Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2003:AF6685

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
12-03-2003
Datum publicatie
01-04-2003
Zaaknummer
03/175
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur 3
Wet openbaarheid van bestuur 10
Wet openbaarheid van bestuur 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Kenmerk: 03/175 WOB

U I T S P R A A K

van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Assen op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het geding tussen:

[verzoekers]., wonende te [woonplaats], verzoekers,

en

gedeputeerde staten van Drenthe, verweerder.

I. Procesverloop

Verzoekers hebben op 12 februari 2003 bij verweerder een verzoek ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur (verder Wob) ingediend, teneinde afschriften te verkrijgen van documenten, zoals behorende bij Statenstuk 35, welk stuk zal worden behandeld in de vergadering van provinciale staten van 19 maart a.s.

Verweerder heeft bij brief van 26 februari 2003 de beslissing op dit verzoek verdaagd met twee weken.

Namens verzoekers heeft mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, tegen deze brief, alsmede tegen het niet-tijdig beslissen door verweerder op voormeld verzoek, bij brief van 28 februari 2003 bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij brief van gelijke datum is tevens namens verzoekers aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft bij brief van 3 maart 2003 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Op 4 maart 2003 heeft verweerder op het Wob-verzoek beslist, inhoudende het niet-openbaar maken van een viertal stukken, nu deze stukken moeten worden beschouwd als stukken die aan de provincie vertrouwelijk ter hand zijn gesteld.

De voorzieningenrechter heeft, artikel 6:18 en 6:19 van de Awb analoog toepassend, het verzoek geacht mede betrekking te hebben op dit besluit van verweerder.

De gemachtigde van verzoekers heeft bij brief van 5 maart 2003 het verzoek nader onderbouwd, alsmede aanvullende stukken ingediend.

Verweerder heeft bij brief van 7 maart 2003 van verweer gediend.

Partijen hebben, voor zover niet door hen ingediend, afschriften van de gedingstukken ontvangen, de stukken waarop het Wob-verzoek betrekking heeft uitgezonderd.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 10 maart 2003, alwaar namens verzoekers [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde die het verzoek nader heeft toegelicht.

Voor verweerder zijn verschenen -daartoe ambtshalve opgeroepen- mr. E.J. Gernaat en mevrouw drs. G. Smidt. Zij hebben het standpunt van verweerder nader uiteen gezet.

II. Motivering

Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is voldaan aan het connexiteitsvereiste. Ook overigens is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

Alvorens over te gaan tot een inhoudelijke beoordeling van dit verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat overeenkomstige toepassing is gegeven aan artikel 8:29, derde lid, van de Awb, waarbij de voorzieningenrechter heeft bepaald dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de stukken die verweerder bij brief van 3 maart 2003 heeft ingezonden. Nu van het tegendeel niet is gebleken alsmede overwegende dat een weigering niet in het belang van verzoekers wordt geacht, wordt de toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb geacht te zijn verleend.

Feiten en omstandigheden

In de vergadering van provinciale staten van 19 maart a.s. zal het voorstel van verweerder van 4 februari 2003 (Statenstuk 35) worden behandeld, inhoudende het instemmen met de financiële gevolgen van de voorgenomen investeringen in het kader van de herhuisvesting van RTV Drenthe, alsmede met de voorgestelde dekking van deze investering.

Verzoekers hebben zich bij per telefax verzonden brief van 12 februari 2003 tot verweerder gewend met het verzoek om openbaarmaking van de bij dit Statenstuk behorende bijlagen.

Verzoekers hebben zich daarbij beroepen op de Wob en daarbij aangegeven dat het beoordelen van Statenstuk 35 alleen mogelijk is door bestudering van de onderliggende stukken.

Verweerder heeft bij brief van 26 februari 2003 de beslissing op dit verzoek met twee weken verdaagd.

Namens verzoekers heeft mr. Van der Velde bij brief van 28 februari 2003 tegen dit besluit, alsmede tegen het niet-tijdig beslissen op het Wob-verzoek van verzoekers bezwaar gemaakt.

Bij het thans bestreden besluit van 4 maart 2003 heeft verweerder besloten een viertal van de stukken waarop het Wob-verzoek betrekking heeft niet openbaar te maken.

Daartoe heeft verweerder overwogen dat deze vier stukken vertrouwelijk aan de provincie ter hand zijn gesteld .

Standpunten van partijen

Verzoekers bestrijden dat in casu het bepaalde in artikel 10, eerste lid, onder c, van de Wob van toepassing is. Zij stellen dat het daarbij moet gaan om wetenswaardigheden omtrent het productieproces, terwijl kennisname daarvan door concurrenten zou kunnen leiden tot schade voor RTV Drenthe. Volgens verzoekers is daarvan in de in geding zijnde stukken geen sprake. De in deze stukken neergelegde informatie kan, zo stellen verzoekers, onder geen beding worden gerangschikt onder de noemer bedrijfs- en fabricagegegegevens.

Hierbij wijzen verzoekers erop dat de doelstelling van het gestelde in artikel 10, eerste lid, onder c, van de Wob is gelegen in het bieden van bescherming tegen concurrentie en stellen zij dat RTV Drenthe helemaal geen concurrentie ondervindt omdat er per provincie maar één provinciale omroep is.

Ten aanzien van het feit dat ook RTV Drenthe zelf van mening is dat de in geding zijnde stukken niet openbaar zouden zijn merken verzoekers, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op dat de opvatting van een derde niet voldoende c.q. doorslaggevend is, maar dat het erom gaat wat verweerder zelfstandig beslist over de openbaarheid van deze documenten.

Tenslotte wijzen verzoekers op het feit dat RTV Drenthe er zelf voor kiest om subsidie aan te vragen en daarmee een (substantieel) beroep te doen op gemeenschapsgelden. Volgens verzoekers staat daar een zekere publieke verantwoordingsplicht tegenover.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het in casu gaat om stukken die bedrijfsgegevens bevatten die hem vertrouwelijk ter hand zijn gesteld. Het betreft vooral de financiële gegevens van RTV Drenthe.

Voor het geval geen sprake zou zijn van bedrijfsgegevens als bedoeld in de Wob dient volgens verweerder openbaarmaking van een deel van de gevraagde informatie achterwege te blijven, omdat daarmee benadeling van RTV Drenthe zou kunnen plaatsvinden, nu de opdrachtverleningen nog niet zijn afgerond.

Ter zitting heeft verweerders vertegenwoordiger het vorenstaande nog nader aangevuld door aan te geven dat de vrees voor onevenredige benadeling met name betrekking heeft op stuk nr. 2, welk stuk handelt over toekomstige investeringen in apparatuur.

De informatie, zoals deze in de overige stukken is neergelegd (nrs. 1, 3 en 9), betreft in de optiek van verweerders bedrijfsgegevens van RTV Drenthe die hem vertrouwelijk zijn medegedeeld.

Toepasselijke regelgeving

Ingevolge het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Wob, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Op voet van het bepaalde in artikel 10, eerste lid, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge de Wob achterwege voor zover dit:

a. en b. (...)

c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;

d. (...).

Ingevolge het bepaalde in lid 2, onder g, van voormeld artikel blijft het verstrekken van informatie ingevolge de Wob eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen onder meer het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Beoordeling

Gesteld voor de beantwoording van de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorlopige voorziening te treffen, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Blijkens het verhandelde ter zitting meent verweerder dat het verstrekken van de informatie, zoals deze is neergelegd in de stukken behorende bij Statenstuk 35 met nrs. 1, 3 en 9, achterwege moet blijven, omdat het gaat om bedrijfsgegevens van RTV Drenthe, die hem vertrouwelijk zijn medegedeeld. Verweerder beroept zich derhalve op de -absolute- weigeringsgrond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob.

Volgens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder ABRS) en haar voorgangster de Afdeling rechtspraak is slechts van bedrijfs- en fabricagegegevens sprake indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigenheden kunnen worden gelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarvan in de stukken met de nrs. 1, 3 en 9 geen sprake.

Deze stukken bevatten (enkel) financiële gegevens van RTV Drenthe, met name betrekking hebbend op de voorgenomen herhuisvesting. Uit deze gegevens kunnen geen wetenswaardigheden worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de afzet van producten of de kring van afnemers en leveranciers.

Evenmin kunnen uit deze stukken wetenswaardigheden worden afgelezen of afgeleid die betrekking hebben op het productieproces of de technische bedrijfsvoering van RTV Drenthe.

Van bedrijfs- en fabricagegegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob is derhalve in de stukken genummerd 1, 3 en 9 geen sprake.

Hierbij heeft de voorzieningenrechter tevens in aanmerking genomen dat uit de parlementaire geschiedenis naar voren komt dat met deze (absolute) weigeringsgrond, waarvan een restrictieve toepassing voorop dient te staan, is beoogd bedrijven bescherming te bieden tegen concurrentie, wanneer deze bedrijven tegenover de overheid open kaart hebben moeten spelen voor wat betreft hun bedrijfsvoering en hun bedrijfsprocessen.

Dit is wat anders dan de thans in geding zijnde financiële informatie, waarvan de voorzieningenrechter niet vermag in te zien dat deze een inbreuk maakt op de concurrentiepositie van RTV Drenthe, nog daargelaten de vraag of RTV Drenthe, zijnde een regionale publieke omroep, onderhevig is aan concurrentie.

De voorzieningenrechter komt, het vorenstaande in aanmerking nemende, tot de conclusie dat de weigeringsgrond van artikel 10, eerste lid, onder c, van de Wob met betrekking tot de stukken 1, 3 en 9 niet van toepassing is.

Verweerder is ten aanzien van stuk 2 van mening dat openbaarmaking van de inhoud daarvan achterwege dient te blijven, omdat dit onevenredige benadeling van RTV Drenthe tot gevolg zou kunnen hebben.

Ter zitting heeft verweerders vertegenwoordiger dit nader toegelicht, door aan te geven dat stuk 2 met name handelt over de toekomstige investeringen in apparatuur.

Aangezien deze investeringen nog niet hebben plaatsgevonden (er is nog geen sprake van een afgeronde opdrachtverlening), zou dit stuk (voortijdig) inzicht kunnen verschaffen in het budget dat RTV Drenthe voor deze investeringen beschikbaar heeft, hetgeen RTV Drenthe onevenredig zou kunnen benadelen.

De voorzieningenrechter acht dit aannemelijk. Het nu bekend worden van deze gegevens zou -in voor RTV Drenthe nadelige zin- van invloed kunnen zijn op de nog uit te brengen offertes.

Mede in aanmerking nemende het feit dat, zoals ter zitting zijdens verzoekers is aangegeven, het verzoek met name is gericht op het openbaar maken van de op de herhuisvesting betrekking hebbende informatie, moet met verweerder (voorlopig) geoordeeld worden dat openbaarmaking van stuk 2 zou leiden tot de hiervoor aangegeven onevenredige benadeling ingevolge artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob.

Alles overziende komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het verzoek, voor zover betrekking hebbend op de stukken 1, 3 en 9, zoals deze behoren bij Statenstuk 35, dient te worden toegewezen.

Verweerder zal worden opgedragen om deze stukken binnen twee werkdagen na datum van deze uitspraak aan verzoekers te verstrekken.

Voor het overige dient het verzoek te worden afgewezen.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekers in verband met de behandeling van hun verzoek redelijkerwijs hebben moeten maken.

Deze kosten kunnen worden begroot op €€ 644,- wegens verleende rechtsbijstand en € 1,52 wegens reiskosten teneinde de zitting bij te wonen.

III. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, voor zover betrekking hebbend op de stukken zoals deze behoren bij Statenstuk 35 met de nrs. 1, 3 en 9, toe en bepaalt dat verweerder deze stukken binnen twee werkdagen na de datum van deze uitspraak aan verzoekers dient te verstrekken;

- wijst het verzoek voor het overige af;

- veroordeelt verweerder in de kosten aan de zijde van verzoekers gevallen ten bedrage van € 645,52 en bepaalt dat de provincie Drenthe dit bedrag, alsmede het griffierecht ad € 116,- aan verzoekers dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. H.J. ter Schegget, voorzieningenrechter en uitgesproken in het

openbaar op 12 maart 2003

door mr. H.J. ter Schegget, in tegenwoordigheid van mr. W.P. Claus, griffier.

mr. W.P. Claus mr. H.J. ter Schegget

Afschrift verzonden op:

typ: wpc