Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2003:AL3301

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
07-10-2003
Datum publicatie
13-10-2003
Zaaknummer
19/830032-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft ten tijde van de feiten het inzicht gehad dat het plegen daarvan maatschappelijk onaanvaardbaar was maar is, ondanks dat inzicht, onvoldoende in staat geweest zijn wil en handelen overeenkomstig dat inzicht te bepalen. Recidive van dergelijke delicten is niet uitgesloten, vooral als er een gebrek is aan toezicht en de gelegenheid zich wederom zou voordoen dat hij in contact komt met min of meer weerloze minderjarige meisjes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

STRAFVONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[naam verdachte],

geboren in het jaar 1969,

thans gedetineerd in het huis van bewaring te Hoogeveen.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 april, 2 juli en 23 september 2003.

De verdachte is verschenen ter terechtzittingen van 23 april en 23 september 2003 en werd telkens bijgestaan door mr. J.B. Pieters, advocaat te Meppel.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Supèr.

De vordering houdt in: twee jaar gevangenisstraf met aftrek en terbeschikkingstelling met dwangverpleging voor de feiten onder 1. tot en met 6. en toewijzing van de civiele vordering, tevens in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel, ten bedrage van 4040,-- euro.

1. TENLASTELEGGING

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de

periode van 1 januari 1987 tot en met 7 augustus 1989, te Linde, althans in de

gemeente Zuidwolde, met [maam slachtoffer], geboren op [geboortedatum], die

toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt,

(telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande

(telkens) in het ontuchtig betasten van en/of knijpen in de/een borst(en) van

die [naam slachtoffer] en/of het (telkens) brengen/duwen van zijn,

verdachte's vinger(s) in de vagina, althans het betasten van de vagina en/of

de schaamstreek van die [naam slachtoffer] en/of het (telkens) doen/laten

betasten van zijn, verdachte's penis, door die [naam slachtoffer];

2.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de

periode van 8 augustus 1989 tot en met 30 november 1991, te Linde, althans in

de gemeente Zuidwolde, buiten echt, (telkens) vleselijke gemeenschap heeft

gehad met een vrouw, die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien

jaren had bereikt, te weten met [naam slachtoffer], geboren op [geboortedatum];

3.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de

periode van 1 december 1991 tot en met 7 augustus 1993, te Linde, althans in

de gemeente Zuidwolde, met [naam slachtoffer], die de leeftijd van twaalf

jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, (telkens)

een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en)

uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[naam slachtoffer], hebbende verdachte (telkens)

- zijn, verdachte's, penis en/of een of meer van zijn, verdachte's, vinger(s)

in de vagina van die [naam slachtoffer] gebracht/geduwd en/of

- de/een borst(en) en/of de vagina en/of de schaamstreek van die [naam slachtoffer] betast en/of

- zijn, verdachte's, penis door die [naam slachtoffer] doen/laten betasten;

4.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks

periode van 8 augustus 1993 tot en met 1 december 2002, in de gemeente Assen

en/of de gemeente Hoogeveen en/of de gemeente Zuidwolde, (telkens) door geweld

of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een)

andere feitelijkhe(i)d(en) [naam slachtoffer] (telkens) heeft gedwongen tot

het ondergaan van (een) handeling(en) die (telkens) bestond(en) uit of mede

bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer],

hebbende verdachte zijn, verdachte's, penis en/of een of meer

van zijn vinger(s) en/of zijn/een hand in de vagina van die [naam slachtoffer] heeft

geduwd/gedaan en bestaande dat geweld of die andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijk-

he(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte door een jarenlang proces/patroon

van seksueel misbruik die [naam slachtoffer] in een situatie had/heeft

gebracht dat zij wist/dacht dat verzet tegen de handelingen van verdachte hem

niet zouden bewegen de handelingen te stoppen, waardoor zij zich niet (meer)

verzette en/of (aldus) voor die [naam slachtoffer] een bedreigende situatie

heeft doen ontstaan;

5.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de

periode van 1 januari 2000 tot en met 1 oktober 2001, te Zuidwolde en/of te

Linde, althans in de gemeente De Wolden, met [naam slachtoffer], die toen de

leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (telkens) een of meer

handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede

bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer],

hebbende verdachte (telkens) zijn, verdachte's penis en/of een of

meer van zijn, verdachte's vinger(s) in de vagina van die [naam slachtoffer]

geduwd/gebracht en/of (telkens) de/een borst(en) en/of de vagina en/of de

schaamstreek van die [naam slachtoffer] betast;

6.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de

periode van 2 oktober 2001 tot en met 3 december 2002, te Zuidwolde en/of te

Linde, althans in de gemeente De Wolden, met [naam slachtoffer], die de

leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,

buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die

(telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen

van het lichaam van die [naam slachtoffer], hebbende verdachte (telkens)

zijn, verdachte's, penis en/of een of meer van zijn, verdachte's vinger(s) in

de vagina van die [naam slachtoffer] geduwd/gebracht en/of (telkens) de/een

borst(en) en/of de vagina en/of de schaamstreek van die [naam slachtoffer]

betast;

Indien de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten bevat, worden deze geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor blijkens het onderzoek ter terechtzitting niet geschaad in de verdediging.

2. VRIJSPRAAK

De verdachte dient van het onder 4. en 5. tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht met betrekking tot het onder 4. tenlastegelegde met name niet bewezen, dat verdachte fysiek geweld tegen [naam slachtoffer] heeft gebruikt noch dat hij de omschreven bedreigende situatie heeft doen ontstaan, waardoor zij zich niet langer verzette tegen de handelingen van verdachte.

Overigens leest de rechtbank het tenlastegelegde aldus dat verdachte door een jarenlang proces/patroon van seksueel misbruik [naam slachtoffer] in een situatie had/heeft gebracht dat hij wist/vermoedde dat zij haar verzet tegen de handelingen van verdachte had opgegeven omdat zij dacht dat verzet tegen de handelingen van verdachte hem niet zouden bewegen de handelingen te stoppen.

Met betrekking tot het onder 5. tenlastegelegde acht de rechtbank met name niet bewezen dat de verweten gedragingen hebben plaats gehad in de tenlastegelegde periode.

3. BEWIJSMIDDELEN

Verdachte en diens raadsvrouw hebben, zakelijk weergegeven, het volgende betoogd:

verdachte is in zijn verklaringen door de politie geleid. Hij is begonnen met te zeggen dat hij het niet had gedaan. Vervolgens werden hem telkens meerkeuzevragen voorgelegd waarbij verdachte steeds twee opties had. Wanneer verdachte had gezegd: "ik heb haar aangeraakt" dan was de volgende vraag "op de kleding of onder de kleding". Had verdachte daaruit gekozen dan werd hem de volgende keuze voorgelegd en op die manier werden de verklaringen van [naam slachtoffer] nagelopen.

De raadsvrouw verzoekt de verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd buiten beschouwing te laten.

De rechtbank heeft geenszins de indruk dat verdachte in zijn verklaringen is geleid. Integendeel: verdachte verklaart gedetailleerd en corrigeert de verklaringen van de aangevers waar nodig. Zo zegt hij op pag. 116 van het proces-verbaal, naar aanleiding van het studioverhoor van [naam slachtoffer] dat hij met zijn tong aan haar vagina zat (pag. 102 van het proces-verbaal), dat hij eerst zijn vingers met spuug en daarna haar vagina heeft nat gemaakt, maar dat hij haar vagina niet heeft gelikt. Misschien omdat ik het nat maakte, dat [naam slachtoffer] gedacht heeft, dat het mijn tong was, aldus verdachte.

Bij de totstandkoming van dit onderdeel van de verklaring kàn de verdachte niet zijn geleid. De verhorende politieambtenaren kenden dit detail immers niet. Geconfronteerd met de verklaring van [naam slachtoffer] geeft verdachte vrijmoedig zíjn lezing van het gebeurde. Het verweer van de verdediging treft geen doel.

De rechtbank zal de bekennende verklaringen van de verdachte dan ook niet van de bewijsvoering uitsluiten.

Bewijsmiddelen overeenkomstig de nader op te nemen bewijsconstructie.

4. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht door de inhoud van deze bewijsmiddelen, waarop de hierna te vermelden beslissing steunt, waarbij ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, telkens slechts is gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft, wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen, dat de verdachte het onder 1., 2., 3. en 6. tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 augustus 1988 tot en met 7 augustus 1989, te Linde met [naam slachtoffer], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, telkens ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig betasten van de borsten van die [naam slachtoffer] en het brengen van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [naam slachtoffer] en het doen betasten van zijn, verdachtes, penis door die [naam slachtoffer];

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 8 augustus 1989 tot en met 30 november 1991, te Linde buiten echt telkens vleselijke gemeenschap heeft gehad met een vrouw, die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien

jaren had bereikt, te weten met [naam slachtoffer], geboren op [geboortedatum];

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 december 1991 tot en met 7 augustus 1993, te Linde met [naam slachtoffer], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, telkens ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer], hebbende verdachte

- zijn, verdachtes, penis en/of zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [naam slachtoffer] gebracht en

- de borsten en de vagina en de schaamstreek van die [naam slachtoffer] betast en

- zijn, verdachtes, penis door die [naam slachtoffer] doen betasten;

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 2 oktober 2001 tot en met 3 december 2002, te Zuidwolde en te Linde met [naam slachtoffer], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer], hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis en/of een of meer van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [naam slachtoffer] gebracht en de borsten en de vagina en de schaamstreek van die [naam slachtoffer] betast;

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring.

De verdachte zal van het onder 1., 2., 3. en 6. meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

5. KWALIFICATIES

Het bewezene levert respectievelijk op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren ontuchtige handelingen plegen,

strafbaar gesteld bij artikel 247 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd.

Buiten echt vleselijke gemeenschap hebben met een vrouw die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt,

strafbaar gesteld bij artikel 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd.

Met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

strafbaar gesteld bij artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd.

Met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

strafbaar gesteld bij artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd.

6. STRAFBAARHEID

Bij de stukken is aanwezig een psychiatrisch rapport d.d. 30 mei 2003 opgemaakt door R. Vriesema, psychiater, psychoanalyticus en vast gerechtelijk deskundige.

Dit rapport houdt onder meer in als conclusie: bij verdachte bestaat een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens. Hij is behept met een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis en een afgesplitste seksualiteitsbeleving met een externe functionering van het geweten. Dit deed zich ook voor ten tijde van de delicten. Het is in die mate geweest dat verdachte daarvoor in licht beperkte mate verantwoordelijk kan worden geacht.

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de gebleken toedracht van de feiten en de persoon van de verdachte, met voormelde conclusie en maakt die tot de hare.

De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen geachte aan verdachte kan worden toegerekend, zij het in sterk verminderde mate.

De rechtbank acht de verdachte deswege strafbaar en komt tot de hierna te vermelden strafoplegging.

7. STRAFMOTIVERING

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten.

- De omstandigheden waaronder deze zijn begaan.

- Hetgeen de rechtbank is gebleken omtrent de persoon van de verdachte.

- De eis van de officier van justitie.

- De inhoud van het verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 28 januari 2003.

De rechtbank is op grond van genoemde feiten en omstandigheden van oordeel, dat in dit geval niet kan worden volstaan met een andere straf dan gevangenisstraf van de hierna te vermelden duur.

8. MOTIVERING MAATREGEL VAN TERBESCHIKKINGSTELLING

De rechtbank acht termen aanwezig tot het opleggen aan verdachte van de maatregel van terbeschikkingstelling, waarbij de rechtbank het navolgende in aanmerking neemt:

- de door verdachte begane feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijvingen een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld.

- De veiligheid van anderen eist het opleggen van deze maatregel.

- De ernst van de begane feiten wijst op de noodzaak van deze maatregel.

- De inhoud van het met redenen omkleed en ondertekend advies d.d. 30 mei 2003 van R. Vriesema, psychiater/psychoanalyticus, en de inhoud van het met redenen omkleed en ondertekend advies d.d. 10 juni 2003 van Drs. N.A. Schoenmaker, GZ-psychologe, alsmede de inhoud van de overige adviezen en rapporten die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht wijzen op de noodzaak van deze maatregel.

De conclusies van het advies d.d. 30 mei 2003 van R. Vriesema, psychiater/ psychoanalyticus, luiden: bij verdachte bestaat een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens. Hij is behept met een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis en een afgesplitste seksualiteitsbeleving met een externe functionering van het geweten. Dit deed zich ook voor ten tijde van de delicten. Het is in die mate geweest dat verdachte daarvoor in licht beperkte mate verantwoordelijk kan worden geacht. Hij heeft ten tijde van de feiten het inzicht gehad dat het plegen daarvan maatschappelijk onaanvaardbaar was maar is, ondanks dat inzicht, onvoldoende in staat geweest zijn wil en handelen overeenkomstig dat inzicht te bepalen. Recidive van dergelijke delicten op termijn is niet uitgesloten, vooral als er een gebrek is aan toezicht en de gelegenheid zich wederom zou voordoen dat hij in contact komt met min of meer weerloze minderjarige meisjes. Hij kan dan een gevaar zijn voor anderen. In verband met het zeer zwak sociaal milieu waarin verdachte verkeert, het gegeven dat verdachte geneigd kan zijn tot een snelle schijnaanpassing en gebaat is bij een sterk gestructureerde, maar ook beveiligde setting, wordt een maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging geadviseerd.

De conclusies van het advies d.d. 10 juni 2003 van Drs. N.A. Schoenmaker, GZ-psychologe, luiden: bij verdachte bestaat een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Er is sprake van een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis. Er bestaat een diepgaand patroon van geremdheid in gezelschap, gevoel van tekortschieten in sociale situaties en overgevoeligheid voor een negatief oordeel door anderen, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties. Voorts lijkt er bij betrokkene een gebrek aan zelfinzicht en aan invoelend vermogen te bestaan. De waarden en normen betreffende seksualiteit zijn onvoldoende geïnternaliseerd en geïntegreerd in de persoonlijkheidsstructuur van betrokkene. In seksuele zin heeft hij zich niet kunnen begrenzen, wel wetende dat hij in overtreding was.

Deze gebrekkige ontwikkeling deed zich ook voor ten tijde van de delicten. Hij kan daarvoor slechts in licht beperkte mate verantwoordelijk worden geacht.

Hij is onvoldoende in staat geweest om zijn wil en handelen te bepalen overeenkomstig het inzicht dat het plegen van die feiten maatschappelijk onaanvaardbaar is.

Bij verdachte is de kans op recidive aanwezig, mede gelet op zijn persoonlijkheidsstoornis waarbij de normen en waarden ten aanzien van zijn seksualiteit onvoldoende geïnternaliseerd en geïntegreerd zijn in de persoonlijkheidsstructuur.

Verdachte kan een gevaar zijn voor anderen. Gelet op de gebrekkige ontwikkeling, de aanwijzingen voor een gebrek aan zelfinzicht en aan invoelend vermogen en het feit dat betrokkene zich in seksuele zin niet heeft kunnen begrenzen is het raadzaam om een langdurige gedwongen behandeling, terbeschikkingstelling met verpleging, op te leggen. Alleen zo kan het recidivegevaar verminderen.

De rechtbank verenigt zich met die conclusies en maakt deze tot de hare.

De rechtbank zal voorts bevelen dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, omdat de veiligheid van anderen de verpleging eist.

De rechtbank komt tot dit bevel, mede gelet op de inhoud van bovengenoemde adviezen d.d. 30 mei 2003 van R. Vriesema, psychiater/psychoanalyticus, en 10 juni 2003 van Drs. N.A. Schoenmaker, GZ-psychologe.

9. BENADEELDE PARTIJ [naam benadeelde partij]

De rechtbank acht het causaal verband tussen de onrechtmatige daad en de schade, de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade, alsmede het bedrag der gevorderde schade tot na te noemen bedrag bewezen, zodat de civiele vordering tot dat bedrag voor toewijzing vatbaar is. Voor het overige - ter terechtzitting vermeerderde - deel acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering, omdat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd.

10. SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Met betrekking tot de onder 1. tot en met 3. bewezen verklaarde feiten acht de rechtbank verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade, die door de strafbare feiten is toegebracht.

Aan verdachte zal de verplichting worden opgelegd na te noemen bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

11. TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 27, 36f, 37a, 37b en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

12. BESLISSING VAN DE RECHTBANK

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 4. en 5. is tenlastegelegd en spreekt verdachte mitsdien daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat het onder 1., 2., 3. en 6. tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door verdachte is begaan.

Stelt vast, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

een gevangenisstraf voor de tijd van EEN JAAR.

Beveelt, dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt voorts dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd.

Verstaat dat de bewezenverklaarde feiten misdrijven zijn die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 1., 2., 3. en 6. meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij van de som van 2000-- euro, met de veroordeling tevens van verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is en dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan veroordeelde de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam slachtoffer], een bedrag van 2000,-- euro te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 40 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Münzebrock, voorzitter, en mr. W.M. van Schuijlenburg en mr. G. Kaaij, rechters, in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 7 oktober 2003, zijnde mr. Kaaij buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.-