Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2003:AI0153

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
16-07-2003
Datum publicatie
21-07-2003
Zaaknummer
31261
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Psychotherapeut handelde bij de begeleiding van de moordenaar van Tjirk van Wijk onrechtmatig, doch is niet aansprakelijk voor de gevorderde schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 585

Uitspraak

Zaaknummer: 31261

Vonnisdatum: 16 juli 2003

RECHTBANK ASSEN

Vonnis van de eerste meervoudige kamer in de zaak van:

[eisers],

allen nabestaanden van TJIRK VAN WIJK,

eisende partijen,

advocaat mr. L.H. de Boer te Groningen,

procureur mr. H.J. de Ruijter,

-- tegen --

[gedaagde],

wonende te [woonplaats], [straat],

gedaagde partij sub 3,

advocaat mr. M.F.H.M. van Haastert,

procureur mr. J.G. Besling.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eisers] respectievelijk [gedaagde].

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende zich in het griffiedossier bevindende gedingstukken, waarop vonnis is gevraagd:

- de dagvaarding van 27 december 2000;

- de conclusie van eis van 16 januari 2001;

- de conclusie van antwoord van 8 januari 2002;

- de conclusie van repliek van 7 mei 2002;

- de akte vermindering van eis van 18 juni 2002;

- de conclusie van dupliek van 5 november 2002;

- de bij de conclusies gevoegde en overigens ingebrachte producties.

Aanvankelijk waren in de procedure drie gedaagde partijen (de Staat der Nederlanden, het Consultatiebureau voor Alkohol en Drugs en [gedaagde]). Op de rolzitting van 19 februari 2003 is de zaak op verzoek van [eisers], de Staat en het CAD aangehouden tot 2 april 2002 in verband met schikkings-onderhandelingen tussen [eisers], de Staat en het CAD.

Op 2 april 2003 is ten aanzien van de Staat en het CAD door [eisers] doorhaling van de procedure gevraagd en verleend.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de niet of onvoldoende weersproken inhoud van overgelegde producties, staat in dit geding het volgende vast:

1.1 [gedaagde] was in 1999 psychoanalyticus en (klinisch) psychotherapeut te [woonplaats].

1.2 Bij vonnis van 26 maart 1997 heeft de rechtbank te Amsterdam [verdachte] (hierna te noemen: [verdachte]) wegens diefstal met geweld veroordeeld tot TBS met dwangverpleging. De maatregel van TBS is met ingang van 23 april 1997 ten uitvoer gelegd.

1.3 Op 12 april 1999 en 28 juni 1999 is de vordering tot verlenging van de TBS met dwangverpleging behandeld. Bij beschikking van 28 juni 1999 heeft de rechtbank te Amsterdam de termijn van terbeschikkingstelling van [verdachte] met één jaar verlengd en de verpleging van overheidswege met ingang van 12 juli 1999 beëindigd onder de volgende bijzondere voorwaarden:

- dat [verdachte] zich zal stellen onder toezicht van en zich zal houden aan alle aanwijzingen van de Reclassering Nederland, arrondissement Assen, afdeling CAD Drenthe, en dat [ve[verdachte] zich voor de reclassering controleerbaar zal opstellen.

- dat [verdachte] zich ook aan de aanwijzingen zal houden die mevrouw J.R. Douglas-Broers en de heer W. Ganzevles hem middels het CAD Drenthe zullen geven;

- dat [verdachte] zijn medewerking zal verlenen aan het begeleidingscontact met psychotherapeut [gedaagde] en voorts diens aanwijzingen zal opvolgen;

- dat [verdachte] zich zal houden aan de voorgeschreven medicatie en aan de overige aanwijzingen hieromtrent door zijn behandelaar(s);

- dat [verdachte] zich zal onthouden van het gebruik van alcohol en drugs en zal meewerken aan urinecontroles;

- dat [verdachte] zich niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;

- dat [verdachte] niet van woonadres zal veranderen en niet zal gaan reizen zonder overleg met en zonder toestemming van de reclassering. Zolang de TBS-maatregel van kracht is, is het [ve[verdachte] niet toegestaan zich naar het buitenland te begeven.

1.4 Op 12 juli 1999 is [verdachte] in vrijheid gesteld.

1.5 Op 13 juli 1999 hebben het CAD (afdeling reclassering) en [verdachte] een contract ondertekend waarin onder meer staat:

[verdachte] houdt zich aan de afspraken met [gedaagde]

1.6 In juli 1999 heeft [gedaagde] het bedoelde contract ingezien.

1.7 In september 1999 heeft [verdachte] heroïne gebruikt. Vanaf 22 september 1999 heeft [verdachte] na bemiddeling door [gedaagde] deelgenomen aan een methadonprogramma.

1.8 [afdelin[afdelingshoofd]], hoofd afdeling reclassering van het CAD, heeft op 24 september 1999 telefonisch overleg gehad met de piketofficier van justitie te Amsterdam en de regiopolitie Assen. In deze gesprekken heeft [afdelingshoofd] gemeld dat [verdachte] middelen had gebruikt en dat [verdachte] ter voorkoming van verder druggebruik methadon werd verstrekt.

1.9 Begin oktober 1999 heeft [verdachte] aan [gedaagde] verteld dat hij een met name genoemd persoon wilde vermoorden. Tevens heeft [verdachte] bij die gelegenheid aan [gedaagde] een alarmpistool laten zien. De volgende dag heeft [gedaagde] het alarmpistool bij [verdachte] opgehaald en meegenomen naar zijn eigen huis. [gedaagde] heeft dit voorval niet aan het CAD en niet aan het OM gemeld.

1.10 Op 10 oktober 1999 heeft [verdachte] [slachtoffer] onder dwang een glas laten leegdrinken dat gevuld was met water en de inhoud van een volle strip Seresta, 1 strip Valium en een aantal losse pillen anti-depressiva. Vervolgens heeft [verdachte] contact opgenomen met [gedaagde]. Toen [gedaagde] bij de woning van [verdachte] arriveerde trof hij [slachtoffer] bewusteloos aan, terwijl zij op de grond lag, gekleed was in een slipje en er meerdere stukken uit haar haar waren geknipt. Hierna heeft [gedaagde] [slachtoffer] naar een politiebureau gebracht. [gedaagde] heeft dit incident op 11 oktober 1999 aan het CAD gemeld.

1.11 Gewoonlijk nam [verdachte] Refusal c.q. Antabus (middelen die in combinatie met alcoholgebruik het braken opwekken) in het bijzijn van [gedaagde]. Medio oktober 1999 heeft [gedaagde] [verdachte] toegestaan pas later op de dag de Refusal in te nemen, omdat [verdachte] die ochtend één flesje bier had gedronken.

1.12 Bij periodieke rapportage van 13 oktober 1999 heeft het CAD aan het ministerie van justitie gemeld dat [verdachte] heroïne heeft gebruikt en op dat moment deelnam aan een methadonprogramma.

1.13 Op 16 oktober 1999 heeft [verdachte] opzettelijk Tjirk van Wijk (hierna te noemen: Tjirk) van het leven beroofd.

1.14 Eiseres sub 1 is de moeder van Tjirk. Eiseressen sub 2 en 5 zijn zussen van Tjirk. Eisers sub 3 en 4 zijn broers van Tjirk.

1.15 De kosten van lijkbezorging van Tjirk bedragen ƒ 7.050,41.

1.16 Voorts staat als feit van algemene bekendheid vast dat de Beroepscode voor Psychotherapeuten, opgesteld door de Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie en onder meer te kennen uit www.psychotherapie.nl luidt:

Artikel III.1: Bij het aangaan van de behandeling ontstaat er tussen de psychotherapeut en de cliënt een vertrouwensrelatie waarin voor de psychotherapeut een geheimhoudingsplicht jegens derden besloten ligt met betrekking tot uit de behandeling verkregen kennis.

Artikel III.2.1: Bij ontbreken van toestemming van de cliënt om informatie aan derden te verstrekken zoals aangegeven in artikel III.3.1.2.1 kan de psychotherapeut pas dán zich ontheven achten van de plicht tot geheimhouding indien tenminste voldaan is aan al de vijf hieronder genoemde voorwaarden:

a. Alles is in het werk gesteld om toestemming van de cliënt te verkrijgen;

b. De psychotherapeut moet in gewetensnood verkeren door het handhaven van de geheimhouding;

c. Er is geen andere weg dan doorbreking van het geheim om het probleem op te lossen;

d. Het is vrijwel zeker dat het niet-doorbreken van het geheim voor derden aanwijsbare en ernstige schade en/of gevaar op zal leveren;

e. De psychotherapeut moet er vrijwel zeker van zijn dat door de doorbreking van de geheimhouding die schade aan de andere(n) kan worden voorkomen of beperkt.

Artikel III.2.2: Ook in het geval de cliënt de psychotherapeut schriftelijk ontslaat van de plicht tot geheimhouding is laatstgenoemde niet verplicht de geheimhouding te doorbreken.

Artikel III.3.2.1.1: De psychotherapeut heeft het recht om, ook zonder toestemming van de cliënt informatie over hem met derden te bespreken, of audio- of film- of videoregistraties aan hen te vertonen, mits dezen gebonden zijn aan deze code of aan een op het punt van privacybescherming, gelijkwaardige code, en mits deze informatie-uitwisseling plaats vindt in het kader van intake- of voortgangsbesprekingen of in supervisie, intervisie of consultatie.

Artikel III.3.1.2.1: Onverminderd het bepaalde in artikel III.3.2.1.1 behoeft de psychotherapeut voor het geven van inzage in of het verstrekken van gegevens aan ieder die niet bij de behandeling betrokken is de schriftelijke en gerichte toestemming van de cliënt, tenzij de psychotherapeut ingevolge wettelijk voorschrift tot gegevensverstrekking verplicht is. Dit geldt ook voor audio-, video- of filmregistraties van therapiezittingen met de cliënt.

1.17 [afdelingshoofd] heeft bij de rechter-commissaris in strafzaken onder meer verklaard:

Ik wil ook nog zeggen dat als [verdachte] mij die affaire met dat wapen had gemeld, de situatie voor mij niet anders was geweest. Ik had de zaak dan waarschijnlijk ook zo ingeschat als is gebeurd. Dat zou voor mij vermoedelijk geen reden zijn geweest om beëindiging te vragen.

2. De vordering

2.1 [eisers] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalend de ander(en) gekweten zal (zullen) zijn, zal veroordelen tot het betalen van

- een bedrag van ƒ 1.410,08 aan ieder van [eisers], in verband met de kosten van lijkbezorging, derhalve in totaal een bedrag van ƒ 7.050,41, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 december 2000,

- een bedrag van ƒ 3.623,70 aan ieder van [eisers], in verband met de buitengerechtelijke kosten en kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid, derhalve in totaal een bedrag van ƒ 18.118,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 december 2000 en

- ƒ 50.000,00 aan ieder van [eisers], in verband met geleden en nog te lijden immateriële schade, derhalve in totaal een bedrag van ƒ 250.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 1999 en

met veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure.

2.2 [eisers] verwijten [gedaagde]:

a. dat [gedaagde] het hard drug gebruik van [verdachte] niet heeft gemeld aan het CAD en aan het openbaar ministerie;

b. dat [gedaagde] niet aan het openbaar ministerie heeft gemeld dat hij bij [verdachte] [slachtoffer] bewusteloos, terwijl zij op de grond lag, gekleed was in een slipje en meerdere stukken uit haar haar waren geknipt heeft aangetroffen;

c. dat [gedaagde] heeft bemiddeld zodat [verdachte] methadon verkreeg, zonder dat het CAD daarover vooraf was geïnformeerd;

d. dat [gedaagde] niet heeft ingegrepen toen [verdachte] op 17 oktober 1999 zei dat hij alcohol dat genuttigd en daarom weigerde Refusal in te nemen;

e. dat [gedaagde] het CAD niet heeft ingelicht toen [verdachte] dreigde iemand te vermoorden;

f. dat [gedaagde] het CAD niet heeft ingelicht toen hij het alarmpistool van [verdachte] had ingenomen.

3. Het verweer

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 De rechtbank te Amsterdam heeft de verpleging van overheidswege van [verdachte] met ingang van 12 juli 1999 beëindigd met onder meer de voorwaarde dat hij zijn medewerking zal verlenen aan het begeleidingscontact met psychotherapeut [gedaagde] en voorts diens aanwijzingen zal opvolgen. Deze voorwaarde is, evenals de andere voorwaarden, door de rechtbank opgelegd ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. De rechtbank verwijst naar artikel 38g lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Krachtens het in dit artikellid van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 38a (lid 3) van het Wetboek van Strafrecht houdt het Openbaar Ministerie toezicht op de naleving van de gestelde voorwaarden.

4.2 Naar het oordeel van de rechtbank kan de taak van [gedaagde] niet los worden gezien van het kader waarin zij plaats diende te vinden, namelijk als voorwaarde bij de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege, op de naleving waarvan het Openbaar Ministerie toezicht diende te houden ter bescherming van de hiervoor omschreven veiligheid. [gedaagde] besefte, althans had behoren te beseffen dat hij zijn werkzaamheden in dat kader verrichte, mede gezien de omstandigheid dat hij het contract tussen het CAD (afdeling reclassering) en [verdachte], waarin staat dat [verdachte] zich aan de afspraken met [gedaagde] dient te houden, in juli 1999 heeft ingezien.

4.3

[gedaagde] droeg kennis van evidente overtredingen en serieus te nemen dreigende ernstige overtredingen van de aan [verdachte] in het kader van de voorwaardelijk beëindiging van de verpleging van overheidswege aan [verdachte] gestelde voorwaarden, zonder dat hij het Openbaar Ministerie of het CAD daarover inlichtte. Voor de vraag of het gedrag van [gedaagde] onrechtmatig is, is doorslaggevend of het niet inlichten van het Openbaar Ministerie of het CAD door [gedaagde] in strijd is met wat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot verwacht mag worden.

4.4 Naar de rechtbank begrijpt heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij ter zake van deze kennis aan zijn geheimhoudingsplicht als psychotherapeut was gebonden en daardoor de (dreigende) overtredingen niet aan het Openbaar Ministerie of het CAD hoefde te melden. Daarom kan niet gezegd worden dat [gedaagde] handelde in strijd met wat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot verwacht mag worden, aldus [gedaagde].

4.5 Naar het oordeel van de rechtbank heeft een psychotherapeut de plicht in redelijke mate ervoor te zorgen dat een mogelijk slachtoffer van een gevaar beschermd wordt. Onder omstandigheden moet het vertrouwelijke karakter van de patiënt-psychotherapeutrelatie wijken wanneer openbaarmaking van therapiegegevens er toe leidt dat een ernstig gevaar door derden wordt afgewend (Vgl. H.J.C. van Marle, "Het voorspellen van gevaar en de geheimhouding van de behandelaar", Trema, 1998, nr. 5, p. 100-103).

4.6 Voor de beantwoording van de vraag wat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam psychotherapeut op het punt van het al dan niet doorbreken van de geheimhoudingsplicht verwacht mag worden, is de Beroepscode voor Psychotherapeuten van belang. Volgens artikel III.2.1 van deze beroepscode kan een psychotherapeut zich pas dán ontheven achten van zijn plicht tot geheimhouding indien aan een vijftal cumulatieve voorwaarden is voldaan. Twee van die voorwaarden zijn "dat het vrijwel zeker is dat het niet-doorbreken van het geheim voor derden aanwijsbare en ernstige schade en/of gevaar op zal leveren" en "dat de psychotherapeut er vrijwel zeker van is dat door de doorbreking van de geheimhouding de schade aan de ander(en) kan worden voorkomen of beperkt".

4.7 De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] zich had behoren te realiseren dat het niet-inlichten van het CAD en/of het Openbaar Ministerie een zeer groot risico met zich meebracht dat derden schade en/of gevaar zouden lopen en dat de kans dat dit gevaar of deze schade zou kunnen worden voorkomen door het CAD en/of het Openbaar Ministerie wel in te lichten zeer groot was. Het risico voor derden en de kans op voorkoming waren in de taxatie van de rechtbank zo groot dat ze gelijk te stellen vallen aan de criteria "vrijwel zeker" in de onder 4.6 vermelde voorwaarden. [gedaagde] had zich ontheven behoren te achten van zijn plicht tot geheimhouding en had de (dreigende) overtredingen bij het CAD en/of het Openbaar Ministerie moeten melden. Door de meldingen na te laten heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld.

4.8

Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat in dit geval [gedaagde] niet aansprakelijk gesteld kan worden voor de gevorderde schade, nu deze in een zodanig verwijderd verband tot de normschending staat dat deze niet aan hem als een gevolg van zijn nalaten kan worden toegerekend. Het is immers nog maar zeer de vraag of de dood van Tjirk voorkomen was indien [gedaagde] de (dreigende) overtredingen van de voorwaarden had gemeld aan het CAD of het Openbaar Ministerie. Ten eerste kan er niet zonder meer van uitgegaan worden dat het CAD na een melding door [gedaagde] de situatie van [verdachte] onder de aandacht van het Openbaar Ministerie had gebracht en het Openbaar Ministerie had geadviseerd (voorlopige) hervatting van de verpleging van overheidswege ex artikel 509i van het Wetboek van Strafvordering te vorderen. In dit verband wijst de rechtbank naar de onder 1.17 weergegeven verklaring van [afdelingshoofd]. Ten tweede is de vraag of het Openbaar Ministerie (mede gelet op het opportuniteitsbeginsel) daadwerkelijk de aanhouding van [verdachte] zou hebben bevolen indien de (dreigende) overtredingen van de voorwaarden aan het Openbaar Ministerie bekend waren. In ieder geval is het Openbaar Ministerie op 24 september 1999 bekend geworden dat [verdachte] drugs gebruikte, hetgeen een overtreding van de voorwaarden is. Hieruit kan afgeleid worden dat het Openbaar Ministerie niet bij elke overtreding van de voorwaarden hervatting van de verpleging van overheidswege opportuun acht.

4.9 Daarnaast kon [gedaagde] niet weten dat [verdachte] mogelijk Tjirk iets aan zou doen. Daardoor kan niet worden aangenomen dat het doorbreken van de geheimhoudingsplicht door [gedaagde] aanwijsbare schade kon voorkomen. [verdachte] heeft immers gedreigd een met name genoemd persoon (niet zijnde Tjirk) te vermoorden.

4.10 Nu niet is komen vast te staan dat de schade door het nalaten van [gedaagde] is veroorzaakt, zullen de vorderingen worden afgewezen.

4.11 [eisers] zullen als in het ongelijk te stellen partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

BESLISSING

De rechtbank:

1. Wijst de vorderingen af.

2. Veroordeelt [eisers] in de kosten van deze procedure aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 2.450,00 voor salaris en € 823,62 voor verschotten.

3. Verklaart dit vonnis wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. van der Vinne, F. le Poole en H. Wolthuis, leden van voormelde kamer, bijgestaan door mr. W.B.J. ten Have, griffier, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 16 juli 2003, in tegenwoordigheid van de griffier en door mr. J. van der Vinne en griffier voornoemd ondertekend.

Typ: TvdV

Coll:

Zaaktypering:

2e niveau: 6

3e niveau: 1

nr. 31261 d.d. 16 juli 2003