Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2002:AE7392

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
03-09-2002
Datum publicatie
10-09-2002
Zaaknummer
02/640, 671 en 682
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Kenmerk: 02/640, 02/671 en 02/682 WRO

U I T S P R A A K

van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Assen op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de gedingen tussen:

1. [verzoekers] e.a.,

2. Stichting Milieufederatie Drenthe e.a.,

3. de Werkgroep Bollenboos,

verzoekers

en

Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Westerveld, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2002, verzonden d.d. 4 juli 2002, heeft verweerder op grond van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor een periode van drie jaren v.o.f. [naam] te Uffelte vrijstelling verleend voor het aanleggen en gebruiken van een inrichting voor het spoelen van leliebollen.

Verzoekers hebben tegen dit besluit separaat bij verweerder bezwaar gemaakt.

Tevens hebben zij de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft bij brieven van 7 en 20 augustus 2002 de op de zaken betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden.

Bij brief van 16 augustus 2002 heeft de griffier van de rechtbank de secretaris van verzoekster onder 3 verzocht een machtiging dan wel andere gegevens te overleggen, waaruit blijkt dat deze gemachtigd is het verzoek in te dienen, alsmede gegevens omtrent verzoekster als werkgroep. Hierop is ter griffie van de rechtbank een telefonische mededeling ontvangen dat de gevraagde gegevens niet aanwezig zijn.

V.o.f. [naam] heeft zich als partij in deze gedingen gevoegd.

De verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank op 28 augustus 2002, alwaar verzoekers onder 1 zijn verschenen in de persoon van [verzoeker], bijgestaan door mr. M.T Hoen van het Buro voor Rechtshulp te Drachten.

Verzoekers onder 2 zijn verschenen bij gemachtigde [gemachtigde].

Verzoekster onder 3 is niet verschenen.

Verweerder, daartoe ambtshalve opgeroepen, is verschenen bij gemachtigden I. Boer en A. Fleerakkers, medewerkster van de gemeente Westerveld.

Namens v.o.f. [naam] is verschenen [vennoot], bijgestaan door [gemachtigde].

II. Motivering

Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt tegen het besluit waarop de verzoeken betrekking hebben en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is voldaan aan het connexiteitsvereiste.

Met betrekking tot verzoekster onder 3 volstaat de voorzieningenrechter met de overweging dat verweerder in bezwaar zal moeten beoordelen of zij belanghebbende is bij het bestreden besluit en derhalve kan worden ontvangen in bezwaar. Omdat de voorzieningerechter gegronde reden heeft om hieraan te twijfelen wijst hij haar verzoek reeds hierom af. Nu er echter andere verzoeken liggen van belanghebbenden die in bezwaar kunnen worden ontvangen, is er thans voldoende aanleiding deze verzoeken om een voorlopige voorziening inhoudelijk te beoordelen.

Feiten en omstandigheden

Verweerder heeft op 5 maart 2002 positief beslist betreffende het verlenen van medewerking door middel van een vrijstelling ex artikel 17 van de WRO voor het oprichten van een spoelinstallatie voor leliebollen aan de Hennehorstweg te Uffelte ten behoeve van het akkerbouwbedrijf van v.o.f. [naam]. Dit is een tijdelijke oplossing vooruitlopend op een definitieve oplossing inhoudende een verplaatsing van het akkerbouwbedrijf van de Rijksweg te Uffelte naar de Hennehorstweg aldaar, waarmee verweerder eerder, op 19 februari 2002, heeft ingestemd. De spoelinstallatie bevindt zich nu op de Uffelter es, een situatie die illegaal is en die verweerder niet wenst te continueren.

Bij brief van 26 april 2002 heeft [naam] aan verweerder vrijstelling gevraagd ex artikel 17 van de WRO voor het aanleggen en het gebruiken van een inrichting voor het spoelen van leliebollen op het perceel kadastraal bekend gemeente Havelte, sectie P, nummer 17 (gedeeltelijk), plaatselijk gelegen aan de Hennehorstweg te Uffelte.

Bij brief van 3 mei 2002 heeft verweerder omwonenden en andere belanghebbenden geïnformeerd over het voornemen om met toepassing van artikel 17 van de WRO medewerking te verlenen aan het aanleggen en gebruiken van een spoelinstallatie voor leliebollen aan de Hennehorstweg te Uffelte. Medegedeeld wordt voorts dat de aanvraag met ingang van 10 mei 2002 gedurende vier weken ter inzage wordt gelegd, waarbij belanghebbenden de gelegenheid wordt geboden om zienswijzen in te dienen.

Hierna zijn bij verweerder diverse schriftelijke zienswijzen ingediend, waaronder van (een deel van de) verzoekers.

Bij brief van 19 juni 2002 heeft verweerder [naam] geïnformeerd over de noodzakelijkheid van het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet milieubeheer (Wm).

Bij het bestreden besluit heeft verweerder voor een periode van drie jaren onder voorwaarden aan [naam] vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 17 van de WRO voor het aanleggen en gebruiken van een bollenspoelinrichting aan de Hennehorstweg te Uffelte.

Standpunt verzoekers

Verzoekers stellen allen dat de tijdelijkheid van de beoogde afwijking van het bestemmingsplan niet vaststaat, nu verweerder eerst een procedure ex artikel 11 van de WRO in gang heeft gezet en thans een extern bureau opdracht heeft gegeven voor een nieuw bestemmingsplan ten behoeve van een permanente bedrijfsvestiging ter plaatse.

Verzoekers onder 1 en 2 wijzen er op dat de onderhavige lokatie voor de spoelinrichting ligt in het gebied dat blijkens het Provinciaal Omgevingsplan (POP) is beoogd als ecologische verbindingszone, waarvoor - volgens verzoekers onder 2 - reeds wordt gewerkt aan een planologische uitwerking. Deze spoelinrichting vormt daarvoor een belemmering, aldus verzoekers.

De ter plaatse aanwezige infrastructuur is volgens verzoekers onder 1 - zeker in de herfst-winterperiode - niet uitgerust voor de vestiging van de spoelinrichting op de onderhavige lokatie en het daarmee gepaard gaande gebruik van de infrastructuur.

Volgens verzoekers onder 1 het besluit onvoldoende gemotiveerd dan wel onderbouwd wat betreft de landschappelijke inpassing van de spoelinrichting.

Verzoekers onder 1 zijn voorts van mening dat bij het onderhavige bedrijf maar in zeer beperkte mate sprake is van een grondgebonden agrarisch bedrijf, maar dat in meerdere mate sprake is van een loonbedrijf. Volgens verzoekers worden loonbedrijven in het buitengebied niet toegestaan. Verzoekers menen dat verweerder ten onrechte stelt dat de spoelinstallatie onderdeel uitmaakt van het akkerbouwbedrijf. Het is onderdeel van het loonbedrijf, aldus verzoekers. Verzoekers stellen dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de vestiging van de spoelinrichting op een bedrijventerrein uit oogpunt van ruimtelijke ordening niet is gewenst. Verzoekers onder 2 wijzen hier eveneens op, waarbij zij stellen dat van een volwaardig akkerbouwbedrijf van [naam] op dit moment nog geen sprake is.

Verzoekers onder 2 wijzen er voorts nog op dat de gekozen lokatie vanuit het oogpunt van waterkwantiteitsbeheer geen gelukkige keuze is. Gelet op de noodzaak van opvang van water en de onvoorspelbaarheid daarvan is het niet ondenkbaar dat de spoelinrichting (in de winterperiode) voor lange tijd niet kan worden gebruikt. Daarnaast is het risico reëel dat er - met hoge concentraties - vervuild spoelwater het water zal vervuilen. Volgens verzoekers is hiervoor een vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) nodig.

Verzoekers onder 2 stellen dat de Drentse beekdalen van oudsher niet zijn bebouwd. Verzoekers pleiten ervoor om dit zo te houden, de landschappelijke karakteristiek van het beekdal te versterken en intensivering van activiteiten tegen te gaan. Ook verzoekers onder 2 pleiten voor een spoelinrichting op een bedrijventerrein of binnen een agrarisch bedrijfsgebouw. In het kader van de bedrijfsvoering is het niet noodzakelijk de spoelinrichting aan te leggen in het landelijk gebied.

Verzoekers onder 2 benadrukken de noodzaak om een einde te maken aan de gedoogde situatie op de Uffelter es. Zij gaan er vanuit dat deze situatie wordt beëindigd, onafhankelijk van de uitkomsten van de voorliggende wijziging.

Standpunt verweerder

Verweerder stelt dat het hoogst noodzakelijk is dat aan de tijdelijke, illegale situatie op de Uffelter es, waar de spoelinrichting zich thans sinds twee jaren bevindt, wordt beëindigd. In verband daarmee wordt tevens gezocht naar een definitieve oplossing in de vorm van een bedrijfsverplaatsing. Een lokatie die daarbij in beeld komt is de lokatie aan de Hennehorstweg. De bestemmingsplanwijzigingsprocedure die hiervoor aanvankelijk in gang was gezet, is volgens verweerder inmiddels gestaakt. Verweerder wil echter de haalbaarheid van de bedrijfsverplaatsing naar de Hennehorstweg onderzoeken, maar dan op een gebiedsgerichte wijze en in samenspraak met de overlegpartners. Hiertoe is een opdracht verstrekt aan het bureau Bügel/Hajema Adviseurs BV. Volgens verweerder doet dit gegeven niets af aan het door hem de aanvrager beoogde tijdelijke karakter van de spoelplaats. De tijdelijke vrijstelling heeft geen gevolgen voor de afweging die in het kader van de partiële herziening van het bestemmingsplan aan de orde is, aldus verweerder. Verweerder stelt dat overigens ook de aanvraag en de voorschriften van de vrijstelling zijn toegesneden op een tijdelijke situatie.

Verweerder stelt aan de hand van een schets van de verbindingszone dat de tijdelijke lokatie buiten het aandachtsgebied valt. De verbindingszone heeft nu nog geen formeel-juridische status.

Vanwege de tijdelijkheid zijn, aldus verweerder, geen landschappelijke voorzieningen nodig. In de voorschriften is volgens verweerder geregeld dat de spoelplaats buiten het spoelseizoen nauwelijks landschappelijke gevolgen heeft.

Omtrent de verkeersaspecten verwijst verweerder naar de bij het besluit behorende nota van zienswijzen. Hierin is overwogen dat de verkeersbewegingen in het landbouwgebied zullen toenemen, maar door de beperkte bedrijfsduur van de spoelinrichting zijn de verkeersbewegingen vrij nauwkeurig te bepalen. Aangegeven wordt voorts dat het aantal verkeersbewegingen in verband met de spoelinrichting relatief gering zijn. Volgens verweerder kan worden gewaarborgd dat de gebruiksmogelijkheden voor andere weggebruikers niet onevenredig worden aangetast door het opnemen van de bedrijfsgegevens in het vrijstellingsbesluit.

Volgens verweerder is het heel goed mogelijk dat aan de milieuvoorschriften wordt voldaan. De vergunningsprocedure in het kader van de Wm zal nog enkele maanden in beslag nemen. Vooruitlopend op de milieuvergunning zal verweerder er op toezien dat aan de algemene milieuvoorschriften wordt voldaan.

Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening acht verweerder de tijdelijke spoelplaats aan de Hennehorstweg een goede noodoplossing voor de situatie op de es en zeer wenselijk dat deze spoelplaats vanaf het komende spoelseizoen in gebruik kan worden genomen.

Toepasselijke regelgeving

Het perceel aan de Hennehorstweg te Uffelte ligt in het bestemmingsplan "Buitengebied Havelte". Ingevolge dit bestemmingsplan hebben de gronden ter plaatse de bestemming "agrarisch gebied".

In artikel 4 van de bestemmingsplanvoorschriften is onder A bepaald dat de gronden die zijn aangewezen als agrarisch gebied zijn bestemd "voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf met daarbij behorende bebouwing en voorzieningen, alsmede voor behoud en herstel van aanwezige landschappelijk waarden indien en voor zover betreft de opde kaart met "beplantingsstrook" aangeduide gronden.".

In artikel 4, onder B, is bepaald dat op gronden met deze bestemming uitsluitend andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat de hoogte ten hoogste 2 meter bedraagt. Onder C van dit artikel zijn vrijstellingsbevoegdheden van verweerder opgenomen.

Artikel 17, lid 1, van de WRO bepaalt dat verweerder met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling kan verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen.

Beoordeling

In het onderhavige geval is door verweerder vrijstelling verleend van de bestemmingsplanvoorschriften ten behoeve van de (tijdelijke) oprichting en ingebruikname van een spoelinrichting ten behoeve van de leliebollenteelt van [naam]. Niet in geschil is dat de spoelinrichting wordt opgericht op gronden met de bestemming "agrarisch gebied", waarop artikel 4 van de bestemmingsplanvoorschriften van toepassing is. Ter zitting is van de zijde verweerder bevestigd dat dit deel van het bedrijf van [naam] een akkerbouwbedrijf is en derhalve valt onder het begrip "agrarisch bedrijf" als bedoeld in het vigerende bestemmingsplan. Ter zitting is namens verweerder verklaard dat de spoelinrichting niet past binnen het ingevolge het bestemmingsplan toegestane agrarische gebruik, waardoor vrijstelling van de geldende voorschriften nodig is om het gebruik van de spoelinrichting ter plaatse mogelijk te maken. De voorzieningenrechter heeft reden om aan deze opvatting van verweerder te twijfelen en overweegt hierover het volgende.

Het bestemmingsplan "Buitengebied Havelt" kent een vijftal bestemmingen waarbinnen agrarisch gebruik dan wel gebruik ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering is toegestaan. Anders dan de bestemmingen "agrarisch gebied met landschappelijke waarde", "esgronden" en "agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden" is in artikel 4, onder A, van de voorschriften bepaald dat deze gronden zijn bestemd voor de uitoefening van het agrarische bedrijf met daarbij behorende bebouwing en voorzieningen. Het cursieve gedeelte is in deze bepaling een toevoeging ten opzichte van de andere drie eerder genoemde bestemmingen. De bebouwing mag blijkens de voorschriften alleen bestaan uit andere bouwwerken. Ten behoeve van de oprichting dan wel aanleg van de leliebollenspoelinrichting wordt er niet gebouwd.

Voorts blijkt dat de bestemming "agrarisch gebied" een minder vergaand aanlegvergunningenstelsel kent. Een aanlegvergunning is ingevolge artikel 4, onder E, sub 1, van de voorschriften alleen vereist voor het verwijderen of beschadingen van bomen en andere houtopstanden, en dan nog alleen in het geval dat ter plaatse op de plantkaart een "beplantingsstrook" is aangeduid. Dit is ten aanzien van de lokatie waar de spoelinrichting is beoogd niet het geval.

Uit de voorschriften, alsmede gelet op de toelichting bij de onderscheiden agrarische bestemmingen, leidt de voorzieningenrechter af dat voor het agrarische gebruik op gronden met de bestemming "agrarisch gebied" minder beperkende voorschriften zijn opgenomen ten aanzien van dit gebruik dan ten opzichte van de andere te beschermen belangen. In de toelichting wordt ook vermeld dat op gronden met deze bestemming het agrarisch belang prevaleert boven andere belangen. Dit wordt derhalve bevestigd door de voorschriften. Het bestemmingsplan houdt - ten aanzien van de gronden met de bestemming "agrarisch gebied" - geen rekening met mogelijke andere belangen die ter plaatse aanwezig zijn. Het POP geeft, daargelaten het gegeven dat het POP in dit verband geen bindende voorschriften bevat, voor deze conclusie ondersteunende argumenten. De onderhavige gronden aan de Hennehorstweg zijn in het POP aangewezen als "zone III". Dit betekent dat het een verwevingsgebied is tussen landbouw en landschap. Weliswaar vloeit hieruit voort dat er - binnen de grenzen van het geldende bestemmingsplan - een afweging dient plaats te vinden tussen de verschillende belangen die in het gebied een rol spelen, maar ook blijkt dat landbouw gelijkwaardig is aan andere belangen (waaronder landschappelijke) en dat de landbouw in dit gebied een blijvende functie heeft.

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is de onderhavige spoelinrichting bedoeld ten behoeve van het agrarische bedrijf van [naam] en dient het te worden aangemerkt als een voorziening behorende bij de agrarische bedrijfsuitoefening als bedoeld in artikel 4, onder A, van de bestemmingsplanvoorschriften. Een aanknopingspunt voor de stelling dat de spoelinrichting deel uitmaakt van het loonbedrijf van [naam] heeft de voorzieningenrechter niet gevonden. Een aanlegvergunning voor het aanleggen dan wel het oprichten van een dergelijke inrichting is ingevolge de voorschriften niet vereist, waardoor de spoelinrichting zonder meer zou zijn toegestaan op het onderhavige perceel.

Partijen lijken echter niet van mening te verschillen over de vraag dat voor onderhavige inrichting vrijstelling van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Verweerder is de stellige opvatting toegedaan dat de spoelinrichting in strijd is met de bestemming, waardoor de vrijstelling nodig is geacht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder deze opvatting, gelet op het vorenstaande, nader dient te onderbouwen in het kader van de besluitvorming in de bezwaarprocedure(s).

Daarbij komt dat, in het geval dat - in tegenstelling tot het voorgaande - moet worden uitgegaan van de rechtvaardigheid en noodzakelijkheid van de verleende vrijstelling ex artikel 17 van de WRO, het besluit waarbij de vrijstelling is verleend naar verwachting - te zijner tijd - in rechte niet zal kunnen worden gehandhaafd. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen dan wel onvoldoende objectieve feiten en omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan kan worden aangenomen dat de spoelinrichting binnen drie - dan wel met inachtneming van het bepaalde in artikel 17 van de WRO binnen uiterlijk vijf - jaren is verwijderd van de lokatie aan de Hennehorstweg. Hierbij wordt overwogen dat deze lokatie onderwerp is van een namens verweerder te verrichten onderzoek voor een mogelijke complete bedrijfsverplaatsing van [naam]. Een andere lokatie is niet voorhanden en daar is ook geen enkel concreet zicht op. Het enkele gegeven dat zowel verweerder als [naam] thans beogen de spoelinrichting aan de Hennehorstweg tijdelijk aan te leggen is onvoldoende om op grond daarvan de tijdelijkheid te kunnen aannemen. Dit betekent dat ten onrechte van de bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 17 van de WRO gebruik is gemaakt.

Gelet op de hiervoor weergegeven overwegingen ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding om over te gaan tot schorsing van het bestreden besluit. Verweerder zal bij de beslissing op de bezwaren allereerst duidelijkheid dienen te verschaffen over de vraag of, en zo ja, op grond waarvan, de spoelinrichting in strijd is

met de bestemmingsplanvoorschriften. De voorzieningenrechter is zich ervan bewust dat een negatieve beantwoording van deze vraag voor alle partijen vergaande consequenties heeft. In verband met de niet irreële situatie dat geen vrijstelling nodig is, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de schorsing van het besluit te beperken tot twee weken na de datum van bekendmaking van het besluit dan wel de besluiten op bezwaar.

Op grond van het vorenstaande is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekers (onder 1 en 2) redelijkerwijs in verband met de behandeling van hun verzoeken hebben moeten maken. Deze kosten zijn voor verzoekers onder 1 onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644, zijnde proceskosten, en € 7,60, zijnde reiskosten (van Arends). Van kosten voor verzoekers onder 2 is gelet op dit Besluit niet gebleken.

III. Beslissing

De voorzieningenrechter:

I. wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening van de verzoekers onder 1 en 2 toe;

II. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster onder 3 af;

III. schorst het bestreden besluit van 25 juni 2002 tot twee weken na de datum van

verzending van het besluit op de bezwaren van verzoekers onder 1 en 2 dan wel tot twee weken na de datum van verzending van het door verweerder genomen eerste besluit op bezwaar;

IV. veroordeelt verweerder in de kosten verzoekers onder 1 ten bedrage van EUR 651,60;

V. bepaalt dat verweerder het door verzoekers onder 1 en 2 betaalde griffierecht ten bedrage van respectievelijk € EUR 109,-- en € EUR 218,-- aan hen vergoedt;

VI. wijst de gemeente Westerveld aan als de rechtspersoon die de onder IV en V genoemde bedragen dient te betalen.

Aldus gegeven door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzieningenrechter en uitgesproken in het openbaar op 3 september 2002

door mr. A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van mr. A. Verweij, griffier.

mr. A. Verweij mr. A.T. de Kwaasteniet

Afschrift verzonden op: