwet, aanwezig is, verweerder de gevraagde bouwvergunning moet verlenen.

Derhalve dient de vraag te worden beantwoord of zich in casu één of meerdere van de in artikel 44 van de Woningwet -limitatief- opgesomde weigeringsgronden voordoen op grond waarvan verweerder de gevraagde bouwvergunning had behoren te weigeren.

De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

In de eerste plaats is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van strijd met het vigerende bestemmingsplan 'Nationaal Hunebedden Informatiecentrum' nu de voorzieningenrechter niet is gebleken dat het bouwplan niet zou voldoen aan de voorschriften behorende bij dit bestemmingsplan.

Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat dit bestemmingsplan heeft te gelden als wettelijk kader waaraan het onderhavige bouwplan dient te worden getoetst. Het feit dat namens verzoekster de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is verzocht bovenvermelde uitspraak van 2 april 2003 te herzien maakt dit niet anders, nu het honoreren van dit verzoek uitsluitend tot gevolg kan hebben dat het goedkeuringsbesluit van Gedeputeerde Staten van Drenthe alsnog wordt vernietigd.

Aan een dergelijke vernietiging kan echter blijkens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verwezen zij onder meer naar een uitspraak van 21 december 1999, gepubliceerd in AB 2000/78) geen terugwerkende kracht worden toegekend daar waar het de thans in geding zijnde bouwvergunning betreft.

Ook de overige weigeringsgronden, zoals neergelegd in artikel 44 van de Woningwet, doen zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter in casu niet voor.

Hierbij tekent de voorzieningenrechter aan dat namens verzoekster daaromtrent ook niets is aangevoerd.

Los van het vorenstaande kan aan de bepalingen van het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ( tot stand gekomen op 16 januari 1992 te Valletta, Trb. 1992, 32 en Trb. 1992, 97 voor wat betreft de Nederlandse vertaling) naar het oordeel van de voorzieningenrechter -in weerwil van hetgeen verzoekster voorstaat- evenmin een grond worden ontleend op basis waarvan verweerder de in geding zijnde bouwvergunning had behoren te weigeren.

Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat de bepalingen van dit verdrag, gelet op de aard, inhoud en strekking ervan, geen rechtstreekse werking hebben en derhalve niet door iedere belanghebbende voor de bevoegde nationale rechter kunnen worden ingeroepen.

Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen aanleiding voor verweerder bestond tot aanhouding van de beslissing op de in geding zijnde bouwaanvraag overeenkomstig het bepaalde in artikel 52 van de Woningwet nu niet is gebleken dat het NHI milieuvergunningplichtig zou zijn.

Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking de door het NHI ingevulde Vragenlijst Besluit horeca-, sport en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Alle daarop voorkomende vragen zijn door het NHI met 'nee' beantwoord.

Weliswaar is namens verzoekster is in dit verband ter zitting aangevoerd dat de beantwoording van een tweetal vragen niet correct zou zijn geschied, waarbij is gewezen op ter plaatse in het verleden georganiseerde activiteiten, doch daarbij ging het -blijkens niet weersproken mededeling van verweerder en de vertegenwoordiger van het NHI- om incidentele, niet tot de hoofdtaak van het NHI behorende activiteiten, zodat dit betoog van verzoekster geen doel kan treffen.

Gelet op het vorenstaande kan hetgeen namens verzoekster is aangevoerd niet leiden tot een gegrondverklaring van het beroep.

Ook overigens zijn de voorzieningenrechter geen feiten en/of omstandigheden gebleken die maken dat het bestreden besluit zou moeten worden vernietigd, zodat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Om die reden bestaat er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb

Beslist wordt als volgt.

III. Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep

- verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Uitsluitend tegen de uitspraak op het beroep kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepsschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA 's-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

Aldus gegeven door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzieningenrechter en uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2003

door mr. A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van mr. W.P. Claus, griffier.

mr. W.P. Claus mr. A.T. de Kwaasteniet

Afschrift verzonden op:

typ: wpc