Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2003:AF8237

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
02-05-2003
Datum publicatie
06-05-2003
Zaaknummer
19/810082-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoeker vraagt vergoeding ten laste van de Staat voor de schade welke hij ten gevolge van ten onrechte ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis heeft geleden ten bedrage van 114.259,75 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Raadkamernummer: 03/57

Parketnummer: 19/810082-02

BESCHIKKING van de meervoudige raadkamer in de zaak van:

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens verzoeker],

domicilie kiezende te 1017 CA Amsterdam, Herengracht 464,

verzoeker.

1. Het verzoek

Verzoeker vraagt vergoeding ten laste van de Staat voor de schade welke hij ten gevolge van ten onrechte ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis heeft geleden ten bedrage van 114.259,75 euro, nader gespecificeerd als volgt:

Inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis: 100.000,00 euro

Gederfd inkomen: 7.776,85 euro

Cursus 329,00 euro ( FL. 725,00)

Gederfd woongenot 1.653,90 euro

Schade verkoop huis 4.500,00 euro

2. De behandeling in raadkamer

De rechtbank heeft in openbare raadkamer van 18 april 2003 de officier van justitie, alsmede de verzoeker en zijn raadsman gehoord.

3. De beoordeling van het verzoek

3.1 Uit het onderzoek - is voor zover van belang - de rechtbank het volgende gebleken.

- Verzoeker heeft 128 dagen in voorarrest doorgebracht, te weten van 24 april 2002 tot 30 augustus 2002.

- Op 4 juni 2002 zijn de beperkende maatregelen, die vanaf 24 april 2002 van kracht waren, opgeheven.

- Verzoeker is gedagvaard voor twee feiten, te weten moord op Andrea Luten (subsidiair doodslag) en poging tot doodslag op [naam slachtoffer] (subsidiair poging zware mishandeling en meer subsidiair mishandeling).

- Verzoeker is bij vonnis van deze rechtbank op 30 augustus 2002 vrijgesproken van het eerste feit en veroordeeld voor het tweede feit, zoals dat meer subsidiair te laste was gelegd, te weten: mishandeling van [naam slachtoffer].

- De rechtbank heeft ten aanzien van de mishandeling geen straf opgelegd en dat als volgt gemotiveerd: 'Gelet op hetgeen de verdachte reeds door deze zaak heeft ondervonden (hij heeft ruim vier maanden in voorlopige hechtenis doorgebracht en is zeer negatief in de publiciteit gekomen), acht de rechtbank het niet op zijn plaats daar nog strafleed aan toe te voegen'.

- Tegen dit vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

- Op 4 december 2002 is het hoger beroep ingetrokken.

- De zaak is derhalve geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.

- Verzoeker heeft het verzoek op de voorgeschreven wijze en tijdig ingediend.

3.2 Ten aanzien van de immateriële schade is de rechtbank het volgende van oordeel.

Naar het oordeel van de rechtbank doet de gebruikelijke vergoeding van 95,- euro per dag in geval van voorarrest met beperkingen en 70,- euro per dag in geval van voorlopige hechtenis zonder beperkingen, geen recht aan de door verzoeker geleden immateriële schade. Immers heeft de verzoeker de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis ondergaan op verdenking van een bijzonder ernstig feit: het (met voorbedachte rade) een ander van het leven beroven. Het betreffende feit heeft de gemoederen in Ruinen (de plaats waar Andrea Luten woonde) en ver daarbuiten danig in beweging gebracht. Ook de landelijke media hebben veel aandacht gehad voor de onopgeloste moord.

De rechtbank acht aannemelijk, dat ondanks de vrijspraak, verzoeker niet snel en mogelijk nooit geheel bevrijd zal zijn van de smetten, die als gevolg van de destijds gerezen verdenking en vervolging aan hem kleven. Kort na de vrijspraak is het huis van verzoeker beklad met woord "moordenaar" en is hij bedreigd met de dood. Verzoeker voelde zich, na zijn vrijlating, genoodzaakt onder te duiken. Voor verzoeker is het zo goed als onmogelijk geworden om terug te keren naar de omgeving waar hij geboren en getogen is.

De rechtbank acht op basis van hetgeen hiervoor is overwogen het billijk om de hoogte van de toe te kennen dagvergoeding voor immateriële schade te bepalen op het drievoudige van het als voormeld gebruikelijke tarief, derhalve op respectievelijk 285,- euro en 210,- euro per dag.

Verzoeker heeft derhalve recht op:

- 41 dagen detentie à 285,- euro: 11.685,-;

- 87 dagen detentie à 210,- euro: 18.270,-.

3.3 Ten aanzien van de materiële schade is de rechtbank het volgende van oordeel.

De schade geleden door het als gevolg van de detentie gederfd inkomen is voldoende aannemelijk gemaakt. Het gevorderde bedrag ( ten rechte € 7.749,69) is voldoende onderbouwd en de rechtbank acht het billijk dat deze schade wordt toegewezen.

De schade geleden als gevolg van het feit dat de werkgever van betrokkene niet meer bereid was de cursus uitvoerder (Fl. 725 = € 329) te financieren is voldoende onderbouwd en de rechtbank acht het billijk dat ook deze schade wordt toegewezen.

De schade als gevolg van gederfd woongenot wordt geacht te zijn begrepen in de immateriële schadevergoeding, die toegekend is voor het ondergaan van de voorlopige hechtenis.

De schade als gevolg van de verkoop van het huis is onvoldoende komen vast te staan. Van de noodzaak om tot een snelle verkoop van het huis over te gaan is onvoldoende gebleken. Bovendien is niet precies vast te stellen wat de waarde van een huis is en welke factoren uiteindelijk van invloed zijn op de prijs die er voor wordt betaald. De makelaar spreekt in zijn brief dan ook van een vermoedelijke schade van 4.500,- euro.

4. De beslissing

De rechtbank:

kent verzoeker ten laste van de Staat toe, als vergoeding voor de schade welke hij tengevolge van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis, als bedoeld in artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering, heeft geleden een bedrag van € 38033,69 (zegge: achtendertig duizenddrieëndertig euro en negenenzestig eurocent).

Gegeven door mr. J.J. Schoemaker, voorzitter, mrs J.D. den Hartog en P.L.M.J. Rooijakkers, rechters, in tegenwoordigheid van J. Hoogeveen, griffier, op 2 mei 2003, zijnde de voorzitter buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.